Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

Stop de vooruitgang

Onze samenleving is doordrenkt van een marktlogica waarin een berekende toekomst bepalend is voor ons handelen in het heden. De corona- en klimaatcrises lijken een uitnodiging om na te denken over de manier waarop we onze toekomst beschouwen, om van daaruit een nieuwe richting in te slaan.

‘Door de huidige pandemie worden mensen nu wereldwijd gedwongen hun dagelijkse praktijk op pauze te zetten. Er is aan de noodrem getrokken en al piepend neemt de dwingende snelheid af die voor de meeste metropolen tekenend was.’ © Nicolas Datiche/SIPA

De huidige coronacrisis vertelt ons een hoop over de snelheid van ons dagelijks leven. Niet alleen wordt de fysieke vorm van globalisering, waarin onze lichamen in razendsnel tempo over de aarde bewegen, opeens duidelijk in kaart gebracht, ook komt de economische structuur van onze samenleving pijnlijk bloot te liggen. Hierdoor kunnen we opeens helder zien hoe economische welvaart niet zozeer geworteld is in kapitaal, maar eerder in het ongrijpbare proces van beweging en het vertrouwen daarin. Onze welvaart wordt bekostigd middels een hypotheek op de toekomst.

Dat de economie in stand wordt gehouden door vertrouwen, is niets nieuws. Het is een bekend discours dat zijn fundament vindt in een financiële marktlogica. Vertrouwen draait om het geloof in een voorspoedige uitkomst. Op een dergelijk vooruitzicht wordt vervolgens ingezet, en door de dragende invloed van collectief vertrouwen schikt een materiële wereld zich langzaam naar de voorspellingen. Het is een marktlogica van vraag en aanbod, investering en groei. Economen spreken over een neoliberaal ‘groei’-paradigma waarin de marktlogica van investering en vergroting heersend is in onze huidige maatschappij. Als gevolg van deze logica is er een zelfvoorzienend mechanisme ontstaan waarin groei meer groei in de hand werkt.

Medisch antropoloog en hoogleraar Vincanne Adams doet onderzoek naar hoe ons huidige neoliberale tijdperk compromissen afdwingt op het gebied van medisch welzijn en kwaliteit van leven. In haar werk richt ze zich op de manier waarop onze globale samenleving wordt gekenmerkt door een vorm van ‘anticipatie’. Ze legt deze anticipatiemodus uit als een staat waarin het heden gedomineerd wordt door een constante focus op de toekomst. Deze focus is niet alleen leidend binnen de financiële wereld, maar wordt ook in het denken over gezondheid en sociale processen een norm. Ze illustreert haar stelling aan de hand van voorbeelden uit de medische wereld waarin het voorkomen van zorg middels geavanceerde voorspellingstechnologie steeds dominanter wordt in het denken over gezondheid.

Ook natuurkundige en econoom Robert Ayres, die zich in zijn onderzoeken bezighoudt met de fysieke gevolgen van economische systemen, benadrukt hoe de speculatieve dynamiek van anticipatie doorsijpelt in het sociale domein. Denk aan pensioenen of levensverzekeringen – door mensen de mogelijkheid te bieden hun toekomst financieel te verzekeren, kunnen zij door middel van anticiperende logica investeren in hun eigen leven. Dit laat zien hoe ‘risico’ wordt gecommodificeerd. Ook politiek gezien is de ritmische cadans van anticipatie en vooruitgang dominant. Groei en progressie vormen belangrijke kernwaarden van onze samenleving. Politieke boodschappen zijn doorspekt van termen als verbetering, vooruitgang en toekomst. Een campagnespot in onze huidige tijd is ondenkbaar zonder dit vocabulaire. Continu schetsen politici een heden dat in dienst staat van een betere, mooiere en fijnere toekomst.

Maar deze beloofde toekomst waarop wij allen gretig anticiperen, lijkt zeker niet voor iedereen weggelegd. Sterker nog, hij gaat ten koste van het welzijn van velen. De kloof tussen arm en rijk wereldwijd is enorm, en groeit nog steeds. Met het argument dat armoede over de gehele linie is afgenomen, lijkt gigantische ongelijkheid te worden gelegitimeerd – alsof er geen eerlijkere alternatieven zijn. Het lijkt alsof we de ‘vooruitstrevende’ koers en de daarmee verbonden consequenties als de enige mogelijke richting zijn gaan beschouwen.

