IN MEMORIAM SAMUEL PHILLIPS HUNTINGTON (18 APRIL 1927 - 24 DECEMBER 2008)

Stilstaande klok

ONGELIJK. Dat had Samuel Huntington toen hij in 1993 opperde dat een langdurige botsing tussen het Westen en de voornaamste niet-westerse beschavingen onvermijdelijk was. Eigenlijk had hij al ongelijk voordat zijn geruchtmakende artikel The Clash of Civilizations? (let op het vraagteken in de titel) in de zomer van dat jaar in Foreign Affairs verscheen. Iets meer dan twee jaar tevoren had president George Bush senior met succes een diplomatieke en militaire coalitie met de machtigste islamitische landen in het Midden-Oosten gesmeed teneinde de seculiere dictator Saddam Hoessein uit Koeweit te verdrijven.
Huntington kreeg opnieuw ongelijk toen Bush’ opvolger Bill Clinton in 1995 besloot de fundamentalistisch islamitische Bosnische regering van Alija Izetbegovic te steunen tegen de oprukkende bendes van orthodoxe Serviërs en rooms-katholieke Kroaten in voormalig Joegoslavië. Ook in Azië en Afrika bleek de strategische imperatief voor Washington en zijn plaatselijke bondgenoten keer op keer belangrijker en ook bestendiger te zijn dan hun onderlinge culturele verschillen. Het voordeel van economische, politieke en militaire samenwerking was kennelijk toch opgewassen tegen de religieuze, linguïstische en historische barrières die landen en volken volgens Huntington fundamenteel en onoverkomelijk van elkaar gescheiden hielden. Huntingtons theorie had dus niet eens de waarde van een self-fulfilling prophecy, ook al had destijds half beleidsmakend Washington zijn boek op het nachtkastje liggen.
En 11 september 2001 dan? Ogenschijnlijk voldeed die gebeurtenis aan alle vereisten van Huntingtons cultuurconflict-van-de-toekomst. Een kleine groep religieuze fanatici stelde een oorlogsdaad die enerzijds wortelde in een eeuwenoude locale en godsdienstige traditie en anderzijds de spot dreef met de seculiere westerse waarden waarvoor de Twin Towers symbool stonden. Helaas, Huntington had het wederom bij het verkeerde eind. Hij miskende de ware aard van het islamistische terrorisme. Dat is in de eerste plaats een intracultureel conflict, een strijd om de ziel van de islam die wordt uitgevochten tussen moslims van diverse signatuur. Een strijd die weliswaar op het wereldtoneel wordt beslecht, maar niettemin voornamelijk plaatselijke betekenis heeft.
Als het Westen erdoor wordt getroffen is dat niet zozeer vanwege de culturele tegenstellingen tussen islam en christendom, maar juist omdat het christelijke Westen een bondgenoot is van Arabische en islamitische regimes die de fundamentalisten onwelgevallig zijn. Met andere woorden: juist omdat Huntingtons these onjuist is en regimes met verschillende culturele wortels veel beter samenwerken dan hij voor mogelijk hield. Dat geldt overigens ook voor ‘schurkenstaten’, zoals Noord-Korea, Iran en Servië, waarvan ook Huntington moest toegeven dat ze elkaar ondanks hun enorme onderlinge culturele afstand uitstekend weten te vinden als hun strategisch belang dat voorschrijft.
Het vraagteken in de titel van zijn artikel was een knipoog naar die andere spraakmakende foreign policy analyst, Francis Fukuyama, die in 1989 een artikel getiteld The End of History? publiceerde in het bijna even gerenommeerde tijdschrift The National Interest en vervolgens een boek met ongeveer gelijkluidende titel schreef waarin het vraagteken was weggelaten. Fukuyama’s The End of History and the Last Man (1992) was overigens aanmerkelijk beter dan zijn oorspronkelijke artikel. In het boek deed hij – helaas tevergeefs – zijn uiterste best om het misverstand weg te nemen dat hij het ‘einde van de geschiedenis’ opvatte als een soort totale drooglegging van dramatische gebeurtenissen en conflicten. In werkelijkheid bedoelde hij slechts te zeggen dat de millennia durende politieke beginselstrijd van de mens was beslecht dankzij een intellectuele overwinning van de kapitalistische democratie over alle andere staatsvormen. Dat wil niet zeggen dat die laatste – inclusief de ergste vormen van totalitarisme – nooit meer zullen terugkeren op aarde.
Helaas kan hetzelfde van Huntingtons magnus opus niet gezegd worden. The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order (1996) was even ongenuanceerd als het artikel. Toch had ook Huntington, net als Fukuyama, een ‘punt’ dat helaas in het strijdgewoel verloren ging. Dat is niet verwonderlijk als je weet hoe hard de strijd tussen Amerikaanse buitenlandanalisten gestreden wordt. In de Verenigde Staten ben je bij wijze van spreken al ‘analyst’ als je je mening ventileert op een website, voorzien van een foto van jezelf gezeten aan een mahoniehouten bureau met bankierslamp en op de achtergrond een dito boekenkast en eerbiedig gedrapeerde Amerikaanse vlag. Vroeg of laat vind je een uitgever die je opgewarmde blogstukjes verwerkt tot een boek.
Daar staat tegenover dat de onderlinge strijd hard en open is. Publiek en politiek nemen geen genoegen met stoffige nota’s en bureaucratische draagvlakmeningen, maar eisen heldere standpunten en originele ideeën van hun analisten. Wie de nationale aandacht wil trekken moet dan ook met veel aplomb een stelling poneren waarover de hele blogosfeer maanden – en liefst jarenlang – discussieert. Ironisch genoeg zijn het nog altijd de analisten van de oude stempel, academisch opgeleid en praktisch gevormd door het bekleden van hoge posities in Washington of in de olie-industrie, die hierin het best slagen. In deze categorie was Samuel Huntington de eerste onder zijns gelijken. Hij doceerde sinds zijn 23ste bestuurskunde aan Harvard. Daarnaast bekleedde hij diverse politieke functies, met als hoogtepunt de functie van coördinator van de Nationale Veiligheidsraad onder president Jimmy Carter.
Toch was ook Huntington een straatvechter, zoals onder meer bleek in 1986, toen zijn nominatie voor de nationale Academie van Wetenschappen afketste. Hij had namelijk in de jaren zestig vervalste statistieken gebruikt. In het boek Political Order in Changing Societies uit 1968 bedreef hij volgens zijn tegenstanders ‘pseudo-statistiek’ om te bewijzen dat Zuid-Afrika onder het apartheidsregime een ‘tevreden samenleving’ was. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer dat Huntington zich fundamenteel vergiste in de aard en omstandigheden van andere landen en culturen. In hetzelfde jaar waarin hij dat gewraakte boek publiceerde, pleitte hij als buitenlandadviseur voor het concentreren van de Zuid-Vietnamese plattelandsbevolking in ‘strategische dorpen’, waar ze veilig zou zijn voor de propaganda en invloed van de Vietcong – een onzalig idee dat achteraf gezien niet weinig heeft bijgedragen aan de val van Zuid-Vietnam.

