Stilte is iets. Maar wat dan?

Kijken naar kunst was voor Joost Zwagerman een manier om zich tot het leven te verhouden, om het niet verloren te laten gaan.

Medium beeldunie 00112547

Vorige week, de dag nadat het overlijden van Joost Zwagerman bekend was gemaakt, schreef ik vlug een stukje voor de website van De Groene. Het was zo’n typisch ‘Ik weet nog dat’-stukje, het eerste dat in me opkwam als ik aan Joost Zwagerman dacht. In dit geval hoe ik met mijn middelbare-schoolklas naar een lezing in een boekhandel in Alkmaar ging. We hadden met de klas De buitenvrouw gelezen, zijn grote updikeaanse roman over sociale mores en overspel in het kleinburgerlijk Nederland, een roman die zich nota bene rond Alkmaar en Heerhugowaard afspeelde, waar wij op school zaten. Toen zijn lezing voorbij was, en we vragen mochten stellen, greep ik mijn kans: in De buitenvrouw liet hij zijn hoofdpersoon over de ringweg bij Alkmaar links afslaan langs het tuincentrum, richting Heerhugowaard. Maar hij wist toch wel dat je daar alleen réchts af kon slaan? Hoe zat dat?

O, o – die journalistieke doortastendheid, toen al.

Hij moest erom lachen (een harde, gulle lach) en legde geduldig uit dat, hoewel hij vond dat een roman geloofwaardig moest zijn, een roman toch zeker geen Michelin-wegenkaart hoefde te zijn.

Het was ongetwijfeld geen origineel, uniek verhaal: afgelopen week regende het zulke stukjes. Zo gaat het, iemand overlijdt en je denkt na wanneer je die persoon voor het eerst zag. Het is waar Freud het over heeft met ‘rouwarbeid’: rouw is een klus omdat ze je dwingt alle herinneringen aan de overledene opnieuw te beleven, alleen nu vanuit het perspectief dat de persoon aan wie je de herinnering hebt er niet meer is. Dus elke schrijver schreef iets over de eerste indruk die Zwagerman op hem of haar had gemaakt, in de krant of anders wel op Facebook; journalisten deden mee, recensenten, boekhandelaren. Toen vorig jaar de MH17 werd neergehaald leek het of heel Nederland wel iemand kende die in het vliegtuig zat; vorige week leek het alsof iedereen wel ‘iets’ persoonlijks met Joost Zwagerman had, vorige week nog een mail van hem kreeg, vorige maand met hem had afgesproken binnenkort te gaan eten – zo gaat het.

Alleen in het geval van Joost Zwagerman ben je eerder geneigd het te geloven. Hij was namelijk een spil in de Nederlandse letteren, in elk genre; hij schreef romans, gedichten, essays, hij bloemleesde, hij polemiseerde, hij canoniseerde, hij orakelde. Maar hij was vooral een spil omdat hij je opzocht, hij je aansprak op borrels, wilde weten wat je las, wat je goed vond, of je nog tips had; of hij mailde je, als je iets moois had geschreven, of (ook dat) als je iets had gezegd waar hij het hartgrondig mee oneens was. Hij was betrokken. Bij alles wat er gebeurde in het Nederlandse geschreven woord. Al decennia. Je kon niet om hem heen. Dus natuurlijk had iedereen ‘zijn eigen’ herinnering aan Zwagerman, natuurlijk is de rouw oprecht.

Een passage uit De buitenvrouw is me altijd bijgebleven. Ik zocht het dit weekend op. Sowieso: De buitenvrouw is een roman die in deze tijden van een vernieuwd kleurbewustzijn erom schreeuwt herlezen te worden. Zwagerman combineert het kleinburgerlijke met het literaire, het maatschappelijke met kunst – je zou het bijna een achteloze ideeënroman kunnen noemen, waarin Zwagermans portret van het Nederland van de vinexwijken en groeikernen zowel genadeloos is als vergevend. De hoofdpersoon is Theo Altena, een leraar Nederlands op een middelbare school in West-Friesland – ‘de minst erge die je voor Nederlands kon krijgen’, volgens de leerlingen –, die een affaire begint met een Surinaamse collega, Iris.

