Journalistiek en de waan van de dag

Stilte na de hype

Enkele affaires, en even zovele mediahypes, in korte tijd hebben geleid tot een serieus debat over het functioneren van de media, over persvrijheid en zelfregulering van de journalistiek. Mediahypes scheppen «een eigen wereld die de echte kan verdringen en zo reputaties kan maken of breken, levens kapot kan maken, mensen kan verhogen of ten val brengen», volgens minister Donner.

Het was het toeval der gelijktijdigheid, maar een beetje journalist kon de symboliek niet ontgaan. In dezelfde week waarin UNHCR-chef Ruud Lubbers werd vrijgesproken van de hem aangerekende billenknijperij werd het lang verwachte kabinetsstandpunt over politiek en media gepubliceerd. Bij monde van staatssecretaris Medy van der Laan pleitte het kabinet voor meer journalistieke zelfregulering. En inderdaad, de rol van sommige Nederlandse media in de kwestie-Lubbers rechtvaardigde zelfkritiek. In de pers bleef het echter opvallend stil rond beide gebeurtenissen.

De afgelopen jaren heeft een aantal affaires geleid tot een serieus debat over het functioneren van de media en de relatie tot publieke personen. Het was de moord op Pim Fortuyn, twee jaar geleden, die het ongenoegen van de borreltafel over vooringenomen berichtgeving in één klap op de voorpagina’s bracht. Meteen na de moord spoelde een golf van razernij over de pers heen. Bekende journalisten werden aangevallen op straat, het regende bedreigingen en redactieburelen moesten bewaakt worden. Mat Herben stelde enkele uren na de moord politici en de media verantwoordelijk voor het ontstaan van een klimaat waarin Fortuyn vermoord kon worden. «De kogel kwam van links», fulmineerde toenmalig LPF-voorzitter Peter Langendam. «Demonisering» werd het steekwoord in discussies over de media. Journalisten zouden Fortuyn het aura van een gevaarlijke duivel hebben aangemeten, deels uit ongenoegen over zijn denkbeelden, deels uit chagrijn over de onmogelijkheid hem in te delen in bestaande kaders.

De krant is al lang geen mijnheer meer. Journalisten en hoofdredacties worden tegenwoordig direct aangesproken op de manier waarop ze feiten en context van gebeurtenissen weergeven. Gezag moet je vandaag de dag verdienen, dat geldt ook voor de media. In brede kring wordt geëist dat politici, maar ook journalisten, hun verantwoordelijkheid nemen. Een kwestie waarbij dat sterk naar voren kwam, was de affaire-Srebrenica, die in april 2002, een maand voor de moord op Fortuyn, in een politieke stroomversnelling kwam naar aanleiding van de publicatie van het omvangrijke Niod-onderzoek naar de omstandigheden rond de val van de moslimenclave. Het kabinet-Kok meende dat «de ernst van de bevindingen van het Niod (…) niet zonder politieke consequenties [kon] blijven» en trad af. Maar die bevindingen waren ook van toepassing op de media. Enkele uitzonderingen daargelaten, concludeerde het Niod, berichtten Nederlandse journalisten te gekleurd over de mos lim enclave. Te veel moraal en emotie, te weinig feiten en analyse. Daardoor ontstond een versimpeld beeld van de situatie, en dat bepaalde mede de manier waarop politici reageerden.

De media berichtten keurig over de kritiek aan hun adres, maar deden weinig om herhaling te voorkomen. Het geheugen van de journalistiek is maar al te kort. Vanaf begin 2003 doken al weer affaires op waarbij niet altijd even zorgvuldig naar de feiten werd gekeken. Vaak in de vorm van media hypes: nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat nieuw onderzoek plaatsvindt, vaak gebaseerd op een minimale hoeveelheid niet al te betrouwbare bronnen. In een hype verdwijnen de nuances en ontstaat een zwart-witbeeld dat zelden recht doet aan de werkelijkheid. Dat gebeurde in de verwikkelingen rond Mabel Wisse Smit, prinses Margarita en Edwin de Roy van Zuydewijn, Rob Oudkerk en Dick Advocaat.