Of het nu ging over Zuid-Afrika, Vietnam, de islam of de Spaanstalige minderheid in de Verenigde Staten zelf, steeds weer ontpopte Huntington zich als een hartgrondig cultuurpessimist. Al in de jaren zestig was hij ervan overtuigd dat de politieke democratie nimmer wortel zou schieten in de Derde Wereld en in zijn nadagen geloofde hij dat nog steeds. Het is die onwrikbare overtuiging waaraan hij zijn verlate maar grote succes in de 21ste eeuw te danken had – een overtuiging als een kapotte klok die op zeker moment toevallig de juiste tijd aangeeft omdat hij stilstaat, niet omdat hij gelijk loopt. Dat moment was 11 september 2001, om 8:46 uur Oost-Amerikaanse tijd.
Huntingtons ‘punt’ was dat de wereld na 1989 geen grote ideologische strijdpunten meer kent uit naam waarvan de belangenstrijd tussen klassen, volken en continenten gestreden kan worden. De plaats van die ideologische strijdpunten is ingenomen door culturele referenties. Daarin had hij gelijk. Maar de pseudo-identiteiten, godsdienstige mythologieën en fictieve ‘nationale’ tradities die vandaag de dag moeten dienen als dekmantel voor welbegrepen economisch of strategisch eigenbelang, zijn niet ‘diepgeworteld’ zoals Hunting ton meent, net zomin als de grote ideologieën van weleer dat waren. In werkelijkheid zijn ideologie en ‘culturele identiteit’ oppervlakkige leuzen die maar één aspect van het menselijke bestaan benadrukken en dan nog zeer eenzijdig. Wie even nadenkt over de vraag waarom Palestijnen de ene dag demonstreren voor het Amerikaanse consulaat in Jeruzalem en er de volgende dag in de rij staan voor een green card, begrijpt dat die zogenaamd ‘diepgewortelde’ culturele waarden even ver van het gewone leven afstaan als de grote ideologieën van weleer. Ze zijn hooguit bruikbaar voor politieke manipulatie.
En precies daarom was Huntingtons simplistische theorie over een botsing van culturen, die aanvankelijk door academici weggewuifd en door het grote publiek genegeerd werd, na ‘9/11’ opeens populair. De schok was groot, het onbegrip van de oorzaken en omstandigheden ook. Huntingtons theorie bood een pasklaar antwoord, alsmede een rechtvaardiging voor de regering-Bush, het Amerikaanse volk en een groot deel van de westerse publieke opinie om geweld te gebruiken tegen islamitische landen en regeringen uit naam van ‘westerse waarden’. En het dreigt net als Huntingtons Vietnam-plan van veertig jaar geleden rampzalig uit te pakken.