Adriaan Morriën

Stilte van bewondering

Adriaan Morriën, Lotus-brieven

Uitg. G.A. van Oorschot, 224 blz., ƒ35,25

Adriaan Morriën, inmiddels alweer 89 jaar, schreef brieven aan een jonge geliefde toen hij rond de veertig was. Getrouwd, twee kleine kinderen en werkend als een dolle aan romans, essays, kritieken en vertalingen («Ik ben het vertalen zo zat!»), raakte hij tijdens de repetities van een klucht verliefd op een twintig jaar jongere deerne die Frans studeerde. Zo ontstonden de Lotus-brieven: anderhalf jaar ophemelende en erotische brieven aan een lief.

Het is een vreemde gewaarwording zo dicht bij zo’n broeiende liefde te komen. Je bent een voyeur omdat je weet dat de brieven ondanks al het gejij niet aan jou zijn gericht. Het komt dichtbij wanneer Morriën werkelijk álles van zijn Lotus aanbidt: «Ik kus het wratje in de palm van je hand.» En: «Ik kan niet zonder je speeksel.» Wie weet stuurde zijn Lotus wel een spuugje terug per post. Maar dat is slechts gissen, want haar brieven krijgen we niet te zien. In haar brieven moet niet alleen oprechte twijfel hebben geklonken omdat Morriën — ondanks zijn overstelpende hartstocht voor haar — gewoon gehuwd bleef, waarschijnlijk voelde Lotus zich ook niet helemaal op haar gemak wanneer zij weer meisje of mamma werd genoemd. Morriën slingert heen en weer tussen de aanbidding van een kind en van zijn «gereïncarneerde» moeder.

Het is heerlijk aanbeden te worden, maar dan wel om wie je zelf bent, lijkt me. Dat valt Lotus niet ten deel, die in het geheel niet serieus wordt genomen. Paternalistisch schrijft de oudere getrouwde heer dat ze zich tijdens hun geheime vakantie netjes heeft gedragen: «Je bent werkelijk voorbeeldig geweest, Lotus, al die weken, meer dan mijn kind.» Dit soort opmerkingen zeggen veel over het vrouwbeeld in 1956 én over het vrouwbeeld van de schrijver.

Toch zijn de Lotus-brieven een prachtig document. De brieven zijn ophitsend en nemen je mee, zodat het soms — uiteraard heel stiekem — uitermate prettig is je te vereenzelvigen met de «jij». Voyeurisme kent immers twee kanten, zoals Maria Stahlie al eens prachtig in het verhaal «Ochtendbries» (Zondagskinderen) liet voelen: het is verwerpelijk een ander te bespieden, maar ook ontiegelijk spannend, juist omdát het niet hoort. Zoals het voor een schrijver spannend moet zijn te zien hoe de personages op omstandigheden reageren, en voor een lezer om die personages te volgen en zich ermee te vereenzelvigen. Want werd jíj maar gevleid met zo’n stilte van bewondering: «Er is niets zo fijn als iemand te zien bewegen van wie je houdt, zonder spreken, alleen met elkaar praten door kijken en glimlachen en door te weten dat je niet alleen bent.»

Deze stiekeme, bijna ongepaste gevoelens hangen nauw samen met de verwerpelijke aantrekkingskracht van het echte. De schreeuw van de laatste jaren om meer echtheid in de literatuur — we willen precies weten hoe het leven van de auteur zich verhoudt tot het leven van de personages — heeft te maken met de vereenzelviging. Pas als we weten dat het echt is, kunnen we de schrijver geloven en willen we ons verplaatsen in zijn verhaal. De Lotus-brieven zíjn echt. Tenminste, dat neem je dan maar aan. Want ik kan me goed voorstellen dat er verschrijvingen zijn geweest, of onaffe en kromme zinnen, maar daarvan geen spoor. Gesleuteld zal er dus wel zijn, en daarmee onvermijdelijk ook aan de werkelijkheid.

Maar de werkelijkheid doet er niet toe. Vergeet alles over Morriën en Lotus en de taaldrift blijft heerlijk genoeg en de overdreven vergelijkingen zijn vertederend vermakelijk: «Ik ben ieder ogenblik geneigd een lange verhandeling over je te houden, op jou te promoveren met een dik, opwindend, hartstochtelijk, leder proefschrift. Ik maak onaanvechtbare stellingen over jou. Ik slaag cum laude in je.» En: «Ik ben zelfs jaloers op de Italiaanse woorden die je in mijn afwezigheid leert.» Daarnaast trekken onderhoudende onderwerpen voorbij, van Kierkegaard tot een krokodillenleren tasje, van de Hongaarse opstand tot de verwondering over ’s schrijvers kleine dochters.

De Lotus-brieven zijn vooral lieve brieven, goedbedoeld, onzeker soms of de liefde wel beantwoord blijft door zijn «lieve wacht godin». Erotiek ontbreekt in zulke brieven uiteraard niet. Ze wordt zelfs onbeschaamd sterker. Is het eerst nog dubbelzinnig «ik leef maar half omdat ik je niet kan aanraken, kussen en in je doordringen», later wordt simpelweg de penis van stal gehaald en de vraag gesteld of haar tepels wel eens hard zijn.

Al met al passen de Lotus-brieven perfect in het thema van de aanstaande boekenweek, en dat zal ook wel de reden van uitgaaf zijn. Maar ze overstijgen het thema van de liefde. Ze zijn «in eroticis» geschreven, in de termen van Lotus’ lichaam. Zij is de landkaart waarvan de schrijver alle plekken heeft veroverd. Een spannende tocht, maar ook tragisch, omdat de reis ergens eindigen moest.