In de loop der jaren is aardig wat bestuurlijk ressentiment ontstaan jegens de media. Ministers en zelfs het staatshoofd lieten zich weinig lovend uit. «De leugen regeert», stelde koningin Beatrix eind 1999. Gelet op de «slordigheden», «spelfouten», «onzorgvuldigheden» en «eenzijdigheid» die zij in de vaderlandse pers in het algemeen aantrof, moest zij concluderen dat «het niveau de laatste twintig jaar enorm is gedaald». Tekenend was dat het gesprek op gang werd gebracht en later in de krant vastgelegd door enkele jonge journalisten, die daarmee het protocol schonden dat voorschrijft dat de vorstin en niemand anders de vragen stelt. Bijna twee maanden eerder wekte de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen beroering door de media een hoog «soap-gehalte» toe te schrijven en te waarschuwen voor het «CNN-effect». Het buitenlandpolitieke beleid moest zich niet al te zeer laten leiden door tv-beelden van vluchtelingen en op de emoties spelende media. In plaats van deze niet onzinnige opmerking in overweging te nemen, en in te zien dat Van Aartsen hier net zozeer gebruikmaakte van overdrijving om zijn boodschap over te brengen als columnisten vaak doen, werd de minister in de pers ongenadig neergesabeld. Dat overkwam onlangs ook minister van Justitie Piet Hein Donner, die langzamerhand bekend is komen te staan als vijand van de pers.

In mei, op de Dag van de Persvrijheid, hield Donner een speech die hem op veel kritiek kwam te staan. «Een toenemend deel van het werk van de overheid bestaat in het rechtzetten van wat verslaggevers eerder uit hun verband hebben gerukt», stelde Donner. Hij wees op «de potentiële gevaren en maatschappelijke schade van media die zich als politieke factor gedragen zonder navenante verantwoording af te leggen». Wat hem betreft gaat persvrijheid niet verloren «door een gebrek aan vrijheid maar eerder door een teveel daaraan». Onder journalisten werd schande gesproken van deze woorden. Donner zou knabbelen aan de heiligheid van de persvrijheid en zich schuldig maken aan een onverantwoord moraalridderschap. Hij had immers al eens van zich doen spreken naar aanleiding van de publiciteit rond prins Friso en Mabel Wisse Smit. Een «lynchpartij» noemde hij die, waar ook de «serieuze» pers zich aan zou bezondigen.

Met hun makkelijke kritiek deden journalisten nu juist wat Donner ze verweet: zij rukten citaten uit hun verband. In zijn persvrijheid-speech bepleitte Donner geen verboden, maar legde hij de bal bij de media zelf. Media hebben macht en macht schept verantwoordelijkheid. In het geval van de media ligt die verantwoordelijkheid bij betrouwbaarheid en integriteit. En daarmee is het slecht gesteld. Vaak worden «niet feiten maar wat daarover wordt bericht, als werkelijkheid (…) gezien», zei Donner. «Harde feiten achterhalen de gedrukte onwaarheden op den duur nog wel, hoewel het te laat kan zijn. Bij zachte feiten — reputaties, meningen, beelden, de toonzetting van feiten — is dat minder het geval. Dan schept berichtgeving een eigen wereld die de echte kan verdringen en zo reputaties kan maken of breken, levens kapot kan maken, mensen kan verhogen of ten val brengen, de maatschappelijke ontwikkeling kan bepalen en bron kan zijn van onrust en oorlog. Dat wordt in de huidige tijd versterkt door het verschijnsel van media die elkaar ‹napraten› en elkaar als voldoende bron voor betrouwbare berichtgeving gaan beschouwen. Wat de een vandaag suggereert, is door de herhaling door anderen morgen een feit van algemene bekendheid waarbij niemand meer verantwoordelijk is voor de waarheid; iedereen zegt het immers.»

