Stof zijt gij

De jury - bestaande uit Yves van Kempen, Marc Reugebrink, Barber van de Pol en Jacq Vogelaar - koos dit keer Graham Swifts Laatste ronde tot boek van de maand. De andere mededingers waren: Miroslav Krleza: Kinderjaren in Agram (1902-1903) (uitg. De Bezige Bij, 135 blz., 334,50). In deze roman beleeft Krleza zijn herinneringen aan de tijd rond de eeuwwisseling als een reeks droombeelden. Zie ook de bespreking op pagina 26-27 van deze Groene. Patrick Besson, De Familie Braban (uitg. De Bezige Bij, 319 blz., 344,90). Besson vertelt een komisch verhaal over de verwikkelingen in een Flodder-familie op zijn Frans. Hans Vlek, Hunnenhekel (uitg. Querido, 64 blz.,329,90). De nieuwe bundel van de dichter met het meeste taalvernuft van Nederland, rijk aan beelden en grappen. De titel Hunnenhekel behelst een satire op de barbariserende maatschappij.
Graham Swift, Laatste ronde. Vertaald door Rein Verhoef, uitg. De Bezige Bij, 289 blz., 339,50
PAS BIJ TWEEDE lezing zie je hoe knap Graham Swift in zijn vorig jaar met de Booker Prize bekroonde roman Laatste ronde de informatie doseert. Hoe je in deze roman bij de eerste lezing al steeds bleef haken aan op zichzelf genomen onbeduidende zinnetjes die desalniettemin uiterst betekenisvol leken te zijn, maar die je nog niet (hoewel naar het einde van de roman toe natuurlijk toch steeds meer) thuis kon brengen: de opmerkingen, de blikken, de ogenschijnlijk plotselinge uitbarstingen compleet met handgemeen.

Al die zaken die Laatste ronde meteen bij eerste lezing al tot méér maakten dan een verhaaltje over vier oude mannen die op een dag in een koningsblauwe Mercedes met crèmekleurige bekleding op weg zijn van Londen naar Margate, op weg met een plastic koker waarin de as van een vijfde man zit, de as van Jack Dodds, van Dodds en Zoon, keurslager.
Die reis is - als wel vaker in de literatuur (en in het werk van Swift) - natuurlijk tegelijk een reis naar het verleden dat met de dood van Jack Dodds werd afgesloten. Hoe dichter we bij Margate komen, en de pier (die geen pier is) naderen waar Jacks as op zijn verzoek uitgestrooid moet worden, hoe completer het beeld wordt dat we van dat verleden hebben. Niet alleen het verleden van Jack Dodds en zijn vrouw Amy met hun geestelijk gehandicapte dochtertje June, maar ook dat van Vince Dodds, of eigenlijk Vince Prichett, Vince die door Amy tijdens de Tweede Wereldoorlog als eenjarig jongetje in huis werd genomen toen de woning van zijn echte ouders door een V1 werd getroffen. Jack vocht op dat moment in Afrika tegen Rommel, waar hij Ray leerde kennen, die net als hij in Bermondsey woonde en die hij ‘Lucky’ noemde (maar die, behalve bij het wedden op paarden, nooit geluk blijkt te hebben). En dan zijn er nog Vic, de begrafenisondernemer die zijn hele leven tegenover de slagerij van Dodds heeft gezeten (dat wil zeggen: zijn vader al tegenover Jacks vader en hij nu nog steeds tegenover Jack zelf), en Lenny, groente- en fruithandelaar, een drinkmaatje uit de Coach and Horses, de pub waar de vijf elkaar altijd troffen.
DEZE KORTE introductie van de vijf die (in verschillende aggregatie-toestanden) in die Mercedes op weg zijn naar Margate, zou uitgebreid kunnen worden met een lange beschrijving van de onderlinge relaties. Een dergelijke beschrijving zou veel van de spanning verklaren die je bij eerste lezing onder die ogenschijnlijk nietszeggende zinnetjes kunt voelen. Of omgekeerd: in deze roman roept elk van die zinnetjes de onderlinge relaties tussen alle personages en hun complete levensgeschiedenis op. Als bijvoorbeeld op pagina 36 Vic en Lenny willen weten waarom Jack per se in Margate over zee uitgestrooid wilde worden, krijgen ze van Ray, maar ook van Vince het antwoord dat Jack en Amy daar ooit op huwelijksreis waren. 'Moet het huwelijksreisje wel geweest zijn’, zegt Lenny dan. Dat is een opmerking die betrekking heeft op iets wat je pas later te weten komt: dat het een huwelijksreisje was één jaar na de geboorte van dochter June, een dochter die een 'ongelukje’ bleek te zijn; het huwelijk was met andere woorden een 'moetje’. Daarmee zijn we er wat dit voorvalletje betreft nog niet. Vince reageert op Lenny’s opmerking met de woorden: 'Toch is het zo. Zomer '39’, waarop Lenny dan weer antwoordt: 'Jij was erbij, hè, ouwe reus?’, waarna iedereen zwijgt. Een pijnlijke stilte.
