Televisielezen: Kabouter Plop

Stopperdestopperdestop

Uit de Vlaamse tv-programma’s ‹Samson en Gert›, ‹Kabouter Plop› en ‹Big en Betsy› spreekt minachting voor kleuters.

Wij narcistische Nederlanders vinden ons land, onze cultuur zo interessant, dat we bijna vergeten dat we een buurland hebben dat alleen in de taal niet van ons verschilt. We wisselen kunst, literatuur en televisieprogramma’s uit zonder te beseffen dat Vlaanderen niet ons kleine tweelingbroertje is, maar een geadopteerde broer met heel andere genen, heel andere problemen dan de onze.

Dankzij Tom Lanoye blijven we op de hoogte van het verdriet van zijn land — een verdriet waarvan de bronnen worden aangewezen door Hugo Claus, Walter van den Broeck en tegenwoordig Erwin Mortier — maar Lanoye «verliteratuurt» het verdriet het minste en biedt ons ook politieke, sociale en culturele feiten. Verdriet, zeker in ontkende vorm, kan een voedingsbodem worden voor angst, en zoals wij het zien zijn de Belgen bevreesd voor twee totaal verschillende krachten: de duistere, ondergrondse seks- en mensenhandelnetwerken van Marc Dutroux, die ongemerkt zijn gang kon gaan, en de vurige eigen-volk-eerst-ideologie van de man die openlijk erkent de baas te willen worden: Filip Dewinter.

Dutroux is nog steeds niet berecht, Dewinter is still going strong. Wat moet België doen? Met een paar winterdikke mantels der liefde dek je hooguit de vrees en woede toe — daaronder kunnen ze zich met hoge snelheid voortplanten.

Nee, aan het troosten van de volwassenen valt geen eer te behalen. De nieuwe generatie moet worden opgevoed. Maar die luistert massaal naar het Vlaamse meidengroepje K3. Deze drie nihilistische wentelteefjes zijn in alles het tegendeel van bijvoorbeeld Destiny’s Child en andere zangclubjes die de seksuele emancipatie als voltooid beschouwen. Schokkend van het réveil van oma’s truttenethos dat de montere bakvissen bezingen, is dat het geschreven is door mannelijke tekstschrijvers. Het herenkwartet dat Nederlandssprekend België en dus en passant ook Nederland zelf wil terugvoeren in een staat van paradijselijke infantiliteit, boert geweldig. Hun producten: Samson en Gert, Kabouter Plop en Big en Betsy. De namen van dit vertruttingsmonster en voorhoede van een grote burgerlijke terreurbeweging: Danny Verbiest, Gert Verhulst, Walter den Donder en Hans Bourlon.

Het fenomeen Samson en Gert heb ik leren kennen ruim voordat ik zelf moeder werd, bij mensen die zich al wel met succes hadden voortgeplant. Toen hun dochter ruim twee jaar oud was, klaagde de vader dat hij met haar naar de grote Samson en Gert-show moest. Het verbaasde mij. Het is in deze tijd heel wel voorstelbaar dat een zeven- of achtjarige zijn ouders op sleeptouw neemt naar laten we zeggen een pretpark, een film of een voorstelling. Kinderen op de basisschool fokken elkaar op, precies zoals reclamemakers dat graag zien. Ouders kunnen hun best doen om computerspelletjes buiten de deur te houden; zodra kindlief bij welgestelde vriendjes gaat spelen, komt hij toch met Tombraider en Armageddon in aanraking. Het jongetje zonder Nikes en het meisje zonder BabyBorn-pop zullen huilen tot ze erbij neervallen; alleen het felbegeerde artikel is een toegangsbewijs tot de peergroup, en ouders die van hun verstotene weer een geliefde klasgenoot willen maken, doen er dus «goed» aan op hoogtijdagen hun principes door de vingers te zien. Het mensje gaat immers voor de mening.

Maar dat een kind van twee al naar Samson en Gert moet, dat kan echt niet waar zijn. Op een kinderdagverblijf wordt nog niet aan ledenwerving via bezit gedaan — peuters leven tamelijk langs elkaar heen en weten daarbij nog niet wat wel en wat niet «vetgaaf» is. Er kan maar één schuldige zijn in het drama van de vader die zijn dochter moest begeleiden naar de show van hond en herder: de moeder.