Zo verging het Ruud Lubbers. Nog geen twee weken na Donners speech werd bekend dat een 51-jarige UNHCR-medewerkster een klacht tegen de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen had ingediend wegens «onzedelijke betasting». De kwestie-Lubbers illustreert treffend de dynamiek van een mediahype. Toen The New York Times op 18 mei de primeur had over de aanklacht tegen de topman van de UNHCR stonden Nederlandse journalisten handenwrijvend klaar om aan de slag te gaan met Lubbers’ joviale omgangsvormen. De kwestie was dagenlang hot news: in de weekbladen, alle dagbladen, het NOS-Journaal, bij RTL4, in Netwerk en Nova — de Nederlandse pers raakte niet uitgepraat over de wankele positie van de oud-premier. De terugkerende vraag was hoe hij zo onverstandig had kunnen zijn om in de formele, diplomatieke gelederen van de VN-organisatie zijn aloude gewoontes niet op te geven.

Er duiken «vier tot vijf» andere aanklachten op van stafleden tegen Lubbers. In een omslagverhaal onder de titel «De neergang» meldt HP/De Tijd dat hij uiteindelijk tegen de lamp is gelopen, want: «De mores van het Binnenhof tellen niet bij de VN, en zeker niet de losse Haagse omgangsvormen waartussen de geboren vrouwengek en aartsknuffelaar Lubbers in de jaren zeventig opgroeide.» De Volkskrant kopte boven een groot achtergrondartikel: «Lubbers’ libido eindelijk in de krant». NRC Handelsblad liep in diverse artikelen alvast vooruit op Lubbers’ aftreden als hoge commissaris van de VN-vluchtelingenorganisatie, want waar of niet waar, hij was te veel beschadigd om te kunnen doorgaan met zijn werk. Opzij-hoofdredactrice Cisca Dresselhuys gunde hem in een interview met NRC Handelsblad alvast van harte zijn pensioen. Nova besteedde in verscheidene uitzendingen tientallen kostbare minuten zendtijd aan «de billenknijperij van Ruud Lubbers».

Nieuws leverde dat niet op, wel stemmingmakerij. Lubbers zou een «levendig oog voor de vrouwelijke architectuur» hebben, volgens Genève-correspondent van de GPD Bob Kroon. In een filmpje over de affaire greep Nova, bij gebrek aan harde feiten, naar beelden uit het satirische programma Kopspijkers, waarin vrolijk werd gezongen: «Zeg, ken jij de billenman?» Advocate G. van Driem, net als Bob Kroon gast aan tafel, zegt aan het slot van de uitzending: «Als ik het filmpje zo zie en ik hoor wat u daarover zegt als deskundige, dan denk ik dat er meer mensen zullen opstaan. De teerling is geworpen, vrees ik.»

De beschuldigingen werden niet waargemaakt. Niet door Nova en niet door de onderzoekers van de VN. De beeldvorming liep vooruit op de schuldvraag. Er is bijvoorbeeld nooit sprake geweest van vier of vijf andere aanklachten van stafmedewerkers, zoals de Wereldomroep meldde en wat werd overgenomen door onder meer Nova en HP/De Tijd. De vermeende schade voor de reputatie van Lubbers en de organisatie als geheel, waar journalisten als Twan Huys zo gretig op zin speelden, werd gecreëerd door de media zelf.

Staatssecretaris Van der Laans kamerbrief over «politiek en media» wijst nadrukkelijk op de eigen verantwoordelijkheid van de media. Ze pleit voor zelfregulering van de beroepsgroep en stelt geld beschikbaar voor een Debatbureau, een instelling die debatten tussen media, publiek en politici gaat organiseren. Daarnaast wil ze een Nieuwsmonitor instellen, die onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek gaat doen naar het verschijnsel mediahype, de teneur van berichtgeving en de verdeling van onderwerpen. De Raad voor de Journalistiek moet meer menskracht en budget krijgen, zodat hij zich «intensiever met principes van de journalistiek en het behandelen van klachten» kan bezighouden.

