Claudia Molitors Decay

Stof voor aandachtige trommelvliezen

Voor de Engels-Duitse componist en geluidskunstenaar Claudia Molitor (1974) was J.G. Ballardskorte verhaal The Sound-Sweep een belangrijke inspiratiebron voor haar nieuwste werk: Decay, een audiovisuele bespiegeling op het proces van verval.

Het is zo’n personage dat in al z’n groteskheid nog dagen door je hoofd spookt: Madame Gioconda uit The Sound-Sweep, een kort verhaal van de Britse schrijver J.G. Ballard. Ooit was ze een wereldberoemde operadiva - kaliber Callas. Maar toen de wereld massaal in de ban raakte van ‘ultrasone muziek’ (onhoorbaar maar des te meer voelbaar) ging het gestaag bergafwaarts met haar carrière. Inmiddels leidt La Gioconda (dikke mascara, zwarte tanden door sigaretten en goedkope coke) een teruggetrokken bestaan in een aftandse opnamestudio. Wezenloos scharrelt ze er rond tussen decorstukken van oude succesproducties; symbolen van een dode muziekcultuur.

Voor de Engels-Duitse componist en geluidskunstenaar Claudia Molitor (1974) was Ballards The Sound-Sweep een belangrijke inspiratiebron voor haar nieuwste werk: Decay. ‘Het is een audiovisuele bespiegeling op het proces van verval’, klinkt Molitors stem begin oktober vanuit haar woonplaats Brighton. ‘Weet je, verval is een ambivalent fenomeen. Enerzijds walgen we ervan, omdat het ons doet denken aan ouderdom, ziekte en dood. Thema’s die we koste wat het kost buiten de deur proberen te houden met verjongingskuren, voedingssupplementen en plastische chirurgie. Maar tegelijkertijd draagt verval de belofte van transformatie en schoonheid in zich. Herfstbladeren, gefermenteerd voedsel, wijn, schimmelkaas. It’s all rotten stuff.’

Aanstaande zaterdag, 2 november, gaat Decay in première tijdens het openingsweekend van November Music. Precies zoals het stuk eerder al in première ging bij het Huddersfield Contemporary Music Festival, de Londense vrijplaats Iklectik, of – laatst nog – het Transit-festival in Leuven. Eigenlijk klinkt Decay bij elke uitvoering weer voor het eerst.

‘Ik wilde een stuk maken dat constant verandert’, zegt Molitor, ‘dat net als geluid voortdurend op het punt van verdwijnen staat.’ Voor de gelegenheid bedacht ze een fluïde kruising tussen ‘compositie, improvisatie, redigeren en cureren’, waarvoor ze per uitvoering met andere musici samenwerkt. Molitor: ‘Ik vind het tot in detail uitgecomponeerde meesterwerk eigenlijk niet meer zo relevant. Onze tijd vraagt om samenwerking en verbinding, met andere mensen en onze omgeving. Zeker nu de politiek zo populistisch en polariserend is.’ In Den Bosch delen Molitor en componist-trombonist Tullis Rennie het podium met de Nederlandse zanger en improvisator Sanne Rambachs: ‘Nee, ik heb Sanne nog niet ontmoet. We zien elkaar pas op de dag zelf. Even inspelen en, hup, het podium op. Zenuwslopend, maar er komen vaak prachtige dingen uit voort.’

Mooi detail ook: de field recordings die Molitor op vinyl liet persen. Bij elke uitvoering van Decay worden ze afgespeeld op shabby platenspelers. Je hoort als het ware hoe de B-kwaliteit-naalden de groeven telkens een stukje dieper uitslijten.

Het is een van de weinige vaste elementen in een performance die doelbewust geen vaste vorm kent, aldus Molitor: ‘Je kunt Decay niet bezitten, er is geen definitieve versie. Het stuk behoort toe aan eenieder die besluit het uit te voeren of ernaar te luisteren. Het schept telkens weer een nieuwe ruimte, waar je een uurtje samen in kunt rondhangen. Het is als met de aarde. We mogen haar bewonen voor de korte tijd dat we leven. We zijn er te gast en hebben verder geen enkel recht om de wereld op te eisen voor onszelf. In die zin draait het in Decay ook om een ecologische manier van denken.’

