De resten van de woongroepbeweging

Stofnesten

Bij de Landelijke Vereniging Centraal Wonen staan nu nog zestig centraal wonen-projecten geregistreerd. Maar de verbrokkeling van de collectieve gedachte is alom in gang gezet.

DE KOFFIE IS OP. Ongedurig mort Robert aan de kastjes. ‘Dat heeft geen zin, die zitten potdicht’, zegt Jan. Op een kruk aan de andere zijde van de bar wacht hij met een lege mok. ‘Je zult de sleutel moeten halen bij Annie. Die is van de barcommissie.’ Robert sloft de centrale ruimte uit. Over het modderpaadje door de gezamenlijke tuin waar takkenbossen slordig opgestapeld liggen. Annie woont in het middelste van de vijf sobere huizenblokken die in hoefijzervorm om de gemeenschappelijke ruimte van het Lelystadse centraal wonen-project heen liggen.

Jan legt uit dat de barcommissie de belangrijkste van alle commissies is. Alleen leden van de barcommissie beschikken over de sleutels van de keukenkastjes, de vriezer en — allerbelangrijkst — de provisiekast. Daarin staat een grote hoeveelheid drank. De sloten zijn een jaar of tien geleden aangebracht, kort na de oprichting in oktober 1987. Iemand binnen het project nam er stelselmatig sterke drank uit weg.

Van de huidige vijftig bewoners zijn alleen Els, Ellen, Wil, Margreet, Sherab en Boudewijn er vanaf het allereerste begin bij. Een vage glimlach breekt door als je ze vraagt naar die tijd. ‘Het had toen wel iets van een commune’, vertelt Sherab, een praktiserend boeddhist met een kaalgeschoren schedel. ‘Als je ’s ochtends uit het raam keek, zag je allemaal schimmen van het ene naar het andere huis schieten.’ Aan huis verkoopt Sherab Ekover-producten. ‘Biologisch afbreekbare schoonmaakmiddelen. De enkeling die nog bewust leeft, kan ze bij mij voor een zacht prijsje kopen. Vroeger werden Ekover-producten in de centrale ruimte standaard gebruikt. Tegenwoordig schaffen ze zonder nadenken Dreft aan.’

De kritische alternatievelingen, op wie gemeenschappelijk wonen altijd aantrekkingskracht had, zijn in Lelystad lang geleden met de noorderzon vertrokken. Zoals Kees en Fronie en Carole en Nirdosh. ‘Wij zijn vegetariërs en eten biologische producten’, zal Kees later aan de telefoon zeggen. ‘Dat sloeg daar niet aan. Als anderen kookten moesten we zelf een vegetarisch recept leveren. Ik dacht: er zullen ook best wat macrobioten bij zitten. Niet dus.’ Nirdosh poogde bewoners te ronselen voor een Milieudefensie-demonstratie tegen uitbreiding van Schiphol. Hoongelach was zijn deel.

Maatschappelijke betrokkenheid is de bewoners van nu vreemd. ‘Hemelbestormers, daar zit ik niet op te wachten’, zegt Edward als hij naast Jan heeft plaatsgenomen aan de bar. ‘Mensen die hier komen om anderen van een politiek doel te overtuigen, worden geweigerd. Macrobiotiek, Greenpeace, vegetarisme; alle respect maar verwacht niet dat er iemand aan meedoet.’

Daar is Robert weer. ‘Annie is niet thuis’, meldt hij. Hij deelt het tiental bewoners dat inmiddels is toegestroomd mee dat hij de koffie dan maar bij hem thuis zal gaan halen. ‘Dat is wel een vereiste van centraal wonen’, vindt Jan. ‘Je moet flexibel zijn en denken in het belang van de groep.’


BIJ DE LANDELIJKE Vereniging Centraal Wonen staan thans rond de zestig centraal wonen-projecten geregistreerd. Daarnaast zijn er, geconcentreerd in de grote steden, zo’n tien zelfstandige projecten te vinden. ‘Het aantal projecten loopt langzaam terug’, zegt Beatries Kesler van de Landelijke Vereniging Centraal Wonen. De verbrokkeling van de collectieve gedachte voltrekt zich volgens haar bij projecten door het hele land. ‘Je moet nu zeggen: we hebben minder tijd maar wel meer geld. Moeten we dan op die zaterdagochtend schoonmaken als we ons een werkster kunnen veroorloven? De tijden zijn veranderd. Er ligt geen cw-bijbel waar we uit voorlezen. Met een strakke doctrine zou je nieuwe aanwas alleen maar afschrikken.’