Bij haar voorstellen borduurt Van der Laan nadrukkelijk voort op al langer bestaande plannen binnen de Nederlandse Vereniging van Journalisten en de Nederlandse Dagblad Pers. Het is niet de bedoeling dat de overheid de journalistieke vrijheid inperkt — dat is in een democratie ten enen male onmogelijk — maar dat de sector zichzelf kritisch bespiegelt en, waar nodig, zichzelf beperkingen oplegt. In Van der Laans kamerbrief ligt de relatie tussen pers en politiek minder eenzijdig dan Donner voorstelt. Van der Laan stelt het beeld van hordes persmuskieten die zonder scrupules op zoek zijn naar vet nieuws en schandaaltjes uit iemands privé-leven bij. Het kabinet erkent dat de houding van politici, publieke figuren of instellingen óók debet is aan het ontstaan van geruchten of ruis in de communicatie. Enerzijds bestaat er een leger aan voorlichters om de media te weren, anderzijds maken ambtsdragers en publieke figuren soms handig gebruik van de pers voor hun eigen image building of het poneren van beleid. Ook lekken interne conflicten op werkvloeren door toedoen van werknemers van bedrijven (zoals bij Shell) of ambtenaren (zoals deze dagen bij de Inspectie voor de Volksgezondheid) uit via anonieme e-mails naar redacties. De kamerbrief stelt dat het hier niet alleen de verantwoordelijkheid van de pers betreft, maar ook die van de politiek en het publiek.

Zelfregulering moet dus volstaan, meent Van der Laan. Maar tot nog toe werkt die niet afdoende. Rectificaties worden in de kranten en tijdschriften vaak weggestopt in duistere hoekjes en radio en televisie zijn al helemaal niet happig op zendtijd (en dus geld) verslindende correctieve verklaringen. De Raad voor de Journalistiek — waar klachten tegen journalisten kunnen worden gedeponeerd, die vervolgens worden behandeld door een raad van vakgenoten — geniet maar weinig gezag en bekendheid. Een deel van de redacties weigert de Raad te erkennen. Sommige dagbladen proberen met het aanstellen van ombudsmannen de consumenten een laagdrempeliger mogelijkheid te bieden om hun gelijk te halen als ze zich benadeeld voelen door de berichtgeving. Maar intussen blijven journalisten grijpen naar de knipselmap en schrijven ze elkaars fouten over. Een probleem is ook dat de schadelijke kracht van de media niet alleen schuilt in verdraaiing van feiten. Ook suggestie en sfeer zijn bepalend voor het effect. De affaire-Lubbers leert dat de gedachte dat waar rook is vuur moet zijn, hardnekkig is. Het is bijna ondoenlijk dat op te lossen in een korte rectificatie.

Zou dat de reden zijn dat de Nederlandse media zo weinig aandacht besteedden aan Lubbers’ rehabilitatie? Het betrof hier toch opzienbarend nieuws, gezien de eerdere massale en niet zelden suggestieve berichtgeving. De uitslag van het langverwachte onderzoek, uitgevoerd door het Office of Internal Oversight Services (OIOS), kwam vorige week op 15 juli tijdens een korte persconferentie bij monde van Lubbers’ woordvoerder naar buiten. De aanklacht van onzedelijke betasting is op basis van uitgebreide verhoren en een reconstructie van de gebeurtenis ongegrond gebleken. Wel maakte secretaris-generaal Kofi Annan een kanttekening: hij bekritiseerde in felle bewoordingen de brief die Lubbers aan de vrouw had geschreven, vlak nadat hij te horen had gekregen dat zij op 5 mei een klacht had ingediend. Hij vroeg haar als bemiddelingspoging de klacht in te trekken «zonder dat het nadelige gevolgen zou hebben voor haar loopbaan». Zoiets had hij nooit mogen doen. Het getuigt volgens Annan van pro cedureel onjuist handelen. Desalniettemin is de oud-premier volledig gerehabiliteerd.