Bijna parallel aan een soort evolutietheorie wordt de liberale marktlogica van speculatie en expansie gerechtvaardigd en gestaag doorgezet in een koers die terechte ethische bezwaren, zowel sociaal als ecologisch, vaak links laat liggen. Zo zorgt bijvoorbeeld het groeiende online winkelaanbod wereldwijd voor het faillissement van lokale speciaalzaken, uitbuiting van werknemers op verschillende niveaus, ecologische schade in productie- en bezorgprocessen; alles in dienst van een groeiende winstmarge. Wie het individualistische spel van vooruitgang verliest, wordt verweten zijn of haar kansen niet op de juiste manier te hebben benut. Dat niet iedereen aan de beurt komt in dit exclusieve spel, en dat de aarde niet eens mee lijkt te doen, lijkt voor de winnaars geen reden voor het aanpassen van de spelregels. De naïeve overtuiging dat er in ons neoliberale systeem voor iedereen een kans op een welvarende toekomst is, maakt dat we vaak aan ons heden voorbijgaan. Want waar worden onze spulletjes eigenlijk vervaardigd? En onder welke omstandigheden? En welke natuurlijke hulpbronnen worden daarvoor uitgeput? En welke weg leggen ze af? En hoe kan alles toch steeds goedkoper worden?

Er is een morele economie ontstaan waarin de toekomst ons niet meer alleen een sappige worst voorhoudt, maar ook de voorwaarden schept voor de mogelijkheid om in het heden te handelen. Onder deze omstandigheden wordt het onmogelijk om uit deze cyclus te breken, omdat dit altijd een verlies van tijdelijke investeringen met zich meebrengt. Net als bij een vooraf afgesloten verzekering, want ‘die is nu toch al betaald’. Het kapitalistische regime dwingt ons daarom allemaal in de richting van ‘vooruitgang’, maar de toenemende versnelling waarin we richting de toekomst bulderen, zorgt ervoor dat er steeds meer op het spel komt te staan.

Door de coronacrisis zien we nu al op een pijnlijke manier dat het wegvallen van vertrouwen niet de enige oorzaak hoeft te zijn voor het doorprikken van een speculatieve bubbel. Zoiets simpels als een nieuw virus heeft in korte tijd de gehele wereld in zijn greep. Zowel economische als sociale structuren lijken slecht bestand tegen de massale vertraging waartoe ongeveer elk land acuut wordt gedwongen. Deze structuren gedijen bij de gratie van investering, groei en anticipatie, maar zijn bijzonder gevoelig voor de dreiging van het onvoorspelbare. En laat onze op groei gerichte samenleving nu precies de juiste voedingsbodem zijn voor de onvoorspelbare natuurrampen die ons te wachten staan. Want terwijl onze vliegreizen toenemen, groeit de waarschijnlijkheid van een volgende natuurramp ook – een dreiging die geen genade kent voor ons zorgvuldig uitgedachte systeem.

De mens begint de gevolgen van zijn hebzucht langzaam onder ogen te komen. Onze levenswijze eist zijn tol in de vorm van onder andere uitputting van hulpbronnen, watertekorten, toenemende luchtverontreiniging en onvoorstelbare natuurrampen. Om die reden wordt ons huidige tijdperk tegenwoordig ook wel als het ‘antropoceen’ aangeduid. Antropoloog Anna Tsing, die onderzoek doet aan de University of California in Santa Cruz, beargumenteert echter dat de term – die de mens (‘antropo-’) centraal stelt – in haar optiek eigenlijk ongepast is. Volgens haar heeft niet zozeer de mensheid een puinhoop van onze planeet gemaakt, maar is het eerder de uitvinding van het moderne kapitalisme dat volgens haar een traditie van vernietiging van landschappen en ecosystemen is begonnen, omwille van productie en winst. Als gevolg groeit de waarschijnlijkheid van onvoorstelbare natuurrampen nu in dezelfde versnelling als ons menselijk ‘succes’.

De coronacrisis lijkt een voorbode van wat ons te wachten staat. Veel westerse landen reageerden traag op de oprukkende pandemie en in ons ‘nuchtere’ Nederland werd het virus in eerste instantie weggewuifd als een onschuldig griepje. Het gevaar van corona lijkt hem echter met name te zitten in zijn razendsnelle verspreiding. De vertraging tussen besmetting en ziektesymptomen ligt ergens tussen de 0-14 dagen, maar deze temporele kloof van twee weken lijkt al bijna oncontroleerbaar. Veel landen lopen in hun beleid achter de feiten aan. Op het niveau van klimaatverandering is deze vertraging nog vele malen groter. Veel processen van onomkeerbare schade zijn al lang geleden in gang gezet, ook al zijn hun catastrofale gevolgen nog niet fysiek voelbaar. In de kloof tussen onze acties en hun onvermijdelijke consequenties lijken we de verantwoordelijkheid te hebben verloren. Wat ons nu te wachten staat is het voorspelde onvoorspelbare. De academicus en schrijver Amitav Ghosh waarschuwt ons ironisch genoeg voor wat we de hele tijd hadden kunnen zien gebeuren: ‘Het is het mysterieuze werk van onze eigen handen dat ons nu in spookachtige vormen teistert.’