De passage is deze, waarin Zwagerman Altena’s burgerlijke karakter spiegelt aan een icoon van verzet en rebellie in Amsterdam: de kroningsrellen van 1980. Terwijl op het station krakers en demonstranten de stad binnenkomen, gaat Altena de stad úit, om het oranjefeestje van zijn opa en oma in Alkmaar te bezoeken: ‘Een enkeling jouwde hem uit of floot hem na, niet alleen vanwege zijn voor die dag afwijkende kleding – hij droeg een gestreepte pullover en witte bandplooibroek – maar vooral omdat hij in tegengestelde richting door de hoofdingang liep, wat onvermijdelijk een provocerende indruk maakte op de toegestroomde sympathisanten van de Amerikaanse krakers en actievoerders.’

In zekere mate was hij de ideale docent, de enthousiasmerende gids voor de leek of de beginnende lezer

Het is een mooi beeld, raak, die tegengestelde richting. Zwagerman plaatst hem duidelijk in de zwijgende meerderheid, zijn hippe collega-studenten verdenken hem vanwege zijn gestreken overhemden en bandplooibroeken al van ‘christen-democratische sympathieën’, en alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, schept Zwagerman er een pervers genoegen in ook nog even te vermelden welke buslijn Altena moet pakken om bij zijn familie te komen: lijn 4 naar Overdie (Overdie: alleen al die plek!). Zelfs zijn liefde voor de exotische, zwarte Iris heeft iets gewild ruimdenkends, alsof hij zichzelf probeert te dwingen minder burgerlijk te zijn dan hij weet dat hij is: ‘Misschien was zijn aanbidding van haar kleur wel een vorm van omgekeerde discriminatie die bij nader inzien zo omgekeerd niet was.’

In zekere zin was Theo Altena de ultieme Zwagerman-held: iemand die het Grote, Meeslepende Leven zag, maar wist dat het niet echt voor hem was weggelegd, kortom een uitermate Nederlands personage. Dat gold voor Otto Vallei in Chaos en rumoer (1997), de uitgeschreven schrijver wiens literaire carrière nooit het formaat aanneemt waar hij van droomde. Het gold voor Simon Prins in Vals licht (1991), de student die zich aangetrokken voelt tot de smoezelige kant van de Wallen maar uiteindelijk te braaf is daar echt thuis te horen. En het gold zelfs voor Walter van Raamsdonk uit Gimmick! (1989), ‘Raam’, de jonge kunstenaar die te midden van drugs, ongeïnteresseerde seks en postmoderne kunst eigenlijk gewoon hartzeer heeft nadat zijn geliefde hem heeft verlaten. Zo oprecht nihilistisch was zijn snuiven niet.

Nog een ‘Ik weet nog dat’-anekdote: tijdens mijn introductieweek als aankomende eerstejaars hadden we precies één vrije middag, woensdags. Na een brak kamp in de bossen van Baarn kocht ik Pornotheek Arcadië (2000), op de stationskiosk in Hoog Catharijne. Ik denk dat ik na drie nachten amper mogen slapen behoefte had aan iets cultureels. Het was waarschijnlijk de eerste essaybundel die ik las en ik vrat ze op, die essays. Vooral over Amerikaanse schrijvers. Truman Capote, Philip Roth, Norman Mailer, Jay McInerney. Zwagerman vertelde over hun romans, maar vooral ook over hun herrie: de schandalen die ze opleverden, de relletjes die de schrijvers met elkaar uitvochten, de onaangepaste levens.

