Onrust in Bolivia

Stokken en pistolen

Aan het noodgedwongen aftreden van de Boliviaanse president Evo Morales gaat een lange geschiedenis vooraf van geweld, opstand, racisme en verkiezingsfraude. Is er hoop voor het verdeelde Bolivia?

La Paz, Bolivia, 21 november. Een rouwstoet voor gedode demonstranten © Federico Rios / The New York Times / HH

Tienduizenden donkere, gelooide gezichten op de rand van het vierduizend meter hoge, zuurstofloze plateau. Een kale stoffige vlakte, bezaaid met de kleurloze puisten van hutjes van een half miljoen mensen. Overdag striemt hier de zon. ’s Nachts gieren ijswinden door de golfplaten daken. De sfeer is geladen die dag in El Alto, het hoogste getto ter wereld. Om mij heen uitsluitend het klakken en zoemen van de inheemse Aymara-taal. Vrouwen met bolhoeden en kleurige hoepelrokken. Mannen met poncho’s en felgekleurde Andes-mutsen. Wangen bol van de cocabladeren.

‘Boe!’ roept een groep mannen met stokken. Ik schrik. Zij liggen dubbel. Een vrouw met een Borsalino-hoed legt beleefd uit: ‘Wij willen dat de witten vertrekken, mevrouw. Vijfhonderd jaar lang heeft de witte man onze grondstoffen geroofd. Wij zijn de originele volkeren van Bolivia. En wij willen ons land terug. Dank u wel.’ Ze balt haar vuist en roept: ‘Nacionalización!’, nationalisatie. De roep verspreidt zich. ‘Na-cio-na-li-za-ción! Het gas is van ons!’

Plotseling, als één formidabel organisch lichaam, duikt de massa de berg af. Een denderende lawine rolt naar beneden, naar de lager gelegen Boliviaanse hoofdstad La Paz. Alles vertrappend in een gesynchroniseerd soort draf golft de indiaanse woede de hoofdstad binnen. Winkels en bedrijven gooien hun luiken dicht. De oproerpolitie probeert de vloedgolf te stoppen. Ze schieten met traangas en rubberkogels. Ik zie hoe een groep vrouwen met hun bolhoeden en hoepelrokken eenvoudig óver de oproerpolitie heen loopt. Ze omzwermen het regeringspaleis, waar net de tweede president in twee jaar door de indiaanse opstand is afgezet. ‘Fuera del palácio’, ga het paleis uit. ‘Het gas is van ons!’

Dat was juni 2005, een paar maanden voordat de indiaanse cocaboer Evo Morales voor het eerst de verkiezingen won. Op de golven van dit indianenprotest werd hij de eerste inheemse president van Bolivia, een land met een indiaanse meerderheid en goed georganiseerde inheemse culturen. Maar ze zijn wel een half millennium systematisch vernederd, beroofd van hun grondstoffen en uitgesloten van de macht. Morales nationaliseerde het gas en wat er nog aan tin, zilver en olie over was. Met de opbrengst financierde hij sociale programma’s en ging hij de bittere armoede onder de inheemse bevolking te lijf.

Nu, veertien jaar later, zie ik opnieuw hoe een machtige lawine uit El Alto naar beneden rolt. Op televisie weer beelden van bolhoeden en hoepelrokken die door roeien en ruiten gaan. Opnieuw de stampende woede van één groot lichaam. Op het hoge plateau wonen inmiddels een miljoen indianen. Maar veel krotten zijn huisjes geworden. Hier en daar zijn zelfs paleisjes verrezen. Kleurige bouwsels versierd met inheemse symbolen fleuren het grauw van de sloppenwijk op. Cholets heten deze gebouwen: een samentrekking van chalet en cholo, het traditionele scheldwoord voor indianen.

Onder Morales werd cholo een trots. In hun cholets bouwde de nieuwe Aymara-bourgeoisie van El Alto hele feestzalen. Daar paraderen nu fashion cholitas, dansend in hoepelrokken en omslagdoeken van zijde en kant. Hun oren en bolhoeden zijn opgesmukt met zilver en goud, in plaats van het traditionele koper en tin. De duizelig makende klim naar El Alto is afgeschaft. ‘Kameraad Evo’ zorgde voor een netwerk van kabelbanen tussen de hoge indianenstad en La Paz. Tien lijnen, 36 stations. Het grootste kabelbanenstelsel ter wereld.

