Stoofpeertjes

Ze zijn zo Hollands als het maar kan, de boeken van Sjuul Deckwitz. De personages - veelal wat melancholieke lesbiennes en een stoet ooms en tantes - drinken slappe thee, sherry, jenever en zoete likeurtjes. Ze eten stoofpeertjes en suddervlees, dragen stijve mantelpakjes en terlenka broeken, wonen in nieuwbouwwijken of met een kat op een verdiepinkje in Amsterdam. Maar behalve oer-Hollands is Deckwitz’ proza ook altijd een tikkeltje absurd en behalve herkenbaar zijn haar personages ook ietwat eigenaardig.

Gelijk de zee, haar eerste roman, is in zekere zin het vervolg op haar verhalenbundel God aan het IJ. Een zelfde soort meisje speelt de hoofdrol, al is ze nu een meisje van in de dertig. Nu rouwt ze niet om het verlies van haar excentrieke grootvader, maar om de dood van haar moeder, die tijdens de koffievisite bij haar beste vriendin plotseling door een hersenbloeding is geveld. ‘Bel Opzeeland’, waren haar laatste woorden. Opzeeland waren de buren.
Wat volgt, is voorspelbaar: de ontreddering van de weduwnaar, de stoet ooms en tantes, de herinneringen en tranen, de rouwkaarten die geschreven worden, de crematie met bijbellezing, de onhandige condoleances, de huishoudster die er voor de vader moet komen, het boek over rouwverwerking dat door een van de tantes is meegenomen. Geijkt is ook het peilloze verdriet van Franzisca, de dochter, die naar haar lievelingsgedicht van P.C. Hooft grijpt, 'Gelijk in zee’, waarin wordt beschreven dat mensen eeuwige drenkelingen zijn die voortdurend net niet verzuipen.
En toch is Gelijk de zee meer dan een o zo Hollandse, melancholiek-realistische beschrijving van de dood van een ouder. Dat komt niet alleen door Deckwitz’ ironische toets in haar beschrijving van de nabestaanden - tante Evelien die om de paar jaar een nieuwe verloofde heeft en het nu met een ordinaire snackbarhouder houdt; de precieuze meneer Zalm die zijn winkelkat elke dag een andere glimmende zijden strik ombindt - want ook dat is gebruikelijk in zulk soort romans. Dat wat de roman merkwaardig maakt, is de band tussen moeder en dochter. 'Popje’, noemt Franzisca haar moeder, en haar 'zijnsbodem en zielsgeluk’. Moeder en dochter zijn met elkaar vergroeid. Hand in hand zitten ze op de bank, ze bellen dagelijks, geen beslissing kan de dochter nemen zonder advies van haar moeder. Arm meisje, denk je, totdat je verbijsterd leest dat ze al in de dertig is.