Kunst: Ine Schröder

Stokje eraf, stokje eraan

Wat te doen met een oeuvre dat grotendeels verloren ging door toedoen van de kunstenaar zelf? Ine Schröder liet haar kunstwerken verdwijnen om ze ‘de kans te geven iets anders te worden’.

Ine Schröder, Sheriff Buster, 2007. Belvédèreberg, Maastricht © Ine Schröder

In 2010, tijdens het inrichten van een tentoonstelling in kunstcentrum Hedah in Maastricht, stapte iemand per ongeluk op een van de kunstwerken van Ine Schröder. Krak, deed het houten bouwseltje van aan elkaar gespijkerde latjes, niet groter dan een vogelhuisje. ‘O, dat is niet erg’, zei de kunstenaar. ‘Het is allemaal tijdelijk. Morgen kom ik die stukken tegen en begin ik weer opnieuw.’

Schröder (1951-2014) was een paradoxaal kunstenaar, zowel volledig toegewijd, compromisloos zelfs, als zeer bescheiden. Ze opereerde vooral in het alternatieve circuit van kunstenaarsinitiatieven en kleine expositieruimtes, in en rondom haar habitat Maastricht. De officiële kunstwereld, die van het grote geld en aan de muur geplakte bananen, interesseerde haar niet. Ze had geen galerie en ambieerde geen grootse carrière in de kunsten. Je daarmee bezighouden vond ze in alle ernst maar ‘gekkigheid’. Ze leefde van bijbaantjes.

Schröder was een typische ‘kunstenaarskunstenaar’: met haar eigenzinnige, poëtische werk dwong ze alom respect af, maar buiten een kleine gemeenschap van kunstenaars en liefhebbers bleef ze vrijwel onbekend. Na haar vroegtijdige overlijden bleek dat ze haar oeuvre grotendeels verloren had laten gaan. In haar studio werden twee verhuisdozen met restanten aangetroffen, wat schetsen en collages, meer was er niet over van de honderden, mogelijk duizenden werken die ze tijdens haar leven had gemaakt.

Schröder ging pas op latere leeftijd naar de kunstacademie. In 1977 voltooide ze de Stadsacademie voor Beeldende Kunsten in Maastricht, twee jaar later de Jan van Eyck Academie, in dezelfde stad. Op de Stadsacademie belandde ze op de afdeling beeldhouwen, maar het werken naar model en in klei, ‘drab die je vorm moet geven’, stond haar tegen, net als steenhouwen en bronsgieten – eigenlijk al het fysiek zware werk dat met het nodige kabaal gepaard gaat. Na de academie nam ze daar zo snel mogelijk afstand van. Ze koos voor een werkwijze die in alle opzichten ‘minder zwaar’ was: ze ging touw, draad, stroken papier en lappen stof gebruiken, elementair materiaal dat eenvoudig te vormen is, en, vooral, eenvoudig aan te passen. De werken die ze hiermee maakte, waren het resultaat van eenvoudige handelingen: hangen, knopen, proppen vormen. Daarmee wilde ze de ruimte niet ‘vullen’, maar zichtbaar maken.

In 1981 toonde Schröder één zo’n werk in een ‘atelierexpositie’ in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Met witte, rode en blauwe katoenen lappen had ze vanuit de muren, het plafond en de vloer ‘krachtlijnen’ getrokken naar een centrum, waar ze elkaar ‘ontmoetten en omstrengelden’, in de woorden van de kunstenaar. Een soort driedimensionale tekening, een web van stof, waar het publiek doorheen kon lopen, of kruipen, zo men wilde. Door aanraking of alleen al de beweging van lucht begon het voorzichtig te deinen en leek de ruimte te ademen.

Het titelloze werk werd aangekocht en is nu opnieuw uitgevoerd, al moest er een vertaalslag aan te pas komen. De installatie was oorspronkelijk gemaakt voor een zaal in Entre Deux, het vroegere onderkomen van het Bonnefantenmuseum. Weliswaar had Schröder, op verzoek van het museum, een uitgebreid installatieprotocol opgesteld in de vorm van beschrijvingen, schetsen en tachtig dia’s met voorstudies, na haar overlijden was het aan het museum om deze te interpreteren.