Een ecologische manier van denken, dat is tevens de inzet van Donna Haraway’s Staying with the Trouble (2016). De problemen uit de titel zijn die van het huidige tijdsgewricht, in het bijzonder de klimaatcrisis en de massale uitstervingsgolf die momenteel over onze planeet raast. Wanneer we deze problematiek het hoofd willen bieden, schrijft Haraway, heeft het weinig zin om te vertrouwen op techno-fixes, of cynisch te worden bij dystopische toekomstfantasieën. ‘Staying with the trouble’ wil zeggen: nadrukkelijk aanwezig zijn in het heden, in het volle besef van onze verwantschap met onze omgeving.’

Voor Haraway begint dat bewustzijn bij de taal. Ze schrijft niet over mensen, dieren, planten of schimmels, maar consequent over critters – we zijn allemaal beestjes onder mede-beestjes. De mens is niet langer human (een zelfverklaarde uitzonderingspositie), maar onderdeel van een multi-soortelijke humus. Haraway laat de mens krioelen in een vruchtbare modder, waar bestaan geen being-in-the-world meer is (want dan fungeert die wereld slechts als decor), maar een *being-of-the-world. *

We zijn onderdeel van een complex vlechtwerk, wil Haraway maar zeggen, al schrijft ze ook over knopen, weven, binden, rafelen, twijnen, en de mooiste van allemaal: string figuring. We hebben het spelletje vroeger allemaal gespeeld op regenachtige middagen: twee handen en een stuk touw, dat na wat geconcentreerd rijgwerk de gekste patronen vormde. Kop en schotel als metafoor voor een groeiend ecologisch bewustzijn.

Toch gebruikt Haraway haar touwfiguren niet alleen als beeldspraak, ze dienen ook als methode: ‘String figuring is doorgeven en ontvangen, maken en tenietdoen, draden oppikken en weer afleggen. Het is praktijk en proces; samen worden-met (becoming-with) in verrassende aflossingen.’

‘Ja, zo bezien zou je Decay een string figuring piece kunnen noemen’, beaamt Molitor. ‘Het is een stuk waarin ik zeer uiteenlopende materialen bij elkaar breng.’ Wat heet: in Decay gaan al dan niet gebruikte Ballard-citaten hand in hand met vrij te kiezen partituurfragmenten. Er is een video, waarop handen een miniwereld boetseren van klei, aarde, houtskool en metalen strips. Decay is ook: field recordings, instrumentale timbre-exercities, een breekbaar lied voor piano en zang en ‘electronic stuff that sounds really weird’. Molitor: ‘Ik wil laten zien dat het allemaal met elkaar verbonden is. Decay is een ecologie van klank, beeld en tekst, en tegelijkertijd een uitnodiging om daar als toeschouwer betekenisvolle patronen in te ontdekken.’

Een zekere mate van interdisciplinariteit is wat je noemt een handelsmerk van Molitor. Neem Auricularis Superior (2017), gratis te beluisteren op claudiamolitor.org, waarin ze piano-improvisaties, field recordings en gesproken tekst vervlecht tot een half uur durend klankessay over de multizintuiglijkheid van de luisterervaring. We horen meanderende pianoharmonieën, terwijl een knerpend geluid je doet fantaseren over bubbelplastic en cellofaan. Een stem vertelt over het gezoem van beademingsapparatuur op een uitslaapkamer, zachte schraapgeluiden maken dat je de ruimte voor je ziet. Bij een opname van een bulderende waterval in de Zwitserse Alpen wordt het stuk reflexief: ‘Ik denk hier nu aan jouw luisterervaring’, echoot de holle stem van Molitor. Zij daar in een grot, augustus 2017. Jij in haar toekomst, auditief teruggrijpend naar haar heden. ‘I guess that makes us spacetime travellers’.

