Het luie brein

Stimulus voor de neurotransmitters

In de hersenen is een constante strijd gaande. Helpen geeft een goed gevoel, maar toch zijn veel mensen sociaal lui. ‘We lijden allemaal wel eens aan een frontaalkwabstoornis.’

LUIE APEN ZIJN te veranderen in extreme workaholics. Door te sleutelen aan de genen van resusapen kun je ze omvormen tot harde werkers, zo constateerden neurologen enkele jaren geleden in het Amerikaanse tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. De werkhouding van apen verschilt weinig met die van mensen. Als het doel of de beloning nog niet in zicht is, verslapt de motivatie, waardoor ze minder hard werken. Maar als de deadline in zicht komt, gaan de dieren harder werken. Werken doe je immers voor de beloning die er tegenover staat.
Maar deze werkhouding verandert bij apen drastisch wanneer één gen wordt uitgeschakeld in het DNA. De neurologen ontwikkelden voor hun onderzoek een DNA-injectie die het D2-gen blokkeert in de hersenen. Dit gen zorgt ervoor dat de hersenen landingsplaatsen aanmaken voor de beloningsstof dopamine. De werkhouding van de apen werd getest door ze eenvoudige, maar tijdrovende taken uit te laten voeren. Ze moesten knoppen bedienen als ze kleuren te zien kregen op een beeldscherm. Daarop konden ze ook aflezen hoe lang het nog duurde voordat ze hun beloning kregen: een slokje water. Na de gentherapie – die overigens na drie maanden uitwerkt – konden ze niet meer inschatten hoe lang ze de knopjestest nog moesten uitvoeren om hun beloning te krijgen. Oftewel, ze werkten niet meer met de gedachte van beloning in het achterhoofd. Wat bleek: de apen draalden minder, bleven hard werken en maakten minder fouten. Lusteloze loontrekkers zullen enthousiast worden bij het idee van deze DNA-behandeling. Misschien komt die in de vorm van dé ultieme energy drink ooit nog eens op de markt.
Het onderzoek leert dat luiheid biologisch is vastgelegd. Hoe dat komt is simpel, volgens Steph Menken, hoogleraar evolutionaire biologie aan de Universiteit van Amsterdam: ‘Luiheid is een manier om het lichaam te beschermen tegen overwerken en een manier om onze energie op peil te houden. Het is van groot belang dat het lichaam op bepaalde momenten rust heeft. Daarom slapen we ook. Als mensen een paar dagen uit hun slaap worden gehouden, gaat het mis. Hun stofwisseling is dan ontregeld.’ Uit onderzoek blijkt dat tijdens de slaap het tempo van celdeling maximaal is, de aanmaak van eiwitten de afbraak overtreft en de hersenen brandstof tanken in de vorm van glucose. Voor andere lichamelijke herstelprocessen hoeven we niet te slapen, maar is rust wel noodzakelijk.
Mensen zijn daarom in feite luie wezens. Vanwege de vereiste bescherming en instandhouding heeft ons lichaam zich zo ontwikkeld dat luiheid in onze hersenen is geprogrammeerd. En de enige manier om onze luiheid te overwinnen is middels motivatie of beloning en bestraffing, die gereguleerd worden door het pijn- en genotcentrum in de hersenen. Natuurlijke selectie en evolutionaire aanpassing hebben de meest succesvolle overlevingsstrategie geïncarneerd in het menselijk lichaam. Enerzijds moeten we onze energie bewaren, waardoor we pijn voelen als we het lichaam overwerken. Anderzijds, als niemand iets doet, stopt het leven, omdat we te lui zijn om te eten en ons voort te planten. Daarom is ook het gevoel van verveling geïntroduceerd: een vervelend gevoel, net als hongerpijn. Maar er zijn ook plezierige gevoelens om ons te motiveren. Onze hersenen wekken genotsstoffen op als motivatie om te eten, ons sociaal te gedragen en voort te planten. Maar ze wekken dus onplezierige gevoelens op als we van het ‘juiste’ pad afwijken. Het evolutionaire proces heeft zodoende emoties aangewend als wegwijzer voor onze survival.