Ooit was het uitgangspunt van centraal wonen te komen ‘tot restauratie van de eigen verantwoordelijkheid’ en ‘tot wonen als maatschappelijke activiteit’, zoals dezelfde Kesler schrijft in haar promotieonderzoek Centraal Wonen in Nederland (1991). ‘In een samenleving met ernstige sociale en milieuproblemen is het van belang dat er creatieve alternatieven ontwikkeld worden, waarin naar integrale probleemaanpak wordt gestreefd en waarbij persoonlijk en professioneel betrokken personen elkaar ontmoeten en samenwerken. Centraal Wonen geeft daar de mogelijkheid toe.’


LOS VAN HET zondagse koffie drinken, het vrijdagse soep eten en het borrelen — waar lang niet alle bewoners op afkomen — beperkt de collectiviteit in de Lelystadse groep zich tot verplichte schoonmaakklussen en onderhoudsbeurten. ‘Ik ga niet met de hele groep om, ik maak een selectie. Wie ik niet leuk vind, laat ik zitten’, vertelt Ellen aan haar keukentafel. In de begintijd was zoiets ondenkbaar. ‘We waren elke dag met de groep bezig. Met het project zette je je toch af tegen de maatschappij. Ik ben Dolle Mina geweest, heb op de Dam geslapen. Onze idealen probeerden we in het project gestalte te geven.’ Iedereen had verantwoordelijkheidsgevoel. ‘De tuin en de paden waren netjes omdat iedereen zich inspande. Nu word je ingedeeld. Je moet. Als iemand in een van de werkgroepen uitvalt, ben je er niet zeker van dat een ander klaarstaat om het over te nemen.’

Enkele huizen verderop woont Margreet, de initiatiefneemster van het Lelystadse project. Als de bel gaat komt ze vanachter een spelcomputer tevoorschijn. ‘Ik heb ook wel eens iemand geld gegeven die in mijn plaats wilde schoonmaken’, bekent ze. Naar de ledenvergadering, die eens in de twee maanden wordt belegd, gaat ze allang niet meer. ‘Het bestuur dat daar ministerraadje zit te spelen… Het was puur formeel bedoeld, nu lijkt vergaderen een doel op zich. Vroeger waren er geen regels nodig. Het ging allemaal vanzelf. Iedereen zette zijn schouders eronder.’ In 1979 kwam Margreet op het idee. Samen met een vriendin aan de bar van het Lelystadse vrouwencafé. ‘We vonden het belachelijk dat iedereen maar in z’n buurtje woonde en de buren niet kende.’

Met de mysterieuze drankdiefstal uit de keuken ontstond volgens Margreet de eerste barst in het Lelystadse project. ‘Ineens moest alles tot in het extreme geregeld worden. “Om zes uur eten staat er in het reglement”, zeiden ze als je om vijf over zes opdiende. En wee je gebeente als je te veel mensen van buiten had uitgenodigd. De groep werd steeds minder tolerant.’

De eerste aanzet tot centraal wonen werd in 1969 gegeven. Een zekere Lies van der Donk riep in een advertentie alleenstaande moeders op een wooneenheid te ontwerpen ‘met centrale keuken en eetzaal, een centrale wasserij, een kindercrèche, studieruimte, gezamenlijk te gebruiken logeerkamers en daarboven of daaromheen eigen kleine wooneenheden voor elk gezin’. De respons was enorm. Het probleem van opvoeden en werken tegelijk bleek onder alleenstaande vrouwen wijdverbreid. In 1971 richtten ze de Landelijke Vereniging Centraal Wonen op. Ook opofferingsgezinde mannen en gezinnen meldden zich aan. In 1977 ging in Hilversum het eerste project van start.

De opkomst van centraal wonen hing nauw samen met het uiteenspatten van de communebeweging, die een reactie was op de starre gezinsstructuur van de jaren vijftig. Die structuur was alleen maar goed ‘voor het opschroeven van de konsumptie, voor verschraling van kontakten, voor isolement binnen het gezin’, schrijft woongroepdeskundige Saskia Poldervaart in haar onderzoek Huishouden in de woongroep. De commune was als reactie echter te onbesuisd. ‘Veel van de ideeën binnen deze kommune-beweging werden beïnvloed door een opkomende anti-autoritaire houding en de ideeën, zoals die bijvoorbeeld ook bij een beweging als Provo te vinden waren’, aldus Poldervaart.

Door te hoge verwachtingen hadden de meeste communes slechts een korte levensduur. Idealen moesten worden bijgesteld of men ging verder als woongroep, waar het er meestal pragmatischer aan toeging. Een grote groep mensen bleef zoeken naar een alternatief voor het kerngezin. Door het hoge aantal deelnemers — de projecten bestaan uit gemiddeld dertig tot vijftig wooneenheden — leek centraal wonen de meest levensvatbare vorm van gemeenschappelijk wonen te zijn.