Maar nu is Evo afgezet. Op zondag 10 november vlucht hij halsoverkop zijn land uit naar Mexico. Twee dagen later benoemt een geblondeerde mevrouw zichzelf tot interim-president. Ze is de totaal onbekende twééde vicepresident van de senaat. De linkse partij van Evo Morales mag niet meestemmen, hoewel zijn Beweging voor het Socialisme (mas) tweederde meerderheid in het parlement heeft. Toch benoemt de rechtse Jeanine Áñez niet alleen zichzelf maar ook een volledige extreem-rechtse regering: zonder één enkele indiaan.

‘Fuera del Palácio!’ Ga weg uit het paleis! Net als veertien jaar geleden omsluit de vloedgolf uit El Alto het regeringsgebouw. Overal zwaait de wiphala, de kleurig geblokte vlag van de inheemse volken van de Andes die sinds Evo het officiële symbool is van de nieuwe ‘plurinationale’ staat. ‘Deze regering vertegenwoordigt ons niet’, roepen de demonstranten vanuit het traangas. Net als veertien jaar geleden staat Bolivia aan de rand van burgeroorlog. De indianen van El Alto blokkeren de toegangswegen tot La Paz, zodat er geen voedsel en brandstof binnenkomt. Het kan ze niet schelen dat ze zelf het eerste slachtoffer zijn: ‘We kauwen wel coca tegen de honger.’

En dan gebeurt het. Anders dan toen beginnen de ordetroepen op de indianen te schieten. Niet met rubberkogels maar met scherp. In opdracht van mevrouw de interim-president, die daartoe speciaal een decreet had uitgevaardigd. Vorige week dinsdag werd het een bloedbad in El Alto. De troepen vermoordden acht Evo-aanhangers die wilden voorkomen dat het leger een opslagplaats met brandstof leeghaalde. De volgende dag schoot de politie in op de rouwstoet. Bloed, chaos, traangas.

Op Al Jazeera de beelden van een indiaanse moeder. Ze zit op haar knieën bij twee doodskisten, eenzaam achtergelaten op het wegdek. ‘We kwamen alleen maar uit El Alto’, roept ze tegen de robotagenten. ‘Ik wil dood. Vermoord me! Ik ben er klaar voor. Toe, waar wachten jullie op?’ Het dodental staat inmiddels op 36. Allemaal indianen. Allemaal vermoord onder auspiciën van de geblondeerde blanke vicepresident.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Waar komt dit drama vandaan? Had president Evo Morales deze escalatie kunnen voorkomen?

‘We vestigen een nieuwe tijd onder de hemel van Bolivia. Satan, ga weg!’

‘Is het soms onze schuld dat die indianen arm zijn en wij rijk?’ vroeg de man. ‘Is het onze schuld dat zij donker en lelijk zijn, en wij blank en presentabel?’ Het was 2008. Ik was in Santa Cruz, een welvarende, overwegend blanke stad in het laaggelegen oosten van Bolivia. Als een halvemaan liggen de vier lage en vruchtbare departementen van Bolivia tegen de hoge kale Andes aan. Ook de gasvoorraden liggen in het lage gebied. De halvemaan was in opstand. Ze verzetten zich tegen de nationalisatie van de grondstoffen en probeerden het referendum van de regering Morales voor een nieuwe grondwet te saboteren.

‘Die miserabelen uit het hoogland pikken onze rijkdommen in’, schalde het uit een luidspreker op het centrale plein. ‘Ze leggen ons hun onderontwikkeling op met hun communisme en misdadige cocablad. Waarom zouden wij onze rijkdom met hen moeten delen? Basta! Het wordt tijd om God terug te brengen.’