ER BESTAAT ECHTER, naast fysieke luiheid, ook iets als sociale luiheid: een gebrek aan betrokkenheid bij de mensen om je heen. Dit is de omschrijving van acedia: luiheid als één der zeven zonden. Denk aan wegzappen bij televisiebeelden van hongersnood, moe worden van zwervers en bedelaars, niet doneren aan goede doelen of weglopen als twee mensen op de vuist gaan. Margriet Sitskoorn, hoogleraar klinische neuropsychologie aan de Universiteit van Tilburg, omschrijft sociale luiheid als ‘onverschilligheid ten opzichte van het leed van anderen’.
In Passies van het brein beschrijft Sitskoorn hoe de zeven zonden zijn verankerd in onze hersenen. In het geval van sociale luiheid ligt dat gecompliceerd. Onze hersenen zijn volgens haar namelijk juist sociale hersenen, omdat ze, evolutionair bezien, zijn ingesteld op sociale betrokkenheid. Volgens Menken heeft de mens zich ontwikkeld tot groepsdier, omdat samenleven de beste overlevingsstrategie is gebleken. ‘Ons gedrag komt overeen met dat van de vampiervleermuis. Deze beesten leven samen in grotten. ’s Nachts gaan ze op zoek naar een ander zoogdier, om dat te bijten en wat bloed te zuigen. Bloed is namelijk hun enige voedselbron. Maar ze komen dikwijls terug met een lege maag. Hun stofwisseling ligt echter zo hoog dat ze na twee dagen zonder voedsel in de problemen komen. Na drie dagen sterven ze. Om die reden bedelen ze om bloed bij soortgenoten waarvan ze kunnen ruiken dat die wél een goed bloedmaal hebben gehad. Soms bedelen ze tevergeefs, soms krijgen ze het wel. Maar ze onthouden van wie ze bloed hebben gehad. Als de vleermuis een andere nacht zelf een goed maal heeft genuttigd en een soortgenoot bij hem komt bedelen, dan weet hij of diegene hem ooit heeft geholpen. Op grond van de voorafgaande ervaring bepaalt de vleermuis of hij zijn bloedmaal deelt. Hieruit blijkt: wie goed doet, goed ontmoet. En dat geldt ook voor de mens. In onze westerse, geïndividualiseerde en technologisch sterk veranderde maatschappij zie je dat misschien nauwelijks meer, maar de mens is een groepsdier. Daarom hebben onze hersenen het vermogen tot empathie ontwikkeld. Spiegelneuronen in de hersenen, die ook gekoppeld zijn aan het pijncentrum, stellen ons in staat onszelf van soortgenoten te onderscheiden en, op basis daarvan, ons ook in te leven in anderen. Het lichaam heeft zich zo ontwikkeld, omdat mensen van elkaars hulp afhankelijk zijn om te overleven.’
Om die reden hebben de menselijke hersenen zich door de evolutie heen zo geprogrammeerd dat helpen een goed gevoel geeft. Maar, als dat zo is, waarom bestaat sociale luiheid dan überhaupt? Waarom lopen sommige mensen gewoon door als ze iemand op de fiets zien vallen? Of als iemand duidelijk hulp kan gebruiken met het tillen van zware boodschappentassen?
Sociale luiheid is te verklaren door het feit dat onze hersenen zich gedurende het leven blijven ontwikkelen. Ze zijn namelijk gericht op aanpassing. Sitskoorn: ‘Hersenvorming is een interactie tussen genen én omgeving. De mate waarin je hersenen kunnen leren is in eerste instantie genetisch bepaald, maar bij elk mens is ruimte voor ontwikkeling. Wetenschappers hebben vastgesteld dat een mens met zijn handelen het toekomstige gedrag van de hersenen kan beïnvloeden. En zo zijn empathie- en emotienetwerken kan versterken.’ Door je prosociaal te gedragen, bevorder je de groei van de hersenstructuren die te maken hebben met prosociaal gedrag, waardoor je in de toekomst minder geneigd bent om sociaal lui te zijn. Maar deze hersenstructuren verzwakken als je je sociaal lui gedraagt. En als je wordt omringd door sociale luiaards, dan ben je sterk geneigd om je ook zo te gedragen. Het is een sneeuwbaleffect. Zowel in positieve als in negatieve zin.
Maar sociale luiheid wordt niet alleen bepaald door de omgang tussen altruïstische en egoïstische mensen. In Passies van het brein beschrijft Sitskoorn op basis van diverse onderzoeken dat ook de mate van geloof in een vrije wil, de mate van sociale geïsoleerdheid én macht hieraan bijdragen. Gerben van Kleef, professor sociale psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, publiceerde twee jaar geleden het artikel Power, Distress, and Compassion: Turning a Blind Eye to the Suffering of Others. Zijn onderzoek richtte zich op de emoties die iemand voelt als hij of zij in aanraking komt met het leed van anderen. Van Kleef onderscheidde participanten op basis van sociale macht: het vermogen van iemand om het leven van anderen te beïnvloeden. De deelnemers vertelden elkaar, afgezonderd in paren van twee, ombeurten een gebeurtenis die in de afgelopen vijf jaar had gezorgd voor een hoge mate van emotionele pijn. Ze moesten de gevoelens die de gebeurtenis had veroorzaakt, en de impact op het eigen leven, zo duidelijk mogelijk overbrengen. Wat bleek: mensen met meer sociale macht toonden minder medelijden tijdens het aanhoren van andermans leed. Daarnaast waren ze minder gemotiveerd om in de ander te investeren. ‘Het lijkt erop dat macht onze empathienetwerken op negatieve wijze beïnvloedt en onze hersenen zodanig verandert dat we minder meevoelen met het leed dat ons omringt’, aldus Sitskoorn. Macht lijkt een mens dus meer immuun te maken voor het lijden van anderen; een deprimerende conclusie. Mensen die meer middelen ter beschikking hebben om het leed van anderen te verzachten, zijn dus eerder geneigd om sociaal lui te zijn. Het kan verklaren waarom arme mensen een relatief groter deel van hun inkomsten weggeven aan goede doelen dan rijke mensen. En dat dictators zo weinig geven om de levenskwaliteit van hun onderdanen.
Sociale luiheid komt over het algemeen overigens minder voor bij vrouwen. Een onderzoek van de Universiteit van Tokio laat op basis van hersenscans zien dat de hersengebieden die van invloed zijn op sociaal gedrag bij vrouwen een grotere dichtheid vertonen dan bij mannen. Alles overziend lijken vrouwen biologisch beter bewapend tegen de sociale luiheid die gepaard gaat met sociale macht. Misschien is de wereld daarom beter af met meer vrouwen aan de macht.