Met terugwerkende kracht vermoed ik dat ik als eerstejaars de ideale lezer van zijn essays was, misschien stiekem wel zijn doelgroep. Want de Zwagerman van de essayistiek was niet die van de Geheimtipp, of van de tegendraadse lezing van een roman. Hij belichtte de canon, vertelde wat je écht moest weten – in zekere mate was hij eerder de ideale docent, de enthousiasmerende gids voor de leek of de beginnende lezer. Daarom was hij voor het massapubliek van De wereld draait door de ideale tafelgast. De keerzijde was dat als je zelf eenmaal meer thuis was in de literatuur je die anekdotiek wel kende. Juist daarom was het zo essentieel voor Zwagermans schrijverschap dat hij de laatste tien jaar steeds meer de beeldende kunst als onderwerp nam, waarin anekdotes niet relevant waren, maar hij op zichzelf was aangewezen om een taal te vinden om de ervaring van de kunst te verwoorden. >

In die hoedanigheid is zijn nieuwste bundel De stilte van het licht daarin zijn hoogtepunt. Het boek gaat over stilte, over afwezigheid, over willen verdwijnen – het lonkt die thematiek te zien in het licht van zijn dood, maar dat verdom ik. Daarvoor zit het boek te vol met leven, met interesse, met stilstaan en genieten van schoonheid. Iemand die zich heeft afgekeerd van het leven kan niet een bevlogen boek als De stilte van het licht schrijven, zou je denken (ongetwijfeld heel naïef).

Zwagerman begint zijn essay met het antwoord dat de Amerikaanse kunstenaar Robert Ryman gaf op de vraag wat hij wilde met zijn kunst. Zijn antwoord ‘kort en bondig, even concreet als raadselachtig, even nuchter als poëtisch. “I want to raise the issue of silence.”’ Stilte is iets, schrijft Zwagerman. We horen het, we voelen het, we merken het – maar wat is het dan? ‘Nooit kan iets of iemand volmaakt stil zijn of een volmaakte stilte bereiken, terwijl tegelijkertijd alles stil kan zijn of stil kan vallen, hoe kort of zijdelings ook. (…) Waar bevindt zich de stilte? Om terug te keren naar dat lege landschap: wordt zo’n landschap omhuld door stilte, of komt de stilte van binnenuit?’

Die stilte vindt hij in hoe Zurbarán Christus aan het kruis afbeeldde (zonder publiek om hem heen, helemaal alleen), in hoe Morandi zijn stillevens schilderde, in de lege landschappen van Jan Mankes, in het zwijgen van Marina Abramovic in een drukbezocht museum. Hij staat stil bij ‘het kijken naar niets’, aan de hand van de kunstroof waarbij Munchs De schreeuw uit het Museum voor Schone Kunsten in Oslo werd gejat in 1994: in de dagen daarna steeg het bezoekersaantal explosief. Iedereen wilde de lege muur zien. ‘Misschien voel je de aanwezigheid van een kunstwerk sterker als je gaat kijken naar de plek waar het werk onomstotelijk en overrompelend áfwezig is, zoals je in de liefde de aanwezigheid van de ander sterker en heviger kunt ervaren wanneer hij of zij uit je leven is verdwenen.’

Oké, in alle eerlijkheid, dat is niet hoe het citaat uit zijn essay over het kijken naar niets eindigt. Het eindigt eigenlijk met ‘(…) zoals je in de liefde de aanwezigheid van de ander sterker en heviger kunt ervaren wanneer hij of zij uit je leven is verdwenen – door jou radicaal te verlaten of door een nog radicalere gebeurtenis: de dood.’ Maar het is te grimmig om met dat citaat te eindigen, te opdringerig associatief. Kijken naar kunst, welk thema het ook had, was voor Joost Zwagerman een manier om zich juist tot het leven te verhouden, om het niet verloren te laten gaan. Dat is in ieder geval zijn slotsom over de speelse roman Voor jou van K. Schippers, over diens overleden vrienden Gerard Brands en Henk Bernlef: ‘Zolang het je lukt om in je verbeelding plaats te bieden aan het allerkleinste en -vluchtigste, verdwijnt er idealiter niets – dus ook je overleden vrienden niet.’ Diezelfde slotsom zou voor Joost Zwagerman moeten gelden.


Beeld: Joost Zwagerman, voor het massapubliek van De wereld draait door de ideale tafelgast. Foto Keke Keukelaar / De Beeldunie.