Verbijsterd hoorde ik het aan. Het onomwonden racisme. De haat. Het aanroepen van God als hoogste instantie. Pas tien jaar later zou ik dit soort retoriek opnieuw horen. In Brazilië. Uit de mond van de extreem-rechtse Jair Bolsonaro. Destijds stond op het centrale plein in Santa Cruz de voorzitter van het ‘Burgercomité voor Santa Cruz’, een beweging van rijke ondernemers, buurtgroepen en lokale politici. Ze hadden eenzijdig de autonomie uitgeroepen, in een poging te ontkomen aan de landhervormingen en nationalisaties.

Hun gewapende jongerenbeweging deed het vuile werk. Getooid met een soort groene hakenkruizen sloegen ze nationale overheidsgebouwen kapot en wierpen ze barricades op. Ze bestormden arme indiaanse wijken. ‘Wij komen de cholos vermoorden’, antwoordden de jongemannen simpelweg op mijn vraag wat ze daar midden in de nacht aan het doen waren. Ze zwaaiden met stokken en pistolen: ‘Wij willen een eind maken aan die klotenindianen in ons mooie Santa Cruz. Wij willen dat deze wijk verdwijnt. Wij willen autonomie!’

Meer dan dertig indianen werden vermoord. Er dreigde afscheiding en een burgeroorlog. Maar Evo Morales wist het spel behendig te spelen. Door het hele land mobiliseerde hij zijn aanhang. Indianen blokkeerden de toegangswegen naar Santa Cruz en sneden de toevoer van levensmiddelen en brandstof naar La Paz af. Daarop deed Morales concessies: meer autonomie en minder strenge landhervormingen. Plus: privéparticipaties in de winning van grondstoffen. Zo bloedde de opstand van de halvemaan langzaam dood.

Tot de verkiezingen van afgelopen 20 oktober. ‘We vestigen een nieuwe tijd onder de hemel van Bolivia’, roept Luis Fernando Camacho op het centrale plein van Santa Cruz. Hij zwaait met een rozenkrans. Achter hem een gigantisch verlicht christusbeeld. ‘Satan, ga weg uit Bolivia! Verdwijn! Nu!’ Camacho is het gezicht van de opstand die Morales het land uit joeg. ‘Macho Camacho’ noemen zijn aanhangers hem. De steenrijke blanke ondernemer is niet alleen de nieuwe voorzitter van het rechtse ‘Burgercomité voor Santa Cruz’, hij was ook de leider van de paramilitaire jeugdbeweging die in 2008 de gewelddadige opstand voor de autonomie en afscheiding aanvoerde.

Deze keer gaat het Camacho en de zijnen echter niet meer om privileges. Het gaat ze direct om de macht in La Paz. Niet voor niets komen zowel de geblondeerde interim als al haar ministers uit dezelfde blanke elite van de halvemaan. De opkomst van Camacho als nieuwe rechtse volksleider is te danken aan de dubieuze presidentsverkiezing van 20 oktober. Als Evo Morales een voorsprong van tien procent op zijn belangrijkste tegenstander haalt, zal hij de verkiezing al in de eerste ronde winnen. Bij de telling loopt de gematigd rechtse Carlos Mesa negen procent op Morales achter. Dan gaat de stemcomputer op zwart.

Als de computer de volgende dag weer aangaat, heeft Morales opeens wél tien procent. ‘Fraude’, roept de oppositie. En terecht. Ook de Organisatie van Amerikaanse Staten (oas) constateert dat er ‘duidelijk gemanipuleerd’ is. De uitslag is niet te vertrouwen en de verkiezingen moeten worden overgedaan, zegt de oas. Inmiddels zijn overal demonstranten de straat opgegaan. Camacho gaat er met gestrekt been in. Hij eist niet alleen het aftreden van Evo Morales, maar ook dat zijn partij de mas wordt uitgesloten van de nieuwe verkiezingen. Camacho eist een ‘junta’ beschermd door politie en militairen en bestaand uit afgevaardigden van ‘het volk in opstand’.

Hij zweept zijn aanhang op tot steeds radicalere acties. Zo wordt de vrouwelijke mas-burgemeester van de stad Vinto mishandeld en wordt het gemeentehuis in brand gestoken. Demonstranten knippen haar haren af, overgieten haar met rode verf en sleuren haar kilometers lang met blote voeten over straat. ‘Indianen zijn niet geschapen om schoenen te dragen’, twitterde interim-president Jeanine Áñez eerder. Woonhuizen van mas-bestuurders worden geplunderd en stukgeslagen, hun familieleden worden geslagen en gegijzeld. Intussen muit de politie. Ze rukken de wiphala-vlag van hun uniform en grijpen niet meer in. Alweer staat Bolivia op de rand van een burgeroorlog.