Door de huidige pandemie worden mensen nu wereldwijd gedwongen hun dagelijkse praktijk op pauze te zetten. Er is aan de noodrem getrokken en al piepend neemt de dwingende snelheid af die voor de meeste metropolen tekenend was. Het is om die reden interessant om deze ‘pauze’ te gebruiken om kritisch te reflecteren op de koers die leidend is en wat dit betekent voor ons heden. Hoe gaan we om met tijd? Wat zegt dat over wat we als vanzelfsprekend beschouwen, en moeten we dit wel willen? Wat zou onze houding ten overstaande van de toekomst moeten zijn? De coronacrisis toont ons hoe precair ons kapitalistische systeem eigenlijk is, al helemaal in het licht van dreigende catastrofes. En dat is gevaarlijk, want met de opwarming van de aarde zal de coronapandemie niet het laatste acute probleem zijn waarmee we te maken zullen krijgen.

Uiteindelijk zal de natuur geen genade tonen voor onze zorgvuldig geformuleerde toekomstplannen zoals uitgedacht middels de logica van investering, speculatie en winst. Want dit is een plan dat berust op een voorspelbare toekomst zonder onvoorziene obstakels. Ghosh beschrijft echter hoe ons huidige tijdperk wordt gekenmerkt door een toename van het onwaarschijnlijke. Het ‘onwaarschijnlijke’ begint daarmee een steeds paradoxalere vorm aan te nemen. Hoewel onvoorspelbaar, neemt de waarschijnlijkheid ervan toe. De zogenaamde ‘suspense’ groeit met de dag. Tsing betoogt dat een dergelijk soort temporaliteit sterk bijdraagt aan onze huidige staat van onzekerheid. Ze legt uit hoe ‘precariteit’ – een staat van zijn die gekenmerkt wordt door sterke afhankelijkheid en kwetsbaarheid – niet langer tot het rijk van de uitzondering behoort, maar eerder typerend is geworden voor ons huidige tijdperk. Ze benadrukt dat er in een precaire wereld geen garantie op de toekomst is. De voortdurende dreiging van het rampzalige wordt steeds alomtegenwoordiger.

Ook bioloog en filosoof Donna Haraway benadrukt hoe een groot deel van de mensheid weigert onze huidige precaire staat van zijn te erkennen. Geloven in een discours van progressie is volgens haar een vorm van wegkijken. Zowel financieel als sociaal wordt het straks onmogelijk om onze hoop op de toekomst te vestigen, maar we lijken dit zo lang mogelijk te willen ontkennen. In haar boek Staying with the Trouble verwijt Haraway ons huidige tijdperk een sterk gebrek aan verantwoordelijkheid. Ze legt de term verantwoordelijkheid uit als ‘response-ability’, wat ook verwijst naar ‘reactievermogen’. Ze legt uit hoe we niet langer kunnen instaan voor de gevolgen van onze acties; door onze versnelling verliezen we de controle en daarmee de verantwoordelijkheid. Dit resulteert volgens haar in een trieste industrie waaraan mens, dier en aarde slaafs worden onderworpen.

Om onszelf te bevrijden uit deze opvatting waarin overleven gelijk lijkt te staan aan groei, is het interessant om ons bestaan te herformuleren op een manier waarin de mens niet langer een centrale rol speelt. Om dit te doen moeten we op een grondige manier nadenken over de grenzen van onze sociale, culturele en economische begrippen, en over hoe we deze kunnen herformuleren zodat ze kunnen bijdragen aan nieuwe verhalen.

Zowel Haraway als Tsing pleit hierom voor een vorm van ‘living with’, ofwel, ‘leven mét’. Beiden doelen daarmee op een manier van leven die zich investeert in het nu en de onvoorspelbaarheid van dit heden omarmt. Deze manier van leven begint bij het gelijkstellen van alles wat zich op onze planeet begeeft. In haar boek Staying with the Trouble staat Haraway een vorm van denken voor die ze beschrijft als ‘tentaculair’. Tentaculariteit gaat wat haar betreft over een manier van denken die meer dan een kant op gaat en die niet per definitie op zichzelf voortbouwt. Vergelijk tentaculariteit met een boom die niet alleen boven de grond groeit in hoogte, maar juist ook onder de grond wortelschiet en zichzelf zo op een brede en gedifferentieerde manier fundeert in de voedingsbodem die zijn bestaan mogelijk maakt. Haraways simpele doch duidelijke oproep ‘make kin, not babies’ is in overeenstemming met het verwerpen van een toekomstgerichte samenleving om ons in plaats daarvan te engageren met meerdere verhalen die zich om ons heen afspelen en die allemaal een eigen logica – of in Haraways woorden: patroon – kennen. Haraways begrip van tentaculariteit is dus tegengesteld aan een vooruitgangsdenken waarin groei de enige logische richting is. Ook laat tentaculariteit ruimte over voor leven met verdriet en rouw in plaats van continuïteit en verbetering. Ze verwijst naar de ecologische filosoof Thom van Dooren om te benadrukken hoe 'rouw inherent is aan het cultiveren van reactievermogen’. Rouwen betekent dat we plaatsmaken voor de herinnering aan ons dode verleden en geconfronteerd worden met wat we verloren hebben. Door deze vorm van herinneren geven we de echo’s uit het verleden een kans om ons te vertragen. Verdriet biedt ons de mogelijkheid te begrijpen hoe ons leven gedeeld is met alles wat er om ons heen gebeurt. Mensen moeten rouwen, stelt Haraway, omdat dit ons onderdeel maakt van meerdere verhalen.

