KUNST

Stom en ongelukkig

Hendrick Avercamp

Van de schilder Hendrick Avercamp (1585-1634) worden doorgaans twee dingen vermeld: dat hij zich specialiseerde in winterlandschappen en dat hij stom was. Dat laatste weten wij omdat hij in 1607 op de veiling van schilderijen van zijn leraar Pieter Isaacks (1569-1625) wordt vermeld als ‘de stom tot Pieter Isacqs’. In 1614 verhuist hij met zijn familie naar Kampen – waar zijn vader en broer stadsapotheker werden – en daar wordt hij in een contract vermeld als ‘Hendrick Avercamp de Stomme’.
Ondanks zijn handicap maakte Avercamp als schilder een goede carrière. Zoals zovelen zocht hij in de sterk groeiende markt naar een niche, en vond die in het winterlandschap. Daarbij leunde hij op het werk van Vlaamse landschapsschilders als Van Coninxloo en Vinckboons, maar vooral op dat van Pieter Breughel de Oudere. Bij Avercamp ‘vernederlandst’ dat fantasierijke landschap, de horizon daalt, en er ontstaat een beeld van Nederland dat door Esaias van de Velde en Jan van Goyen verder zal worden ontwikkeld.
Die winterlandschappen zijn meesterlijk. Ten eerste om Avercamps voortreffelijke gevoel voor de atmosfeer van een winterdag, met zijn grijs-oranje licht en de suggestie van vorst die in de lucht hangt. Ten tweede om de breugheliaanse detaillering, met talloze figuurtjes van allerlei rang en stand. Op Avercamps ijs komt de hele wereld tezamen. Elegante dames spelen kolf, paartjes zwieren, stijve heren schaatsen waardig, en in de marge dondert er altijd wel iemand op zijn kont, of er zit iemand een potje te schijten. Iconografen mogen er graag een beeld in zien van de egalitaire samenleving die de jonge republiek was; anderen zagen er een verbeelding in van ‘de glibberigheid des levens’, die iedereen, rijk en arm, te grazen kon nemen.
Er is niet zo veel bekend over de positie van stommen (en doofstommen) in de Republiek. Makkelijk kan die niet geweest zijn, maar het feit dat Avercamp in contracten optreedt is er een aanwijzing voor dat hij niet handelingsonbekwaam was. Avercamps familie behoorde tot de betere burgerij en was redelijk welgesteld. Maar in haar testament vermeldt zijn moeder dat zij zich zorgen maakt om haar stomme zoon, die niet getrouwd is, en ongelukkig. Ze stipuleert dat hij behalve zijn rechtmatig deel ook een jaartoelage van honderd gulden zal krijgen.
Ik zou niet weten of er onder schilders verhoudingsgewijs vaker stommen en doofstommen voorkwamen. Er is nog een voorbeeld, dat toevallig ook uit Kampen stamt. In 1770 vestigde de Amsterdamse weduwe Remmers zich met haar doofstomme zoon Pieter (geboren in 1744) in Kampen, in het Gasthuis. Wie die Pieter was, en hoe het hem na moeders dood is vergaan, is onbekend: als doofstomme stond hij waarschijnlijk onder curatele, en liet zelf geen documenten na. Maar in het Rijksmuseum Amsterdam en in een aantal Overijsselse archieven en musea berusten tekeningen, meestal stadsgezichten, die gesigneerd zijn met ‘P. Remmers’. Betekent dat dat de doofstomme Remmers emplooi had gevonden in de schilderkunst, zoals blinden vroeger geld verdienden met stoelenmatten? Was dat de nagedachtenis van Avercamp?

Hendrick Avercamp: IJspret. Rijksmuseum Amsterdam, t/m 15 februari