Stoicijns doorgeefspel

Te zien tot begin december in onder andere Maastricht, Nijmegen, Enkhuizen, Enschede, Driebergen, Alkmaar, Arnhem, Haarlem en Utrecht. Inlichtingen: Nationaal Fonds, tel. 020-6235664
Twee van de drie spelers bevinden zich al in het kleine houten huisje dat op de speelvoer staat. Het is echt een toneelhuisje: een doos met een verhoogde vloer die naar achteren oploopt en versmalt om een perspectivische illusie te creeren. Dat werk zo lang de mensen in het huisje helemaal vooraan blijven. Als ze een paar stappen naar achteren lopen, zijn ze ineens veel te groot voor het decortje. De jongen en de vrouw zitten of staan in dat doosje te groot te wezen. Ze doen verder niet zoveel. Ze staren voor zich uit of hangen uit het raam.

Dan komt de derde speler op. Het is Jan Langedijk himself, de oprichter en artistiek leider van mimegroep De Daders. Langedijk komt buitenom en eindigt voor de houten doos. Daar begint hij te bewegen. Of liever: te wiebelen - het woord ‘bewegen’ klinkt te doelgericht voor wat hij doet. Langedijk beweegt nergens naar toe. Hij blijft op z'n plaats. Intussen lijkt z'n lichaam totaal richtingloos. Hij is net een marionettenpop waarvan de bespeler is afgeleid. Zijn lichaam deint op en neer, verend in de knieen, en zijn armen deinen daar zo'n beetje achteraan.
Als Langedijk niet in een voorstelling stond, zou je kunnen denken dat hij een demonstratie weggeeft. Een demonstratie mimetechniek, in de beste traditie van leermeester Etienne Decroux. Jan Langedijk is een van de weinige theatermakers die deze traditionele bewegingstechniek expliciet als basis gebruikt voor zijn stijl van bewegen, maar er tegelijkertijd mee aan de haal is gegaan. In de laatste drie voorstellingen die Langedijk met De Daders maakte, staat bijvoorbeeld het begrip contrepoids centraal. De techniek van het tegengewicht, waarmee een beweger kan suggereren dat hij tegen een muur aanduwt of dat zijn ledematen aan touwtjes zitten waar iemand anders aan trekt. Sur Place is de derde achtereenvolgende voorstelling waarbij Langedijk dit begrip heeft verwerkt in een bewegend decor van groot materieel dat met touwen, katrollen en gewichten aan elkaar hangt. De acteurs in deze voorstellingen brengen zelf het decor in beweging. Dat is een gecompliceerd karwei, maar Langedijk is erin gespecialiseerd om dit grove mensenwerk de schoonheid te geven van een choreografie.
Op z'n best is Langedijks werk een ingehouden soort slapstick en tegelijkertijd een filosofische verhandeling over de verhouding tussen mensen en dingen. Bij Sur Place, dat is geregisseerd door Martin Hofstra, is dat gelukt. De spelers - naast Langedijk zijn dat Mark Bellamy en Irene Schaltegger - zijn in hun kleine wereldje voortdurend verwikkeld in een gevecht met de dingen die ze om zich heen hebben verzameld. Ze proberen hun vertekende huis in te richten met scheve meubeltjes, een lampetkan, een vaas voor de bloemen en een hertegewei voor aan de muur. Dat ontaard in een eindeloos doorgeefspel, waarbij de spelers om elkaar heen draaien en van plaats verwisselen. De spelers lijken er stoicijns onder te blijven. Toch krijgen zij langzamerhand kleur, puur door de stroom handelingen die zij verrichten. In tegenstelling tot de twee vorige stukken van Langedijk dragen de spelers hier geen uitgesproken historische kostuums, en toch ademt Sur Place meer de sfeer van een vervlogen tijd. Het beeld van de drie mensen in die kleine huiskamer herinnert aan de interieurs op oud-Hollandse schilderijen. De personages die de spelers oproepen hebben iets kleinburgerlijks. Het zijn mensen die zich vasthouden aan de spullen in hun huis, maar te onrustig zijn om die spullen een vaste plek te geven. Die onrust slaat over op de planken van het huis, dat langzaam maar zeker via de touwen en katrollen uit elkaar wordt getrokken. De oorzaak van deze ontwrichting ligt in het handelen van de mensen op Langedijks toneel. Maar deze spelers weten overtuigend de illusie op te roepen dat de dingen hen beheersen in plaats van andersom. En ze lijken nog in hun eigen onschuld te geloven ook.