Stoïcijns

Aangaande het coronabeleid wordt de regering verweten dat ze heen en weer slingert. Maar de Tweede Kamer kan er ook wat van.

De communicatiemedewerkers van minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid, belast met het coronabeleid, hebben het woord ‘perspectief’ in de ban gedaan. Het was een leeg woord geworden, of juist een te vol woord, want iedereen nam het in de mond, maar bedoelde er iets anders mee. De Jonge heeft het voortaan over ‘zicht op’. Maar inmiddels is er alweer een ander woord dat wat mij betreft om diezelfde reden in de ban mag worden gedaan: ‘hoop’.

Eerst moest het kabinet in deze coronatijd perspectief bieden, nu gaat het vooral over hoop, hoop op, ja op wat? Want daar begint het. Dat de terrassen open kunnen? Nou, ik ken in ieder geval één horecaondernemer die daar niet op zit te wachten. Want met zijn terras kan hij niet voldoende verdienen en daarom heeft hij liever de huidige steunmaatregelen van de overheid. Dat de huisartsen meer worden ingezet bij het wegprikken van vaccins? Ook daarvan weet ik dat niet alle huisartsen er hetzelfde over denken.

Ook is er de hoop op het zo snel mogelijk vaccineren van de meest kwetsbaren. En nu kom ik bij de rol van de Tweede Kamer. Die heeft daar steeds op aangedrongen. Maar afgelopen week zag je wat er afgelopen coronajaar telkens weer gebeurde: Kamerleden worden geconfronteerd met individueel lijden, zijn daardoor geraakt en dringen bij minister De Jonge aan op, in dit meest recente geval, het aanpassen van het vaccinatieschema.

Dat gebeurde als gevolg van het stopzetten van het vaccineren met AstraZeneca voor mensen onder de zestig jaar met onderliggend lijden of bovenliggende kilo’s. Uiteraard is uitstel van de prik vervelend voor deze mensen. Maar de Kamer heeft er moeite mee zich te laten overtuigen door wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat de kans om te overlijden aan corona voor zestigplussers hoger is dan voor zestigminners, ook als die laatsten bepaalde ziektes onder de leden hebben. Oftewel, menig Kamerlid heeft er moeite mee dat bij het vaccineren wordt vastgehouden aan het streven van de meerderheid van het parlement: de meest kwetsbaren eerst.

En dan was er ook de hoop op een samenleving die weer open kan, met behulp van testen, testen, testen. Er is zelfs al een woord voor: de testsamenleving. Ook hier was de Tweede Kamer, in ieder geval in februari, nog in meerderheid een groot voorstander van. Bij de Fieldlab Evenementen, het in de praktijk gecontroleerd uitproberen van bijeenkomsten met veel bezoekers, hadden ze kunnen weten waaraan door het kabinet werd gedacht. Ik som er even een paar op die al zijn geweest of binnenkort zullen plaatsvinden: een bezoek aan een voetbalwedstrijd, een indoor pop- of klassiek concert, de Efteling, een nachtclub, een festival met overnachting in Biddinghuizen, het Eurovisie Songfestival en niet te vergeten de 538-Oranjedag in Breda.

Nu de Kamerleden zien hoe die testsamenleving vorm gaat krijgen, beginnen ze te steigeren

Maar nu de Kamerleden de ogen openen en zien hoe die testsamenleving vorm gaat krijgen, beginnen ze te steigeren. Ze schrikken van de kosten voor de overheid van al dat testen, maar hebben wel zelf gepleit voor gratis testen. Ze schrikken ervan dat commerciële testbedrijven er geld aan verdienen, maar dat hadden ze kunnen weten, want de ggd’en kunnen die taak er niet bij hebben. Ze hebben kritiek op het ontbreken van een aanbestedingstraject voor die testbedrijven, maar drongen zelf aan op snel, snel, snel. Ze verfoeien het dat die gesubsidieerde tests ook gelden voor een bezoek aan het casino, maar gezien de Fieldlabs wisten ze dat de testsamenleving voor meer dan alleen een bezoek aan een klassiek concert, bibliotheek of buurthuis werd opgetuigd.

In mijn eigen ‘archief’ stuitte ik toevallig op een passage die ik direct associeerde met bovenstaand gedrag van de Kamer: ‘Het ontbreken van een zorgvuldige diagnose en het gebrek aan een collectief geheugen verklaart waarschijnlijk het relatieve gemak waarmee de opvattingen van het bestuur verschuiven.’ Het is uit een jaarverslag van de Raad van State. Maar niet uit het meest recente dat afgelopen week verscheen, dit is uit 2009. Ik vroeg me wel af of de Raad van State destijds ook al hintte op het kortetermijngeheugen, want dat vertoont bij menig Kamerlid inmiddels ook al gebreken.

In dat jaarverslag over 2009 ging het overigens over het geheugen dat vergeet dat er in het Haagse eerst is aangedrongen op bedrijfsmatig besturen en vervolgens net zo makkelijk op een overheid die geen bedrijf is. Dat de voorkeur voor grootschaligheid vergeet en gaat sturen op kleinschaligheid. Dat de voorkeur vergeet voor uitvoeringsorganisaties op afstand en switcht naar juist meer aandacht voor de uitvoering.

Dit heen en weer geslinger speelt nog steeds, en niet alleen nu, tijdens de debatten over de vele facetten van het coronabeleid. Die slingerbeweging zie je ook bij de hernieuwde aandacht voor de uitvoering als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Of bij de roep om blijvende centrale aansturing in de zorg, nu in coronatijd de decentralisatie van de zorg problemen oplevert. Hoelang zal het duren voordat het parlement ook dat weer is vergeten en weer het tegenovergestelde wil, zonder dat het een diagnose heeft gesteld?

Even dook het woordje ‘hoop’ in me op. Hoop dat de politiek eens goed naar het eigen geheugen en gedrag wil kijken. Maar dat woord wilde ik juist in de ban doen. Hoop is hetzelfde als angst, las ik in een ochtendblad, het helpt je geen stap verder. Maar moeten we dan stoïcijns toekijken?