BIJ DE HALTE staat Boudewijn op de bus te wachten. Elke dag voert lijn 5 hem naar café Classic in het centrum van Lelystad. Daar drinkt hij zich een stuk in zijn kraag en dan keert hij met de laatste bus huiswaarts. Zonder Boudewijn zou het Lelystadse project in oktober 1987 nooit zijn opgeleverd. ‘Het was een stel gescheiden vrouwen die elkaar kenden uit de vrouwenbeweging. Bijna allemaal zaten ze met kinderen.’ We hebben afgesproken in de centrale ruimte, waar hij al tijden niet meer geweest is. Wim, een van de weinigen die gebruikmaakt van de gezamenlijke wasmachine, laat bijna zijn wasgoed vallen als hij Boudewijn ziet. ‘Omdat mijn vriendin er ook bij ging werd ik de eerste man in het project, dat toen de Initiatiefgroep heette’, gaat Boudewijn door. ‘Ze waren zo idealistisch als de pest. Vooral voor kinderen zou het een meerwaarde zijn en nog wat van dat soort kolder. Als er iemand nieuw bij wilde, zou die tot in het extreme moeten worden leren gekend. Ik zei: idealisme prima, maar ook gewoon zakelijk zijn.’

Boudewijn coördineerde de onderhandelingen met de gemeente en de woningbouwvereniging. ‘Ik kende de wethouder en het bestuur van de woningbouwvereniging, dat scheelde.’ De Initiatiefgroep reed door het moderne Lelystad om ideeën op te doen voor bouwmaterialen en verfkleuren. Ook werd het centraal wonen-project in Hilversum bezocht en werd een weekend in Epe georganiseerd om alvast nader tot elkaar te komen.

In oktober 1987 was alles in kannen en kruiken. ‘Iedereen was razend enthousiast’, herinnert Els zich. ‘We belegden eindeloze vergaderingen of er wel of geen drugsverslaafden bij moesten. We dachten dat we alles aankonden. Wel of geen televisie in de centrale ruimte, het ging hard tegen hard. In de zomer met elkaar op vakantie. Er was een schminkgroep, een yogagroep, ateliers, doka’s en toneelvoorstellingen. Iedereen had toen ook tijd. Tegenwoordig is alles snel, mensen zijn op zichzelf betrokken. Het komt voor dat ik in m’n eentje moet schoonmaken omdat anderen niet komen opdagen. Dan stofzuig ik alleen maar even.’

Boudewijn was nog een tijdje actief in de barcommissie maar haakte na drie jaar voorgoed af. Van drankdiefstal weet hij niets: ‘Ik herinner me dat er een fiets werd gestolen. En dat er toen hardliners in het bestuur kwamen. Als ik kaarsen wilde kopen moest daar eerst een vergadering voor bij elkaar geroepen worden. Ik stopte ermee. Af en toe kwam ik nog eens eten. Als ik soep moest maken deed ik dat uit een pakje. Toen ze begonnen te zeuren ben ik helemaal afgehaakt.’ Boudewijn kwijt zich nog wel van zijn financiële verplichtingen maar de verplichte deelname aan minstens één werkgroep lapt hij aan zijn laars. ‘In de tuin werken of schoonmaken, dat is niks voor mij.’

Fysiek is hij er ook niet meer toe in staat. De drank heeft hem afgemat. Hij is van de groep geïsoleerd. ‘Ze hebben me nooit benaderd als groep, om me te helpen. Ik heb het althans niet gemerkt. Ik weet niet hoe ik er op gereageerd zou hebben, maar een poging wagen had geen kwaad gekund.’

Een wereld waarin voor iedereen even veel is en iedereen aardig is voor elkaar. ‘Groepswonen, met gekollektiviseerde huishoudens en gekollektiveerde produktie, werd heel vaak als ideaal gezien en in praktijk gebracht als vorm van verzet’, schrijft Saskia Poldervaart in haar onderzoek. ‘Dit verzet richtte zich tegen maatschappelijke ongelijkheid, tegen teveel rijkdom, of was een reaktie op wanverhoudingen in de maatschappij in het algemeen.’ Het eerste tastbare bewijs van dat streven levert Thomas More in 1517 met zijn boek Utopia. Het utopisch-socialisme dat hieruit voortsproot zou eeuwenlang gelijkgestemden in kolonies bijeendrijven. In Nederland was Walden van Frederik van Eeden het bekendste voorbeeld van een op utopisch-socialistische leest geschoeide gemeenschap.

Tot in de jaren zestig was het gezin de enige vorm van gemeenschappelijk wonen, waarop de voornoemde communebeweging weer zo heftig reageerde. ‘Het gezin als ultieme vorm van gemeenschappelijk wonen wint in deze tijd opnieuw fors terrein’, zegt Kesler. Het toenemende welvaartsniveau en de oprukkende individualisering zijn daar volgens haar debet aan. Met het wegvallen van alomvattende ideologieën hebben de mensen de hoop opgegeven om gelijkheid tussen elkaar te kunnen bereiken. Voor de bestaande vormen van gemeenschappelijk wonen geldt dat het er zo gewoon mogelijk aan toe moet gaan, willen zij overleven.