In deze paar zinnen wordt gerefereerd aan het drama in ieders leven: aan het lot van Vince die door Amy en Jack werd opgenomen na de dood van zijn ouders maar daar pas veel later achterkomt en die voor Amy en Jack een soort vervanging is voor hun 'mislukte’ dochter June. Die dochter heeft Jack nooit meer willen zien, terwijl Amy haar elke week opzocht in het tehuis waar ze werd verzorgd.
Het lukt Jack niet van Vince een zoon te maken die de slagerij kan voortzetten; Vince vlucht het leger in. Niet alleen om Jack te ontlopen, meent Lenny, want net voordat Vince voor een aantal jaren verdwijnt, heeft hij Lenny’s dochter zwanger gemaakt, waarna een abortus volgde. Het verklaart Lenny’s venijnigheid jegens Vince, zoals die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in de manier waarop hij in bovenstaand zinnetje Vince eraan herinnert dat Jack zijn vader niet was en daarmee aan het voor Vince uiterst pijnlijke gegeven dat hij in Jacks ogen nooit heeft mogen zijn wie hij werkelijk was.
Hoe pijnlijk dat voor hem is, blijkt wanneer Vince op een zeker moment, ver voor Margate, de snelweg af gaat en stopt bij een weiland waar hij een deel van Jacks as alvast wil uitstrooien. Dat leidt tot een vechtpartij met Lenny, die meent dat Vince dit doet om zich alsnog op Jack te wreken. Later wordt duidelijk dat dat weiland de plek is waar Amy en Jack elkaar ooit ontmoetten, de plek waar ze June concipieerden. In dat perspectief is Vinces daad juist een groot eerbetoon aan Jack.
ALS IK DIT zo bij wijze van voorbeeld aanhaal, krijgt men misschien de indruk dat Swifts boek een variant is op televisieseries als Eastenders of Coronation Street. Laatste ronde heeft inderdaad dat wat volkse karakter dat bijvoorbeeld ook maakt dat die oude kerels in het café de 'leuke tieten’ van de serveersters steevast opmerken, en de niet onaardige kont van de verpleegster in het ziekenhuis eveneens. En er is ook niks op tegen deze roman te beschouwen als een variant op die soap-series. Maar onder het alledaagse en platte schuilt bij Swift nog een ander verhaal, een verhaal dat niet zo zeer verhevener is of iets dergelijks, maar dat de lotgevallen van de personages een tragiek geeft die het boek uiteindelijk maakt tot meer dan de toevallige geschiedenis van een paar drinkebroers uit de Coach and Horses. Het wordt daardoor ook mijn verhaal, om het zo maar eens te zeggen. Het maakt dat je je gaandeweg lotgenoot voelt worden van die oude knarren in hun Mercedes, dat je steeds meer met hen mee rijdt. Anekdote wordt tragedie, zoiets.
Swift vertelt in Laatste ronde een verhaal over zowel het verlangen als de onmogelijkheid om werkelijk iemand anders te worden, of, nog wat breder, om werkelijk te veranderen. De grootste verandering, die van levend in dood vlees - waar zowel Jack als Vic alles van afweten - is meteen ook de enig mogelijke. De reis naar Margate, en daarmee de reis terug in het verleden, toont dat verleden aan elk van de personages als onbarmhartig onveranderlijk, hoewel het zelf bestaat uit momenten waarop gekozen is of waarop er voor je is gekozen. 'We moeten ons uit onszelf zien te krijgen. Nieuwe mensen’, zo heeft Amy Dodds vaak tegen Jack gezegd in een poging hem eindelijk eens de slagerij uit te krijgen. En juist dat laatste blijkt niet mogelijk. Zo overdenkt Jack niet lang voor zijn dood de mogelijkheid zijn slagerij te verkopen en in Margate een huisje voor Amy en hem te kopen. Maar Margate bereikt hij alleen als as, en Amy gaat zelfs niet mee om die as er uit te strooien.
Zij kiest er die dag voor bij June in het tehuis op bezoek te gaan, zoals ze dat al meer dan vijftig jaar doet. June is de enige in het boek die door het leven verder niet wordt aangeraakt, die zelf door het leven niet veranderd wordt, die werkelijk is wat zij is, maar juist daardoor, in haar hulpeloze onveranderlijkheid, een pijnlijk symbool is van zowel het onvermogen als het verlangen van alle andere personages. Een dood stuk levend vlees, om het in termen van het slagerij- èn het begrafeniswezen te zeggen. Vince denkt op een zeker moment over haar: 'Zij heeft al die mensen om zich heen die niet zo zijn als June, want ze is anders, en als June ook maar iets denkt dan moet ze denken: Ik wil niet zo zijn als ik, ik wil zo zijn als zij maar dat kan niet dat kan niet dat kan niet.’ Maar June denkt niets. Zij is het enige personage van wie we de gedachten niet leren kennen. Alle anderen komen in korte hoofdstukjes aan bod en allemaal denken ze wat June misschien ook zou hebben gedacht: ik wil niet zo zijn als ik. En allemaal zijn ze het.
Die beklemming heeft Swift op een prachtige, ik ben bijna geneigd te zeggen luchtige manier vorm weten te geven. Laatste ronde is qua gewicht te vergelijken met die koker vol as die Vince, Vic, Ray en Lenny steeds met zich meezeulen: onverwacht zwaar als je hem zo in de hand houdt, maar zodra het deksel eraf is, lichter dan de wind.