Het leverde in de kranten eenmalig een kort bericht op. Nova besteedde er vijf minuten aan. Amerika-correspondent Twan Huys gaf een kort commentaar, waarbij hij vooral inging op Lubbers’ eigengereide actie tot het schrijven van De Brief aan De Aanklaagster, door Annan sterk afgekeurd. «Hij handelt hier meer als een oud-politicus dan als een diplomaat.» Bob Kroon werd niet meer van stal gehaald, maar een vrouwelijke correspondent mocht iets zeggen over de afhandeling van de zaak op de werkvloer in Genève: «Er zit daar nog veel onder het tapijt. Het is een old boys network waartegen een vrouwenkamp zich probeert te verzetten.»

Recent onderzoek van dr. Wijbrandt van Schuur en dr. Jan Vis van de vakgroep sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen toont dat journalisten zichzelf best kritisch kunnen beschouwen, al gaat het niet altijd van harte. De onderzoekers beperkten zich tot parlementair journalisten. Meer dan tachtig procent van hen vindt dat zij vooral de waan van de dag volgen. Een meerderheid beklaagt zich bovendien over het «papegaaiencircuit»: feiten en uitspraken worden niet meer bij de bron gecontroleerd, maar lukraak overgenomen uit eerdere publicaties.

Journalisten zijn zich dus wel degelijk bewust van de risico’s en beperkingen van hun vak. Maar de vraag is of dat nu hoopgevend is of juist een veeg teken dat er niets zal veranderen, hoe zelfregulerend de media ook zullen worden.

_______________________

Margarita

In februari 2003 geven prinses Margarita de Bourbon de Parme en haar man Edwin de Roy van Zuydewijn een drietal interviews aan HP/De Tijd. Hierin hangen ze de vuile was buiten over het koningshuis. Volgens het paar zou de koninklijke familie, uit antipathie tegen De Roy van Zuydewijn, er alles aan hebben gedaan om ze uit elkaar te drijven.

Koningin Beatrix zou betrokken zijn geweest bij het lichten van een dossier van de sociale dienst over De Roy van Zuydewijn en het paar zou zijn afgeluisterd. De afluistermicrofoon blijkt later een schroef te zijn.

Ook zouden de Oranjes De Roy van Zuydewijn zakelijk hebben tegengewerkt. Daarom wordt er een schadeclaim van miljoenen voorbereid.

In 2001 nam het paar contact op met Eef Brouwers, hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst. Annemiek Rade, particulier secretaris van de kinderen van prinses Irene, bekende toen dat zij bankafschriften van De Roy van Zuydewijn moest kopiëren. Dat zou haar rechtstreeks zijn verzocht door F. Rhodius, directeur van het Kabinet der Koningin.

Premier Balkenende stelt een onderzoek in. Hij bevestigt dat de AIVD inderdaad de gangen van De Roy van Zuydewijn natrok. Omdat het toenmalige kabinet het paar onjuiste inlichtingen heeft verschaft, biedt het huidige kabinet zijn excuses aan.

De SP wil weten wat de rol was van Wim Kok in de strubbelingen tussen Margarita en haar moeder Irene. Volgens Margarita zou Kok tot tweemaal toe hebben geweigerd te bemiddelen omdat hij de zaak als een familieaangelegenheid beschouwde.

Ondertussen zwijgt de koninklijke familie. Men zegt dat men zich niet herkent in het verhaal in HP/De Tijd en weigert verder te reageren «uit liefde voor Margarita». (Stefan Kuiper)

_______________________

Mabel

Halverwege september 2003 brengt misdaadverslaggever Peter R. de Vries onthullend nieuws over de vermeende relatie tussen Mabel Wisse Smit en de vermoorde topcrimineel Klaas Bruinsma. Charlie Da Silva, de voormalige lijfwacht van Bruinsma, vertelt in het tv-programma dat de verloofde van prins Friso een langdurige relatie onderhield met Bruinsma.