Haraways overtuiging over ‘staying with the trouble’ sluit aan bij Tsings gedachtegoed waarin ze pleit voor ‘living with damaged environments’. Ironisch genoeg spreekt Tsing geregeld over het conceptuele begrip besmetting. Ze stelt dat besmetting niet per definitie iets slechts hoeft te zijn, maar dat het ons vooral laat zien hoe sterk we zijn verbonden met de wereld om ons heen. Besmetting is om die reden ook onvermijdelijk, omdat verbintenis noodzakelijk is voor ons bestaan. Covid-19 vertelt ons dus op een pijnlijke manier dat wij niet alleen zijn op deze wereld. Waar we momenteel een virus vervloeken dat zich tegen de mens zou hebben gekeerd, helpt Tsings theorie ons inzien dat de wereld om ons heen juist in eenzelfde, namelijk onze, versnelling is geraakt. Waren wij het misschien die de aarde besmetten?

Nu kunnen we ons natuurlijk blijven verliezen in het aanklagen van het verderfelijke systeem dat onze huidige staat van zijn veroorzaakte, maar volgens Tsing moeten we vooral om ons heen kijken en zoeken naar potentie in deze ‘kapitalistische ruïnes’. Dat doen we allereerst door te erkennen dat wij niet anders zijn dan de wereld waarop en waarin we leven. Daarnaast is het belangrijk dat we onszelf toestaan de controle los te laten. Hierdoor treden we toe tot een ander soort tijdelijkheid, die wordt gekenmerkt door verrassing en heterogeniteit in plaats van vooruitgang en anticipatie. We moeten van suspense naar surprise. Ze verwijst naar antropoloog Marilyn Strathern die ‘schrik’ en ‘verbazing’ ziet als een mogelijkheid om voor lief genomen denkpatronen te doorbreken en nieuwe vormen van kennis toe te laten in ons denken over onszelf in de wereld. Leven met onzekerheid biedt ons dus ook nieuwe kansen en nieuwe richtingen en kan gezien worden als een manier om ‘dingen te vertragen’. Het dwingt ons om ons voorstellingsvermogen op te rekken en andere richtingen te onderzoeken – richtingen die niet per definitie ‘vooruit’ gaan. Door onze verkrampte blik op de horizon voorzichtig te verleggen kunnen we ons idee van toekomst opnieuw vormgeven en recht doen aan de wereld waarmee we ons omgeven – niet in de toekomst, maar nu.

De nieuwe manier van denken die door zowel Haraway als Tsing wordt bepleit, is er een waar we nog maar weinig bekend mee zijn. Hun theorieën bieden niet direct heldere antwoorden op vragen die nu urgent lijken, maar leren ons wel dat versnelling en groei ook gevaarlijk kunnen zijn. We lijken op zoek te zijn naar een pot goud aan het einde van de regenboog en in deze zoektocht trappen we alles wat op ons pad komt kapot. Door ons denken te structureren aan de hand van kortzichtige opposities zoals waar/niet waar en vooruit/achteruit volgen we een exclusief en gewelddadig regime waarbinnen vaak geen ruimte is voor andere verhalen en richtingen.

Wellicht stelt het heroverwegen van onze huidige omgang met de toekomst ons in staat om onszelf te bevrijden uit de stevige greep van een onvoorwaardelijk geloof in vooruitgang. Misschien krijgen we de kans om een keer verder (of juist dichterbij) te kijken dan een speculatieve toekomst van groei. Misschien kunnen we ons zelfs wenden tot het potentieel van het nu. Het moment is daar om ons te realiseren dat we onze tijd anders moeten organiseren en moeten kiezen voor een richting waarvan de essentie niet in de toekomst verborgen ligt.


Janniek Sinnige volgt een onderzoeksmaster cultural analysis aan de Universiteit van Amsterdam