Gert Verhulst is de man van wie vrouwen met een licht vervettende, te hard werkende, dodelijk saaie echtgenoot dromen. Gert is slank en heeft donkere krullen. Hij draagt een net overhemd in een kleurtje, maar daaronder een strakke spijkerbroek waarin ’s mans bips gezien mag worden. Gert staat met veel plezier in de keuken en «vadert» heel aardig over het domme volk dat bij hem over de vloer komt: een handvol imbeciele Belgen die plannen hebben om, zomaar een voorbeeld, bij Gert in de woonkamer te kamperen omdat kamperen «leuk» is, maar het buiten regent. Hij gaat pas moraliseren als de heren het te bont maken en hun natte wasgoed in de kamer ophangen. Dat moraliseren gebeurt niet altijd direct. Gert is in het bezit van een langharige hond (de verwijzing naar de bijbelse Samson is begrepen) die op alles wat er gezegd wordt reageert met het recapituleren van de zin, en dat gaat ongeveer zo:

Gert: «Ik zeg: we zullen de titulatuur van de burgemeester in ere houden.»

Samson: «Ah zo! We brullen de literatuur van de wurgende beesten in ’t berekoude!»

Gert: «O, jij malle hond, ik zeg: we moeten hem wel fijntjes blijven aanspreken.»

Samson: «Jaja, we wroeten in kwelpijntjes en schrijven baanbrekend.»

Voor scenaristen moet het heerlijk zijn om Samsons tekstjes te schrijven, voor de kijkertjes lijkt me er weinig lolligs aan, temeer daar de echte Samson weinig zinnigs te melden krijgt, maar verhaspelt om te verhaspelen. Gert leert kinderen die dat allang kunnen nog eens goed spreken en hij vertelt zijn huisdier hoe anderen zich behoren te gedragen, opdat niet de indruk wordt gewekt dat de bom vol etiquette en aftandse ethiek rechtstreeks de huiskamer komt binnenvliegen — hij zeilt eerst nog even langs de kop van het onsnuggere dier en dumpt daar het ergste geschut.

Samson en Gert zingen ook nog liedjes, door clipjes omlijst. Alweer leert de jeugd dat de wereld mooi is maar verder niks. Wie man en hond hoort kwelen, kan alleen maar denken dat een wreedaard erop uit is geweest de melodieën van Harry Bannink en Joop Stokkermans voorgoed ontoegankelijk te maken. De rijm gaat niet verder dan «hou van jou, voor altijd trouw» «voel, bedoel» «beest, feest», de muziek gaat van boink, boink tralala, en een paar spichtige meisjes aerobicen er wat pasjes bij en blèren het refreintje mee.

Toen ik zelf met kind geschopt bleek, moest ik ze wel tegenkomen — want de clipjes zitten overal tussengemoffeld. Ik ergerde me vooral aan de ook daarin weer figurerende burgemeester; een idioot met rollende ogen en een ongecoördineerde motoriek, die je nooit in levende lijve hoopt te ontmoeten.

Laat deze creep nu ook zijn geïncarneerd in de minstens zo afschuwelijke Kabouter Plop! In deze rol gedraagt «acteur» Walter den Donder zich aanmerkelijk kalmer. Sterker nog, als Plop is hij Zen zelve. Hij leidt een lullig verhaaltje in dat het tabula rasaatje thuis voor de buis later ook nog een keer te zien krijgt, en besluit ermee dat het weer een groot avontuur was. Maar ja, wat doet het ertoe, relativeert Den Donder zijn eigen product: «Ik zeg maar zo: Plopperdeplopperdeplop.»

Plop heeft een speelfilm gemaakt en een tophit met clip gehad (Lalala, met de onvergetelijke minimale poëzie: «Het is fijn, het is fijn, een kaboutertje te zijn!» — alles op een computergestuurde housebeat die het ook voor de oudere partycracks tot een campy of space pillendansje maakt). In België is er al een Plopsa-land uit de grond gestampt, dus kijk niet gek op als uw kind volgend jaar zomer weet waar de vakantie gevierd moet worden.

