Stomme film

Ik ging van huis met het vaste voornemen me niet in rare bochten te zullen wringen. De vriend die het beste met me voor heeft zei dat ik zélf de regie moest zien te behouden. Dus niet inzakken als je zit, réchte rug.

Blauwe jasje aan, knoopjes dicht. Klim nergens op, dat zei hij ook. Ga niet buiten staan, met je jas aan en sjaal driedubbel omgeslagen. Niet dat je met je hoofd zo in de wind staat, haren in je gezicht. Zet je zelf áán, laat het niet lopen.

Ik weet nog dat ik aarzelde bij de kapstok, voor ik op pad ging. Lange, iets nettere, jas, of het warme te grote mannenjack. Eronder had ik het blauwe jasje, knoopjes dicht. Het leek een beetje te regenen. Zélf de regie behouden, dus had ik precies drie dagen ervoor mijn haar gewassen. Ik pakte het jack en een muts. Van mijn tas sloot de rits niet meer helemaal, alles zou nat worden, ik hevelde de boel over in mijn rugzak.

Ongeveer een uur later – fietsen, regen, trein, fietsen, regen – liep ik naast een speciaal uit Gent gekomen fotograaf. In mijn jack, rugzak op, sjaal driedubbel omgeslagen. Mijn relatief pas gewassen haren vlogen alle kanten op. Het was mooi licht, had hij gezegd. Dat betekende: naar buiten. Ik had geen oortje in of zoiets, maar toch klonk de stem van de vriend van heel dichtbij. Hij zei iets met regie. ‘Is het niet te hard?’ vroeg ik. De fotograaf keek even opzij: ‘Wat?’ Ik kneep met mijn ogen. ‘Het licht.’

Hij mompelde iets, hij zag een hek. Erna een steen. En toen, ja, op elkaar gestapelde betonplaten. Hij hielp me erop te klimmen. Ik stond er bovenop, in mijn hele leven had ik nog niet zo veel wind gevangen. ‘Is die sjaal niet wat veel?’ riep ik naar beneden. ‘Ja misschien wel!’ dacht ik te horen.

De sjaal woei bijna weg in een poging ’m wat losser te draperen, mijn dunne rok klapperde om mijn benen, mijn ogen traanden. Ik torende uit boven het Museumplein op een stapel betonplaten, en zette het tegen alle adviezen in op een staren. Dacht aan de vragen die de redacteur me aan de telefoon had gesteld, bij wijze van voorgesprekje, en hoe het straks in werkelijkheid zou uitpakken.

Waarover gaat het?

De vriend die het beste met me voor heeft, had het me voorgedaan, met _Kings of Pastry-_handgebaren. ‘Loyaliteit. Mijn boek gaat over l o y a l i t e i t.’

Rug recht, knoopjes dicht.

‘Is het niet gek om zelf te zeggen waar je boek over gaat?’

‘Zo houd je de regie.’

Waar begon het mee?

‘Met een scène bij de kapper. Dat ik erachter kwam dat…’

In mijn hele leven had ik nog niet zo veel wind gevangen

‘Maak het niet te klein’, zegt de vriend.

Wat heb je ontdekt?

[Lange stilte.] Moeilijke vraag hè?

‘Ik heb ontdekt dat om een vrouw die van een man houdt te laten zien, je haar een maaltijd voor hem klaar moet laten maken, moet laten wachten tot hij aanbelt. Of ’s ochtends eerder wakker laten worden, om zijn gezicht te zien veranderen van de rust van de slaap in de glimlach van herkenning. En dat duizend keer herhalen. Maar daarmee heb je nog geen boek. Ik dacht: ik moet een stomme film schrijven. Je ziet alles, maar je snapt niks.’

‘Maar dat is je boek toch helemaal niet?’ zegt de vriend.

‘Nee, maar…’

‘Je moet het niet te groot maken.’

Ondertussen mocht ik weer van het beton afdalen. Ik viel bijna tegen een jongen aan die net voorbij kwam lopen.

‘Sorry’, zei ik.

Hij keek me aan. Er was iets met zijn gezicht, hij had een ongeluk gehad, hij had weg proberen te komen bij een brand, zoiets.

‘Het geeft niet’, zei hij.

Opeens wist ik weer waar het om ging. Om hunkering, en om angst.