‘Indianen zijn niet geschapen om schoenen te dragen’

Op zondagochtend 10 november gaat Evo Morales door de knieën. Hij accepteert nieuwe verkiezingen. Hij is zelfs bereid geen kandidaat meer te zijn. Maar het is te laat. Legerleider Williams Kaliman ‘suggereert’ dat het beter is dat Morales aftreedt. Samen met zijn ministers en een groot deel van de parlementsleden vlucht hij het land uit.

‘Morales had maar twee mogelijkheden’, zegt politicoloog Jorge Richter nu tegen televisiezender Bolivisión. ‘Of hij bleef zitten zoals de linkse president Allende in 1973 in Chili, met alle mogelijke gevolgen van dien. Of hij trad af. Met maar één strategisch doel: de druk van de ketel halen en het land demobiliseren. Dat is Morales is elk geval gelukt. Waar zijn al die demonstranten nu? Ze zitten thuis.’ Volgens Richter heeft de middenklasse zich teruggetrokken. Onder hen is geen enkele dode gevallen. Nu domineren de inheemse bewegingen en de mas de straat weer. Maar zij bekopen het met hun leven.

De politie beschiet de rouwenden © Marco Bello / Reuters / ANP

‘Het triomfalisme dat zorgde voor de overtuiging dat met het opstijgen van Evo’s vliegtuig de democratie zou terugkeren, getuigt van een ongehoorde banaliteit en armoede van geest, mijn zusters’, zegt Silvia Cusicanqui in het filmpje dat viraal is gegaan op internet. Met haar Borsalino-hoed en rustige stem spreekt de Aymara-sociologe op een bijeenkomst van progressieve en inheemse vrouwen in een bioscoop in La Paz. Ze heft een hand op. ‘Maar even dom en gevaarlijk is het om wat er nu is gebeurd een staatsgreep of coup te noemen. Omdat dit de hele regering van Evo legitimeert als een compact, in cellofaan verpakt pakket. Juist op het moment van zijn grootste ontaarding.’

Ik ken Silvia Cusicanqui uit de tijd dat Evo Morales nog de leider van de cocaboeren was in de Chapare. Lachend maar liefdevol vroeg ze toen of ik ‘Ego’ al had geïnterviewd. Ik sprak haar later opnieuw toen ik Evo als leider van de mas kort had gesproken in zijn werkkamer in La Paz. Het was vlak voordat hij tot president werd verkozen. ‘Als Evo nu zit waar hij zit, is dat omdat Evo zich niet vergist heeft. Dat is het. Hartelijk dank’, zei Evo terwijl Evo zijn kamer vol portretten van Evo uitliep. Weer moest ze lachen. Toch vergeleek ze de verkiezing van deze indiaanse cocaboer met een historische omwenteling zoals de verkiezing van Mandela in Zuid-Afrika.

Morales wist helaas van geen ophouden. In de bioscoop in La Paz verwijst Cusicanqui naar het referendum van twee jaar geleden. Een meerderheid van de Bolivianen sprak zich toen uit tégen een vierde presidentstermijn van Morales. Maar Evo vond dat Evo gelijk had en stelde zich weer kandidaat. ‘Logisch’, zegt Cusicanqui, dat hij bij deze verkiezingen geen absolute meerderheid haalde en dat gedesillusioneerde delen van zijn aanhang op de gematigde Mesa stemden.

Ze laat een krantenkop zien waarin een van Evo’s hardline-ministers beweert dat Bolivia een ‘nieuw Vietnam’ wordt. ‘De onzin’, schampert Cusicanqui. ‘Waarom zouden wij ons leven moeten geven voor de nostalgie van een groepje linkse macho’s – ja, ook bij links zitten de macho’s – die ons doen geloven dat we nog leven in het soort revoluties van de jaren zeventig? Die ons als kanonnenvlees willen gebruiken?’