In Vlaanderen worden kinderen niet dom gehouden, maar dom gemaakt. Wie de laatste Samson en Gert-cd koopt, krijgt er een inlegvelletje bij met de fijne mededeling dat er ook een video is van het bezoek dat K3 aan man en hond heeft gebracht, want de vaders moeten ook te vriend worden gehouden. En voor kleine meisjes die Samson en Gert te jongensachtig vinden, is er tegenwoordig het programma Big en Betsy; een vrijgevochten boerinnetje met haar tot op de heupen leeft samen met een op een truitje na naakte Big. Een beestje dat voor de verandering wel een fatsoenlijke zin uit zijn strotje krijgt, maar steeds ferme scheten laat die «wiendjes» worden genoemd. (Betsy: «Oewat zeg je dan als je wiendjes laat?», Big: «Sorrydeknorrie, Betsy». Ja, ook Betsy brengt wellevendheid bij.)

De gezellige boerderij grenst aan het burgerlijke huishouden van moeder en zoon-op-leeftijd Pruim. Eerstgenoemde kan haar buren niet uitstaan, laatstgenoemde zou wel iets met Betsy willen, maar is reeds gecastreerd door een overbezorgde, aan smetvrees lijdende mama. Verder duikt er regelmatig een politieagent op die vreet en snurkt en in actie komt met de strijdkreet «Retteketet, in naam der wet!»

Nu snappen we meteen waarom er «destijds» zoveel mis heeft kunnen gaan. En je begrijpt de Vlaams Blok-kiezer meteen als je de kleuterkeuter ziet die zijn koeien, zijn noeste arbeid, met plezier in de steek laat om een schommeltje te bouwen voor de blanke big met zijn shockerende flatulentie.

Achter alledrie de kinderprogramma’s en liedjes en clips zitten Verhulst, Bourlon, Den Donder en Verbiest (Samson). De gevaarlijkste van deze vier is Den Donder. Let op: de onschuldige Verhulst kijkt hem verliefd, ja haast gedrogeerd aan, want reken maar dat de zedenprekers zelf gewoon de herenliefde zijn toegedaan. Niet erg natuurlijk. Maar maak daar dan een serie over, zou je denken, dan help je peuters die toevallig twee papa’s hebben, of twee mama’s. Je doet aan een «stukje voorlichting» en voorkomt dat homo’s anno 2016 worstelen met de kastdeur. Maar nee. Gert, de burgemeester en kabouter Plop zweren dat ze op wijfjes vallen, zoals ze ook zweren dat de nieuwe generatie is gebaat bij humorloze, gauw in elkaar geflanste flauwekul met de boodschap «Tierelierela, Plopperdeplop, niet met je handen eten, niet lui zijn, niet te gek doen en op tijd naar bed».

Voor een Melkertbaan moet je nog slimmer zijn dan voor een rol in Den Donders amateurtoneel. Bleef het daar maar bij. De gespleten puntmuts op Plops kop (de tong van een slang?), het gespleten karakter van Den Donder zelf (een zieke burgemeester en een heilige oude kabouter), opgeteld bij het feit dat hoofdpersonen Gert en Betsy zichzelf hebben afgesplitst in een dom dier dat ze hun inzichtjes kunnen opdringen, nee, moeten opdringen omdat hun huishouden anders ten ondergaat, alsmede de gespletenheid die zich openbaart in onschuldige programmaatjes enerzijds en gewiekste marketing anderzijds — al die vormen van dubbeltongigheid bewijzen dat het hier gaat om een organisatie die niets minders wenst dan de spoeling van hersens in aanleg.

De vader die door zijn dochter werd meegetroond, hielp direct mee aan het op de troon zetten van koning Minachting. Want met hun «cultuuruitingen» hopen Den Donder c.s. de cultuur om zeep te brengen, zoveel is inmiddels duidelijk. Ze willen niet dat er op artistieke, intelligente wijze stem wordt gegeven aan de zorgen van een land in onzekerheid, en daarom geven ze de tevreden gemakzucht een oorverdovende stem met drummachine-echo. Jas er wat basisgedragscodes, wat normpjes en waardetjes doorheen en je hebt je best gedaan.

Dat het ontwikkelen van een zintuig voor het ware en het goede begint met het opwekken van de gevoeligheid voor het schone, en dat juist kinderen recht hebben op esthetische kwaliteit, dat interesseert de Plopfabriek niet. Zo help je jaargangen van onschuldige programma’s genietende peuters en kleuters naar de donder. Ik zeg maar zo: stopperdestopperdestop.