Europese Literatuurprijs

Stom als uilskuikens

Éric Vuillard vraagt zijn lezer het voor zich te zien als een film © Melania Avanzato

Vorig jaar kocht ik L’ordre du jour, de Prix Goncourt-winnaar van Éric Vuillard, in een boekhandel in Uzès, las op een bankje de eerste zinnen en direct sloeg de twijfel toe of mijn Frans wel goed genoeg was. Maar in de vertaling van Liesbeth van Nes staat inderdaad wat ik dacht dat er stond: ‘De zon is een koude ster. Haar hart, ijsnaalden. Haar licht, meedogenloos. In februari zijn de bommen dood, is de rivier versteend, alsof haar bron geen water meer spuwt en de zee het niet meer kan verzwelgen. De tijd stokt. ’s Ochtends vroeg geen enkel geluid, geen zingende vogel, niets. Dan een auto, en nog een, en opeens voetstappen, gestalten die we niet kunnen zien. De voorstelling is begonnen maar het doek is niet opgehaald.’

De taal is inderdaad zo theatraal, de auteur presenteert zijn verhaal in nadrukkelijk geënsceneerde beelden, vraagt zijn lezer het voor zich te zien als een toneelstuk, of een film. Kijk, hier komen de acteurs aanlopen, lijkt hij steeds te zeggen.

Zijn verhaal is dan ook niet zíjn verhaal, en de acteurs zijn geen acteurs; ze zijn historische personages en het verhaal is algemeen bekend. De orde van de dag begint op 20 februari 1933, als Hitler net rijkskanselier is geworden en Hermann Göring een groep bankiers en grootindustriëlen verzamelt om ze toe te spreken. Göring legt ze de aankomende werkelijkheid uit, namelijk dat de nazipartij bij de volgende verkiezingen de grootste partij zal worden en dat die verkiezingen daarmee de laatste zullen zijn in de komende tien, zo niet honderd jaar. De nazi’s zouden vriendelijk zijn voor de grootindustriëlen, maar hadden dan wel geld nodig voor de campagne, dus: ‘En dan nu naar de kassa, heren!’ Aan tafel zitten de Krupps, de Opels en de Siemensen. Ze pakken hun cheques en schrijven uit, een paar honderdduizend mark de neus, Krupp zelfs een miljoen.

Vuillard drijft niet de spot met de nazi’s, maar met hun democratische collega’s

Allemaal waargebeurd (al vertelt Vuillard er niet bij dat diezelfde grootindustriëlen in alle niet-marxistische partijen investeerden; de nazi’s waren aanvankelijk niet eens de grootste ontvanger). De orde van de dag geldt als roman, al was het maar omdat Vuillard nooit kan weten wat al die mensen echt dachten, maar spreekt zelf van een ‘récit’, een term die zich niet zo makkelijk laat vertalen, maar neerkomt op een narratief van een gebeurtenis, waarbij de manier waarop de verteller het vertelt bijna belangrijker is dan wat hij vertelt.

Na de industriëlen richt Vuillard zich op andere krachten die niet tegen de nazi’s opgewassen zijn en zo hun opmars en de wereldoorlog mogelijk maken: dat is de voorstelling die begonnen is voordat het doek is opgehaald. De appeasende Britse minister van Buitenlandse Zaken, Lord Halifax, komt voorbij (‘De Engelse aristocraat, een diplomaat die trots overeind blijft achter zijn handjevol voorvaderen, doof als trombones, stom als uilskuikens’). De premier Neville Chamberlain is meer bezig beleefd te blijven tegen de agressieve Von Ribbentrop dan voor de Britse belangen op te komen. De Oostenrijkse bondskanselier Schuschnigg heeft geen verbaal verweer als Hitler hem de mantel uitveegt en aankondigt Oostenrijk te zullen annexeren.

Het is inderdaad een ‘récit’, dat wil zeggen, ik had niet het gevoel dat Vuillard de lezer iets nieuws vertelt, of dat de scènes die hij verkiest na te vertellen elkaar aanvullen en tot een dwingend verhaal komen. Het zijn eerder bekende scènes die nu met een sardonisch, beschuldigend genoegen worden naverteld. Hij drijft niet de spot met de nazi’s, maar met hun democratische collega’s, die weerloos zijn. Met De orde van de dag lijkt hij de slotsom van wat hun lafheid kostte en opleverde te willen berekenen: Vuillard citeert (ik denk tenminste dat hij citeert) uit de Neue Freie Presse vier overlijdensberichten van 13 maart, daags na de Oostenrijkse annexatie: een veertigjarige ambtenares sneed haar aderen door, een schrijver van 49 schoot een kogel door zijn hoofd, een huisvrouw pleegde zelfmoord, een ambtenaar wierp zich uit het raam. ‘De beweegredenen voor zijn daad zijn onbekend.’ Die zin vervult ons met schaamte, schrijft Vuillard, want op die dertiende maand kon niemand onbekend zijn met hun beweegredenen; ze wisten heel goed wat er met joden zoals zij waren te gebeuren stond.

Zij betaalden. En wie verdienden? Vuillard eindigt zijn vertelling weer met Gustav Krupp, die de oorlog in veiligheid uitzat. Tienduizenden dwangarbeiders hadden in zijn fabrieken gewerkt – de oorlog was winstgevend. Bayer pachtte arbeidskrachten in Mauthausen, bmw in Dachau, Daimler in Schirmeck, IG-Farben in Buchenwald.

De Krupps groeiden na de oorlog uit tot de machtigste spelers van de Europese gemeenschappelijke markt. Jaren na het overlijden van Gustav Krupp klopten joodse overlevenden bij zijn zoon Alfred aan voor schadeloosstelling. Hij betaalde 1250 dollar aan iedere overlevende, een gebaar dat in de pers unaniem werd geprezen. Naarmate meer en meer overlevenden zich meldden, ging het bedrag omlaag, naar 750 dollar, naar 500. Uiteindelijk gaf het Krupp-concern aan niet meer te kunnen betalen, want, zoals Vuillard noteert, ‘de joden hadden al te veel gekost’. Het is een cynische conclusie, van een dito boek, maar de geschiedenis kan dan ook cynisch zijn.