Cusicanqui beschrijft het verzet van de inheemse volken in de Tipnis, een autonoom indiaans gebied en beschermd natuurreservaat waar Morales een snelweg dwars doorheen wilde trekken. In 2011 werd een voetmars van de bewoners naar La Paz om tegen het plan te protesteren na twee dagen hardhandig uit elkaar geslagen. Zeventig vrouwen en kinderen raakten gewond. Morales zei dat de demonstranten zijn regering omver wilden werpen. De ‘olichargen’ van de oppositie en zelfs de Amerikaanse ambassade zouden erachter zitten.

De machtige vakbond cob, een traditionele bondgenoot van Morales, koos de kant van de demonstranten. Daarop trok Morales het plan in. Maar alleen voor de vorm. Aan twee kanten van het Tipnis-reservaat had hij alvast wegen laten aanleggen. Het wachten was alleen op een formeel ‘ja’ van de bewoners. Maar hij speelde de volkeren van de Tipnis tegen elkaar uit. Inheemse vissersdorpen kregen buitenboordmotoren cadeau, anderen kregen blikken alcohol. ‘Dat doet pijn’, zegt Cusicanqui. ‘Alcohol! Dezelfde methode die de Spanjaarden gebruikten om onze gemeenschappen te koloniseren.’

Morales had al twee concessies afgegeven aan buitenlandse bedrijven om in het gebied naar olie te boren. ‘De democratie komt niet van deze zelfbenoemde interim-regering’, concludeert Cusicanqui. ‘Maar ook niet van Evo of de mas. Het is een proces dat dagelijks moet worden bevochten.’

Net als andere critici constateert ze dat het ontwikkelingsmodel van extractivisme, het puur gericht zijn op het uitbuiten van de grondstoffen, de ‘roze golf’ van linkse regeringen in Latijns-Amerika de nek heeft omgedraaid. ‘De Pachamama, de heilige moeder aarde van de inheemse volken, wordt alleen nog symbolisch geëerd’, zei het in Amerika gevestigde onafhankelijke onderzoekstijdschrift voor Latijns-Amerika Cedla twee jaar geleden al. ‘Evo Morales pleegt politieke zelfmoord.’

De interim-minister van Binnenlandse Zaken eist nu de kop van Morales. Minister Arturo Murillo heeft beloofd de voormalige cocaboer levenslang te laten opsluiten voor ‘terrorisme en rebellie’. ‘Elke terrorist dient levenslang in de gevangenis door te brengen’, raasde hij voor de camera’s. ‘Maakt niet uit of je wit, zwart of een boer bent.’ ‘Intimidatie’, reageerde Morales koeltjes vanuit Mexico. ‘Alleen om te voorkomen dat ik terugkom.’

Intussen begint het gevaar van een burgeroorlog langzaam te wijken. De redding komt uit El Alto. In de vorm van een jonge inheemse vrouw. Eva Copa Murga heet ze. Anders dan veel van de mannelijke mas-parlementariërs is zij niet gevlucht of ondergedoken. Vorige week werd Eva tot voorzitter van de Senaat gekozen. Stug daalt ze elke dag af van haar hoge plateau naar het parlement in La Paz, om haar onzichtbare politieke handwerk te bedrijven. Ook nu de kabelbanen van kameraad Evo stilliggen. Ook al wordt ze als vrouwelijke mas-parlementariër consequent lastiggevallen en bedreigd door militairen en rechtse politici.

Het is aan Eva te danken dat er nu een voorlopig akkoord is. De militairen hebben beloofd zich terug te trekken uit de straten. De demonstranten beloven hun barricades te ruimen. De interim-regering belooft geen sociale leiders meer op te pakken. Het parlement zal een nieuw electoraal gerechtshof kiezen. Dit hof zal binnen 120 dagen nieuwe verkiezingen uitschrijven. De mas mag meedoen. Maar Evo niet meer.

Het is nog onduidelijk hoe de lama’s in Bolivia de komende weken zullen lopen. In elk geval lijkt Eva in plaats van Evo voor Bolivia, en misschien ook voor de rest van Latijns-Amerika, een nieuwe, hoopvolle weg.