Stoelangst

Nederland is een afzienbaar land, daarom is het onmogelijk er een onafzienbaar restaurant in onder te brengen.

Een restaurant waar je met je handen in eigen zakken of andermans aanbeden plooien kunt zitten, om niet een wandelingetje maken of een melodie neurien zonder dat de rest van het interieur zich verplicht voelt mee te zingen. Desondanks heer en meester van die vierkante meter waar beschaafde knechten diverse gebakken diersoorten en veredelde flora op laten neerdalen.
Waar de lach van een jong actrice twee tafels verder je opeens van je aardbeienfobie afhelpt. Ook minder kans op stoelangst.
Kom je wel eens een restaurant binnen, dan word je wel eens verrast door het prettige feit dat er behalve de direct door jou te bezetten plaats nog meer tafels vrij zijn. Het betekent dat je niet te laat bent, eventueel zelfs nog van tafel kunt veranderen.
Blijven er stoelen leeg, dan voel je dat. Niet zo ingrijpend als bij koude-zwiepende-bomenangst uit de navel ontspringende huivering die uitwaaiert tot buiten de schouderbladen. Maar toch heb je de neiging om die lege stoelen of een ervan zo nu en dan in een hoek van je aan zwerfdrang overgeleverde blik op te nemen. Wie zit daar niet? Plotseling sterfgeval of wisten ze opeens een beter restaurant?
In een onafzienbaar restaurant heb je dat niet.
Daar vult de ober de lange tafels steeds aan met nieuwe gasten. Zelf ben je ook steeds weer nieuw. Je komt binnen en doorloopt de stadia van nieuwe klant (lege mond nader dan het lachen), z.g.a.n. klant (jasje van patrijs en broek van puree), oude klant die ze (vol eau de vie de baies de houx) helemaal niets kunnen maken.
In een onafzienbaar land zou ik al lang, en velen die het afzien moe zijn, allemaal naast elkaar en van bloedworst tot gebraden gans, in Chez Cuijpers in de Vondelkerk of bij Brasserie Berlage aan het Damrak hebben gezeten.