VIJF HUIZEN IN het Lelystadse project staan leeg. Een half jaar geleden waren het er nog acht. Over afgelopen zomer, de zwartste bladzijde uit de geschiedenis van het project, willen de bewoners slechts anoniem mededelingen doen. Na de drankdiefstal moet een groepje scherpslijpers onder leiding van bewoonster Elly het voortouw hebben genomen. Het huishoudelijk reglement werd tot in het extreme aangescherpt. ‘Er ontstond een soort dictatuur’, zegt een van de bewoners.

De toelatingsprocedure voor nieuwkomers werd aangescherpt. Drie maanden lang moest de nieuwkomer zich bewijzen, vooral in de keuken en bij het schoonmaken, om vervolgens een stemming af te wachten waar hij zonder opgaaf van redenen kon worden afgewezen. ‘Het was pure ballotage’, zegt een andere bewoner. Veel nieuwkomers wachtten de stemming dan ook niet af.

De boel kwam tot ontploffing toen iemand binnen het project pamfletjes in de brievenbussen deponeerde om zo een haatcampagne uit te lokken tegen een nieuwkomer wiens moeder nota bene al in het project woonde. Voor een aantal oudgedienden was de maat vol: zij vertrokken. Ook Elly verliet het project. ‘Het was heel erg’, vertelt Ellen. ‘Mensen groetten elkaar niet meer. Iedereen wist al snel wie de pamfletjes had geschreven en wie er tegen had gestemd. Er is enorme schade aangericht. De vraag is of het ooit zal genezen.’ Ondertussen dreigde de woningbouwvereniging zelf kandidaten te zullen toewijzen als de huizen niet snel werden gevuld.

‘Afgelopen zomer lag het helemaal op z’n gat’, zegt Dorine in haar woonkamer. Als nieuwe voorzitter is zij van plan veel van de regels uit het reglement te schrappen. ‘Het moet soepeler. De tijden zijn veranderd. Je mag je best wat meer terugtrekken als bewoner. Centraal wonen is wonen in een buurtje waar je elkaar wat beter kent. En waarom zouden die afwasmachine en die schoonmaker er per se niet mogen komen?’ Haar eerste wapenfeit is de verandering van het aannamebeleid. Nieuwkomers draaien korte tijd mee en worden beoordeeld door een vijfkoppige commissie.

Edward heeft van het bestuur de opdracht gekregen na te gaan in hoeverre het mogelijk is om van enkele wooneenheden binnen het project koophuizen te maken. ‘Veel tweeverdieners met kinderen hebben het project al verlaten omdat ze een huis wilden kopen. Als we willen voorkomen dat kapitaalkrachtigen massaal wegtrekken, waarmee het hele project in gevaar komt, zullen we koopwoningen moeten realiseren.’ Tegelijk beseft Edward dat koopwoningen ook risico’s opleveren. ‘Op het moment dat je de koopwoning zou willen verkopen, moet je een koper zien te vinden die in het project wil. Wat als je die niet vindt? Uiteindelijk moet je toch van je huis af. Dan verkoop je maar aan iemand die er geen affiniteit mee heeft.’ Veel bewoners denken daarom dat koopwoningen het einde van het project betekenen. ‘In theorie is het inderdaad mogelijk dat iemand een schutting om zijn tuin bouwt’, zegt Edward.

Niet alleen trekken de rijkeren weg, de allerarmsten komen er niet meer in. De huurprijzen zijn tot flinke hoogte gestegen en huursubsidie krijg je niet. Edward is voorstander van een fonds waarmee de rijkeren de armen bijstaan. ‘Hoewel je dan weer moet oppassen dat je niet een afhankelijkheidssituatie creëert.’


‘IK VIND CENTRAAL wonen maar achterhaald’, zegt Ellen. ‘Als ik elders een grotere en betaalbare woning vind, ben ik vertrokken’, vult Robert haar aan. ‘Dat ik hier nog woon, tja, ik weet ook niet waarom’, vraagt Boudewijn zich af. Alleen Sherab, zijn vrouw Eleonore en Jeanine maakten zich boos toen onlangs in de gemeenschappelijke tuin, waar het modderpaadje doorheen kronkelt, door leden van de tuingroep onkruidbestrijdingsmiddelen werden gebruikt. De naastgelegen kruidentuin, waarvan de oogst nogal eens in de vrijdagse soep wordt gemengd, raakte besmet. Het drietal heeft het perceeltje afgedekt met zwart landbouwplastic onder zware stenen.