Stokstaartje

In de media levert twee lijsttrekkers tegenover elkaar te weinig vuurwerk op. Cringe-tv gaat viral: korte filmpjes van boze burgers tegenover bange politici. Pijnlijk.

Wanneer telt iets als viral? Sommige video’s krijg ik vaker doorgestuurd dan dat ik, in mijn tijdlijn, positieve testuitslagen zie. Memes zijn het echte virus.

In dit geval kreeg ik door vijf verschillende mensen het filmpje doorgestuurd waarin Esther Ouwehand werd aangesproken door een overtuigd lid van Partij voor de Dieren. Een mevrouw met grote ogen en een zoekende stem die schijnbaar op breken stond: ‘De laatste jaren zie ik, tot mijn stijgende verbazing en ongenoegen, dat het niet alleen maar gaat over de dieren. De focus is gegaan van dieren naar mensen’, zei ze tegen haar lijsttrekker. ‘Ik hoor u praten over stemmen per post, voor zeventigplussers. Ons belastingstelsel. Salarissen in de gezondheidszorg, de huizenmarkt. Wat heeft een proefdier daaraan, of een slachtkalf? Waarom houdt u zich bezig met mensendingen?’

De strekking op social media was, kortom, dat het haast leek of een castingbureau door stad en land op zoek was gegaan naar iemand die alle vooroordelen over de Partij voor de Dieren kon belichamen, en deze mevrouw had gevonden. Wel geïnteresseerd in dieren, mensen waren irrelevant.

‘Inderdaad’, appte een vriend van me die het videoclipje doorstuurde. ‘Stemmen. Het belastingstelsel. Salarissen in de zorg. De huizenmarkt. Wat een walgelijke, decadente mensendingen. Smiley, smiley.’

‘Zo lief’, appte weer een andere vriend in een andere appgroep. ‘Het eenzaamste stokstaartje van Nederland is helemaal naar de studio in Hilversum afgereisd.’

Later die week vertelde iemand in de appgroep dat hij, sinds hij na de eerste coronagolf zijn baan kwijtraakte, eindelijk weer iets nieuws op niveau had gevonden. ‘Een baan?’ reageerde een van ons. ‘Wat heeft een proefdier aan een baan? Of een slachtkalf?’

Het was trouwens niet de blik van een stokstaartje. Ik kende die blik. Ook uit zo’n Instagram-filmpje dat ik geneigd ben viral te noemen. Lach, zegt iemand tegen een mooi meisje, maar dan zonder je ogen. Houd je wenkbrauwen zo hoog mogelijk omhoog. En stop nu met lachen. Kijk, zegt die stem, this is your supermodelface.

‘Mag de kloof tussen burger en politiek weer groter worden? Smiley’

Ik probeerde het voor de spiegel. Ik zag eruit als een paranoïde Peter O’Toole, in Lawrence of Arabia, wanneer hij een groep terugtrekkende Ottomanen tegenkomt en even doodsbang als bloeddorstig ‘No prisoners! No prisoners!’ schreeuwt.

Het filmpje kwam uit Nieuwsuur, dat als format heeft bedacht om lijsttrekkers te confronteren met hun eigen achterban. Dat resulteert is het adagium: met zulke partijleden heb je geen oppositie meer nodig. Dat format is dit verkiezingsseizoen niet aan Nieuwsuur voorbehouden. De media lijken aan te voelen dat de combinatie van lijsttrekker tegen lijsttrekker te weinig vuurwerk oplevert, er is te veel consensus over de coronamaatregelen, en ondertussen heeft bijna iedereen al eens meegewerkt aan een kabinet-Rutte. En dus koppelen ze boze burger aan bange lijsttrekker. Het meest in het oog springende moment van het RTL-debat kwam toen premier Rutte werd ondervraagd door een slachtoffer van de toeslagenaffaire. Ze duwde hem een vraag op de borst die geen andere lijsttrekker hem stelde: Asscher en Wiebes waren definitief opgestapt, ‘Waarom denkt u dat u wel kunt blijven?’

Nu had Rutte die blik van het stokstaartje, met al zijn verbale finesse opeens machteloos tegenover iemand op wie zijn charme geen kans had.

‘Cringe-tv’, werd het al snel genoemd. Tv die bedoeld is om het de kijker zo ongemakkelijk mogelijk te maken. Want Rutte kon geen goed antwoord hebben, dat moet de redactie van het debat ook geweten hebben. De vraag was geen vraag, maar een verwijt. De blik van het slachtoffer zei: no prisoners. Het probleem van cringe-tv is dat het je niet alleen doet ineenkrimpen, maar vaak ook doet wegzappen. Of op z’n minst de tv op mute doet zetten. Er is een reden dat zulke memes vaak maar een halve minuut duren: ze zijn te pijnlijk om er langer naar te kijken. ‘Arme politici’, appte een collega. ‘Mag de kloof tussen burger en politiek alsjeblieft weer groter worden? Smiley.’

Overigens had de mevrouw van het stokstaartje een punt. Onder Ouwehand is de Partij voor de Dieren inderdaad meer naar de mensen opgeschoven, en is daarmee een bredere partij geworden, voor een potentieel bredere groep kiezers, een partij die net iets meer aansluit bij het centrum. En dus als serieuze partner gezien kan worden voor een eventuele coalitie.

De vraag die daaruit zou moeten voortkomen, is natuurlijk de vraag die iedereen op links zich zou moeten afvragen; als Partij voor de Dieren opschuift naar het midden, hoe groot is dan nog het verschil met GroenLinks? En is dat verschil dan echt zo groot dat twee aparte partijen gerechtvaardigd zijn? Want als die twee samen zouden gaan, zouden ze volgens de peilingen goed zijn voor twintig zetels – de tweede partij van Nederland, groen en progressief, een partij waar geen mogelijke coalitie omheen kan. Stel dat de PvdA zich bij je aansluit en je bent allicht de grootste partij van Nederland. Laat D66 erin opgaan, en je mag zeker weten de premier leveren.

Maar het ging niet over linkse samenwerking. Het ging om cringe. De reactie van Ouwehand zat niet bij het viral filmpje. Dan zou het te lang zijn, te serieus. Het was al pijnlijk genoeg.