Vanaf 1990 begon Schröder met het maken van een schier eindeloze reeks kleine houten sculpturen, die ze met een spijker aan de muur bevestigde, aan een touwtje aan het plafond hing, of gewoon op de grond liet rusten. Deze ‘staketsels’, zoals zij ze noemde, bestaan uit rudimentair aan elkaar gespijkerde latjes en stukjes stof, al dan niet voorzien van een likje verf. Krakkemikkige bouwsels in oneindige variaties: raamwerkjes van slordig gezaagde houtjes, open en gesloten kubusjes, lege en platgeslagen doosjes et cetera. Het zijn werken van een pijnlijke eenvoud, haast aarzelend in hun aanwezigheid. Sommige roepen associaties op met nestkastjes, sinaasappelkistjes of strandhuisjes.

Zoals al haar werk ontstonden ze intuïtief, al improviserend. Schröder dacht daarbij aan ‘weidsheid, dieren en hun verblijven – aan muziek en kleur’. In een van haar nagelaten schetsboeken schreef ze: ‘Ik pak wat stukjes hout en bouw wat staketsels – ik doe maar wat. Hang het aan de muur, zet het op de grond, het krijgt gestalte. Je kunt er al iets tegen zeggen, maar vaak zegt het nog niets terug. Stokje eraf, stokje eraan. (…) Helderheid biedt zich aan (tenminste voor mij dan).’

De werken staan opgesteld als archeologische vondsten

Even intuïtief vernietigde ze ze weer. Schröder kende haar werken enkel bestaansrecht toe zolang ze er waren, de duur van een tentoonstelling bijvoorbeeld, of totdat ze verkocht werden en een nieuwe eigenaar kregen. Maar meestal haalde ze haar staketsels de volgende dag alweer van de wand en uit elkaar. Omdat ze erop uitgekeken was, het materiaal opnieuw wilde gebruiken of gewoon omdat er geen plek meer voor was. Ze beschouwde haar werk niet als een optelsom van autonome dingen, maar als een netwerk van objecten, onderling verbonden in ruimte en tijd. Iets definitiefs bestond in haar ogen niet, Schröder dacht in groei en permanente transformatie. ‘Als een werk eenmaal zijn werk heeft gedaan, zou het de kans moeten krijgen om iets anders te worden’, schreef ze.

Maar, zo kwam het Bonnefantenmuseum in 2015 te weten, wat fysiek verdween, bleef behouden in de vorm van documentatie. Schröder hield gedurende haar hele werkzame leven een archief bij. Meer dan 35 jaar lang legde ze elk werk en elke tentoonstelling nauwgezet vast met behulp van foto’s, schetsen en notities. Dit archief vormt het ‘hart van haar kunstenaarschap’, zoals ze het zelf ooit omschreef tegenover haar levenspartner Ben Leenen.

De afgelopen drie jaar deed het museum, in de persoon van curator Paula van den Bosch, onderzoek naar de artistieke nalatenschap van Schröder, in samenwerking met kunstenaar en curator Joep Vossebeld, Stichting Behoud Moderne Kunst, Universiteit Maastricht en kunstenaarswerkplaats Flacc in Genk. Dat resulteerde eerder dit jaar in de tentoonstelling Een postume samenwerking, waarin de vraag centraal stond hoe je een oeuvre representeert dat het kunstobject relativeert en het vluchtige centraal stelt. Er waren schetsen en maquettes te zien, persoonlijke aantekeningen en bijvoorbeeld de mand waarin Schröder de resten van uit elkaar gehaalde werken bewaarde, om ze ooit opnieuw te kunnen gebruiken.