Via de RVD reageert Wisse Smit ontkennend. Zij zegt inderdaad een nacht op de boot van Bruinsma te hebben doorgebracht, maar dat was in gezelschap van anderen. Van een intieme relatie met de crimineel is volgens haar geen sprake geweest. De media duiken er bovenop en doorploegen haar privé-leven. Mabelgate is geboren.

Premier Balkenende stelt een onderzoek in. Diezelfde dag nog vindt een gesprek plaats tussen hem en Wisse Smit. Wisse Smit geeft nu toe toch een intieme relatie met Bruinsma te hebben gehad, al was het geen liefdesaffaire. Balkenende concludeert hieruit dat Wisse Smit hem eerder onjuist heeft ingelicht.

Het vertrouwen in Wisse Smit is geschaad. Het paar ziet af van parlementaire toestemming voor het huwelijk. Daarmee doet Friso afstand van de troon. Per brief betuigen Mabel en Friso spijt aan het kabinet. Eind april 2004 trouwen ze. (Stefan Kuiper)

_______________________

Oudkerk

PvdA-wethouder Rob Oudkerk bekijkt pornosites op de gemeentecomputer en neemt met oud en nieuw graag een snuif cocaïne: dat valt te lezen in een column die schrijfster Heleen van Royen op 10 januari 2004 publiceert in Het Parool. Oudkerk zou dit na het Nationaal Dictee in een café aan Van Royen hebben verteld.

Oudkerk spreekt de column tegen. Hij ontkent zelf ooit cocaïne te hebben gebruikt. Wel kwam hij rond oud en nieuw op feesten waar stevig werd gesnoven.

Het is niet de eerste keer dat Oudkerk negatief in het nieuws komt. Eerder raakt de wethouder in opspraak als hij in het televisieprogramma Twee vandaag Marokkaanse jongeren «kut-Marokkaantjes» noemt.

Oudkerk wordt door de gemeente ter verantwoording geroepen. Rond diezelfde tijd publiceert Van Royen een tweede column. De PvdA-wethouder, meldt de column, bezocht regelmatig de tippelzone aan de Theemsweg, uitgerekend een plek die wegens mens onterende toestanden door de gemeente is gesloten. Dit is voor de PvdA de druppel: de partij geeft aan het vertrouwen in de wethouder te hebben verloren. Oudkerk stapt op.

(Stefan Kuiper)

_______________________

Advocaat

In de wedstrijd van Nederland tegen Tsjechië wisselt bondscoach Dick Advocaat sterspeler Arjen Robben. Het blijkt een ongelukkige keuze. Nederland verliest de wedstrijd uiteindelijk met 3-2.

De hele sportpers valt over Advocaat heen. In het Algemeen Dagblad publiceert columnist Hugo Borst sms’jes die hij van boze fans ontving, waarin de bondscoach het moet ontgelden.

Enkele dagen later toont de NOS beelden van het televisieprogramma Villa BvD waarin vaste gast Jan Mulder zegt dat Dick Advocaat gestenigd zou moeten worden. De uitspraak roept veel verontwaardiging op. De term demoniseren — berucht van Pim Fortuyn — valt. Premier Balkenende verklaart dat uitspraken als die van Mulder niet door de beugel kunnen.

Later blijkt dat het getoonde fragment uit zijn context is gehaald. Mulder deed de uitspraak al enkele dagen voor de gewraakte wissel.

In zijn CaMu-column in de Volkskrant verdedigt Mulder zich. De opmerking was volgens hem een overdrijving, en moest ironisch geïnterpreteerd worden. Hij eist excuses van Balken ende. Balkenende reageert in een open brief in de Volkskrant, waarin hij schrijft dat Mulder zijn excuses niet krijgt.

In de halve finale verliest Nederland van Portugal. Advocaat laat doorschemeren dat hij zal stoppen als bondscoach. Op 6 juli maakt hij dit officieel bekend. (Stefan Kuiper)