DE HEDENDAAGSE WESTERSE samenleving lijkt sociale luiheid in de hand te werken. Denk aan het proces van individualisering en de sociale geïsoleerdheid die hiermee gepaard kunnen gaan. Ook is men in zekere zin onafhankelijker van elkaars steun. Vrijwel iedereen is voorzien in zijn basisbehoeften, waardoor de sociale macht – het vermogen om het leven van anderen te beïnvloeden – van de gemiddelde burger tamelijk hoog is.
Volgens Sitskoorn lijden we allemaal wel eens aan een ‘frontaalkwabstoornis’, door iets te doen waarvan we kunnen beredeneren dat het slecht gedrag is. In de hersenen is namelijk een continue strijd gaande tussen de evolutionair oudere delen, waar emoties, genot en pijn schuilgaan, en de nieuwere hersendelen, waar ratio, emotie en moraliteit samenkomen. Dit conflict weerhoudt ons soms van helpen. De wil om te helpen strijdt dan tegen egoïstische gevoelens die ons sturen in de richting van sociale luiheid. Een helpende hand uitsteken kost namelijk tijd, geld of energie, die we ook aan onszelf kunnen besteden. Bij het oplossen van dit soort conflicten slurpen de hersenen energie in de vorm van glucose. En zelfcontrole vereist energie, waardoor je minder bereid bent om anderen te helpen als je al veel energie hebt verbruikt. Sitskoorn geeft een simpele tip om de zelfcontrole tijdelijk te verhogen, en zo de balans door te laten slaan: neem een blikje frisdrank met veel suiker. ‘Door suiker te nuttigen komt er glucose in ons bloed. Deze glucose wordt omgezet in neurotransmitters, stoffen die belangrijk zijn voor allerlei hersenprocessen. Een extra shot suiker kan sociale luiheid tijdelijk omkeren en de wil om te helpen doen toenemen.’ Misschien dat dikke mensen daarom altijd aardig gevonden worden. En misschien zijn Amerikanen vanwege die grote frisdrankbekers, en de bijbehorende gratis refill, vaak vriendelijk. It makes you wonder.