Als dochter van twee architecten (haar moeder studeerde bovendien beeldende kunst) heeft Molitors werk niet zelden een visuele inslag. In You Touched the Twinkle on the Helix of My Ear (2018), een stuk voor piano, elektronica en video, onderzoekt ze de relatie tussen muzieknotatie en uitvoering: ‘Als componist kijk ik uren naar hoe mijn handen lijnen en bolletje tekenen op een vel papier. Op een gegeven moment realiseerde ik me dat de communicatie tussen componist en uitvoerder een strikt visuele aangelegenheid is.’

En dus verzelfstandigt de notatie zich in You Touched the Twinkle… zich tot een fysiek-tactiele act op video. We zien twee handen met liniaal en potlood lange lijnen trekken, een notenbalk waarop met kalligrafische precisie een handjevol motieven wordt ingetekend. Met een fineliner noteert de rechterhand noten, kruisen en mollen op de duim en wijsvinger van de linker. Ondertussen horen we de pianist improviseren op het materiaal.

Soms ook krijgt het klankmatige een stilzwijgende vertaling in tekst en beeld. Zoals in A Sonic View Map. Molitor vroeg vijf kunstenaars naar hun akoestische lievelingsplek in Londen en liet ze er een kaartje en tekst bij maken. Radiomaker en muziekcurator Sara Mohr-Pietsch koos voor het Barbican Centre: ‘De wandeling vanaf de metro is een sonisch avontuur van gedempte verkeersgeluiden, voetstappen op steen, fonteinen en groeiende stilte.’ Cellist-componist Oliver Coates over de Spa Fields in Clerkenwell: ‘Deze plek heeft een warme, ruimtelijke akoestiek. Er zoemen insecten in de lavendelstruiken. Hoge gebouwen en bomen fungeren als schild tegen verkeersgeluiden.’

Er klinkt geen noot, en toch activeren beeld en tekst een weidse interne soundscape.

In een geluidloze maar toch innerlijk hoorbare compositie als A Sonic View Map ligt een frappante overeenkomst met de stille ‘ultrasone muziek’ uit The Sound-Sweep. ‘Het stuk was geheel onhoorbaar, maar de lucht voelde sprankelend, geladen met een fonkelende vrolijkheid’, schrijft Ballard over een ‘neurofoon’ beluisterde uitvoering van Rimski-Korsakovs De vlucht van de hommel.

Of neem de hoofdpersoon Mangon die zulke fenomenale oren heeft dat hij geluiden opvangt die voor gewone stervelingen verborgen blijven. Gesprekken reconstrueert hij moeiteloos uit de ‘resonantieresiduen’ die in de muren zijn getrokken, zelfs uren nadat ze hebben plaatsgevonden. In het marmeren timpaan van een kapel ontwaart hij de embedded noises van zeven eeuwen gregoriaans en klokgelui.

Molitor: ‘Fascinerend aan Ballards verhaal is hoe het je bewust maakt van de grenzen van onze zintuigen. Er is zo veel dat we niet horen, simpelweg omdat het buiten ons gehoorbereik ligt, of omdat we het negeren.’ Toch is juist deze ‘little stuff that makes life’ ontzettend belangrijk, benadrukt ze. Een voorbeeld: ‘Vroeger op vakantie hoorde ik overal hommels en krekels. Als ik nu in dezelfde tijd van het jaar naar dezelfde plek ga, is het er nagenoeg stil. Mijn punt is dat je geen onderzoeksrapporten hoeft af te wachten om te constateren dat het bar gesteld is met de insectenpopulaties. Als we beter zouden luisteren, hadden we geweten dat er iets niet in de haak was. Geluid heeft het vermogen om ons meer verbonden te laten voelen met onze omgeving.’

Een dag na het interview stuurt Molitor een fragment van een eerdere uitvoering van Decay. De eerste minuten laten geïmproviseerd klankonderzoek op de vierkante millimeter horen. Smakgeluiden op het mondstuk van een trombone. Zacht geveeg over een pianosnaar. De zingende boventonen van voorzichtig over elkaar geschraapte stenen. Stof voor aandachtige trommelvliezen.

Als we die oren nu ook buiten eens wat vaker op zouden zetten.