Ger Groot

Stinkvrucht

De Gouden Doerian is uiteindelijk niet uitgereikt. Nadat twee van de vijf juryleden het bijltje erbij hadden neergegooid, had deze prijs voor de slechtste roman van het voorafgaande jaar weinig geloofwaardigheid meer over. Zo stierf een van de vreemdste literaire initiatieven van de afgelopen jaren in de miezerigheid waaruit het nooit te voorschijn had mogen komen.

Melig is iedere boekbespreker wel eens, want de stapels boeken die beroepshalve moeten worden doorgewerkt dragen niet altijd bij tot het leesplezier. Daar komt vroeg of laat balorigheid van en dan is de gedachte van zo’n literaire eerwraak snel geboren.

Maar aan die gedachte hadden de initiatiefnemers van de prijs voldoende moeten hebben. Eenmaal werkelijkheid geworden, werd de prijs de publieke vernedering van de ongelukkige schrijver die hem zou hebben ontvangen. Slechte recensies, zo moeten de initiatiefnemers hebben gedacht, waren als straf nog lang niet pijnlijk genoeg.

Diezelfde recensies zijn het struikelblok van de doerian geworden. Jeroen Vullings zag titels op de longlist verschijnen die hijzelf in Vrij Nederland geprezen had, en dan zit je als jurylid in de moeilijkheden. Zijn terugtrekking was het begin van het einde van de stinkvrucht-prijs, die daarmee sneefde om de verkeerde redenen. De onsmakelijkheid ervan school immers al in het principe, dat getuigde van een weinig seigneuriale haatdragendheid.

Volgens de klassieke regels van de vijandschap moet een vijand altijd een eer zame aftocht worden gegund. Zoiets hoort bij de noblesse die nu eenmaal tot iets verplicht. Wie een tegenstander tot in zijn ziel wil verpletteren brengt de rancune binnen in het conflict. Niet alleen bij de verslagene, die zijn vernedering nooit meer vergeten zal, maar om te beginnen bij zichzelf, omdat zijn vernietigingswil een gebrek aan voornaamheid verraadt dat de keerzijde is van het ressentiment.

En ressentiment wordt een criticus toch al gemakkelijk aangewreven. In zijn onmacht zelf als auteur te schitteren zou hij met smaak het werk van beter getalenteerden kraken, om op de puinhopen daarvan toch nog wat glorie te vergaren. Dat vooroordeel doet onrecht aan vrijwel heel het recensentendom, dat er niettemin goed aan doet het vuurtje niet nog eens extra op te stoken.

Bijna tien jaar geleden heeft het toenmalige «jaarboek voor lezers» Mekka al iets dergelijks geprobeerd. Naast hun lijstje met tien beste boeken mochten recensenten ook hun kandidaat aanwijzen voor «het boek dat het best ongeschreven had kunnen blijven». Vele critici vergooiden zich daar niet aan – en spijtig genoeg werd dat nummer van Mekka (zij het om andere redenen) meteen het laatste. Profetisch stelde Gertjan van Schoonhoven voor «banvloeken over te laten aan de lezers die in één Heilige Schrift geloven». Anderen verklaarden liever voor hun plezier te blijven lezen en dat niet te willen vergallen door de middelmaat (en erger) die de beroeps lezer nu eenmaal tegenkomt.

Uit dat leesplezier spreekt een groothartigheid die scherp contrasteert met de verkneukeling die opwalmt uit de stinkvrucht-prijs. Met verdediging van de ware schoonheid waarvoor de initiatiefnemers daarvan zich opwierpen, heeft die weinig van doen. Het reactieve genoegen in het lelijke tast het vermogen tot bewondering van het schone zelf aan. Liefde voor literatuur vraagt – ook bij de criticus – om de zielenadel die beschaving heet.

Dat zijn weinig zeitgemässe woorden en de stinkvrucht-prijs was dan ook een teken des tijds. Hij past in een sfeer waarin oprechtheid die naam pas waardig wordt geacht wanneer ze het hart op de best denkbare manier op de tong draagt – en de ander dat zal weten ook. Geheel in stijl eindigde de klucht eromheen in viswijfachtig gekijf, waarin het literaire definitief ten onder ging in het kleinzieligste ad hominem. De geest waaruit de prijs geboren was kwam daarmee pijnlijk uit de fles. Gebrek aan ridderlijkheid veroordeelt de criticus tot een vulgariteit die hij ten slotte zelf niet meer kan onderscheiden van goede smaak.