Belangrijker nog is het boek Uncorrected Proof dat het museum realiseerde en dat voor het eerst een weerslag biedt van Schröders immense archief, althans een aanzienlijk deel daarvan – en dus van haar oeuvre. Dat blijkt gevarieerder dan gedacht. Zo realiseerde Schröder een behoorlijk aantal werken in de openbare ruimte, grote objecten, zoals een tijdelijke sculptuur van oude koperen dakgoten in de tuin van de Rijksuniversiteit Limburg, ter ere van iemands afscheid, en een enorme hangende constructie van papier in de hal van het NS-station van Maastricht. Niet iedereen zag overigens de meerwaarde van Schröders rudimentaire beelden in de buitenlucht. In 2006 werd een houten sculptuur van haar hand in park Tuindorp in Blerick door onbekenden vernield.

Ine Schröder, Okerlicht en horizon, 1994. Kunstcentrum Sittard © Ine Schröder

Teksten van Schröder zelf, meestal bestaande uit losse notities, vertellen veel over haar manier van denken en haar inspiratiebronnen. Zo schrijft ze bij haar tentoonstelling in Kunstcentrum Sittard, Okerlicht en horizon, in 1994, over het gedicht ‘Barbaarse dans’ van Paul van Ostaijen, over de rivier Oued Drâa die door het Atlasgebergte meandert, en over Afrikaanse nomaden die leven in semipermanente hutten, die snel uit elkaar kunnen worden gehaald en op lastdieren kunnen worden vervoerd. Schröder toont zich hier, in haar zoektocht naar een nauwe verbondenheid met de natuur gekoppeld aan een utopisch primitivisme, een typisch kind van de jaren zeventig. Het werk dat ze in Sittard liet zien, had wel iets weg van een maquette van een futuristische stad: een landschap van kleine stapelingen, gevormd door bakstenen en allerhande beschilderde planken en blokjes, dat zich over de volledige vloer van het Kunstcentrum uitstrekte.

Met circa zevenhonderd foto’s, tentoonstellingsteksten, persoonlijke aantekeningen, schetsen en begeleidende essays dient het boek Uncorrected Proof als ‘ongecorrigeerd bewijsmateriaal’ van een oeuvre dat er nauwelijks was. ‘Slechts’ een kleine honderd werken van Schröder zijn overgebleven. Ze zijn in bezit van vrienden, collega’s, familie en liefhebbers. Het museum speurde ze de afgelopen jaren allemaal op, en stelt er zeventig tentoon. Op een wit plateau staan ze tegen de wand opgesteld als kwetsbare archeologische vondsten, waarvan de herkomst duidelijk is maar de betekenis nog geduid moet worden.

Het museum ging ook langs bij de eigenaren thuis, om de werken te filmen, hoe ze erbij hangen of staan, en vooral hoe er met ze wordt omgegaan. De eigenaren blijken in de rol van oppasser het fragiele werk mede in stand te houden: afgevallen stokjes worden vastgelijmd, bezoek wordt ingewijd in de interactieve kant van de bouwseltjes, want in veel gevallen lijken ze niet bedoeld om statisch aan de wand te worden bewonderd. Hoe dan wel, blijkt vaak ook niet helemaal duidelijk. In de filmpjes zie je hoe de eigenaren hun kunstwerkjes draaien, keren en ondersteboven houden, op zoek naar aanwijzingen. Af en toe verschuift er een latje of schiet iets los. Meestal bracht Schröder op de achterkant een getal aan, die de hanghoogte aangaf, maar dat blijkt niet altijd even makkelijk te vinden.

De gefilmde beelden zijn smakelijk absurdistisch, maar de warmte waarmee Schröders staketsels worden omringd, de verliefdheid van de eigenaren voor de op zichzelf nogal vreemde, nutteloze bouwseltjes, is ook ontroerend om te zien en zegt iets over de magie die van kunst, hoe niksig ook, kan uitgaan. Ergens zie je een vrouw een werkje van geschakeerde latjes als een sjaal of slang over haar schouders draperen – niet per se omdat dat de bedoeling is, maar gewoon, omdat het kan.


Een postume samenwerking: Ine Schröder en haar archief, t/m 5 januari, Bonnefantenmuseum Maastricht, bonnefanten.nl_

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.