Project Antarctica

Storingsrapport

Vandaag start de derde en laatste ronde van Project Antarctica met een kort verhaal van David Mitchell. Klimaatfictie van De Groene Amsterdammer, over Antarctica nadat de poolkappen gesmolten zijn.

Een flauwe grap of een radarecho? Een op hol geslagen Turing-AI? Een maas in de wetten van de fysica? Ik weet het niet. Misschien dat er, als ik gewoon vertel wat er gebeurd is, een antwoord boven komt drijven.

Tien dagen geleden, op 11 juni 2223, ontstond er boven Groot-Antarctica een reusachtige elektromagnetische wervelstorm. Niets wijst erop dat die binnenkort zal luwen. Volgens het Code Rood-protocol is de stroomvoorziening overgeschakeld op het in stand houden van de meest essentiële systemen. Met inbegrip van ComHub, waar de ingenieurs Hu, Hathaway en ikzelf, hoofdingenieur Miyuki de Zoet, zich bij toerbeurt hebben ingespannen om het communicatienetwerk in heel Antarctica in bedrijf te houden. Ondanks de zware omstandigheden heeft mijn team een operationele integriteit weten te handhaven van gemiddeld 66 procent in Humboldt City en 43 procent in de andere nederzettingen…

Dat wil zeggen tot een half uur geleden. Om 00.28 uur haalde ik data binnen via de back-upcommunicatiesystemen van New Inuvik. Om 00.29 vond er in ComHub HQ een krachtige blikseminslag plaats. Ons gebouw is zo ontworpen dat het bestand is tegen inslagen tot aan een miljard volt, maar deze bliksemschicht heeft die grens blijkbaar overschreden. Alle netwerken – nano-wave, EMW en zelfs onze ouderwetse radiosystemen – crashten. De republiek Antarctica zat zonder centraal zenuwstelsel.

Hier, op de derde verdieping, was mijn werkcocon ineens gehuld in volkomen duisternis. Ik deed mijn solarlamp aan. Door het raam zag ik dat het in ons hele blok donker was. Verderop in Humboldt deed het licht het ondanks de storm nog altijd, dus ik wist dat de GridSys AI’s de schade beperkt hadden gehouden. Net toen ik van plan was om Hu en Hathaway wakker te maken om te kijken of we het systeem misschien helemaal opnieuw moesten opstarten, verscheen er vreemd genoeg ineens sneeuw op het scherm van mijn vidvu. Een paar tellen later verdween de sneeuw en verscheen er een jonge blanke man in beeld. Hij had lang haar en een lange baard, en zijn wijze van kleden stamde beslist van voor de Verduistering. Ook stond de ruimte waarin hij zich bevond vol boeken, hing er een klok aan de muur en lagen er her en der spullen uit een voorbije tijd. Het zonlicht dat door zijn open raam naar binnen viel sprak van een veel lagere breedtegraad en een veel warmer klimaat dan dat van Humboldt of Upper McMurdo. Ik hoorde harpmuziek in zijn kamer. De man zag er verward uit. Hij zei: ‘Jij bent Jade niet.’ Hij sprak Engels met een eigenaardig ouderwets accent.

Dat klopte: ik was Jade niet. Ik gaf hem mijn naam en functie en vroeg naar de zijne. Hij rolde met zijn ogen. ‘Ik ben Bram. Dat verrekte Apple. Sinds ik het besturingssysteem heb geüpdatet is FaceTime volkomen de kluts kwijt.’

De transcriptor en ik hadden moeite met zijn woordgebruik. Appels? FaceTime? Een kluts? Ik vroeg waarom hij op HubCom kwam nu Code Rood van kracht was.
Bram kneep zijn ogen niet begrijpend tot spleetjes. ‘“Code Rood”? Hoezo?’

‘Vanwege een magnetische storm van zo’n duizend mijl doorsnee’, antwoordde ik.
Hij leunde achterover en keek door het raam naar buiten, naar de blauwe lucht. ‘Waar zit jij dan te FaceTimen?’
Ik zei dat ik in Humboldt City op Antarctica zat.

Bram kneep zijn ogen achterdochtig samen en begon toen te lachen. ‘Hier zit Niels achter, hè? Hij wil me terugpakken vanwege dat geintje met die dildo.’
Hij was overgegaan op een taal die ik niet kende. De transcriptor stelde vast dat het om Nederlands ging, een Europese taal van voor de Smelttijd, toevalligerwijs ook de moedertaal van mijn twintigste-eeuwse voorvaderen. Ik verzekerde Bram dat ik geen ‘Niels’ kende en vroeg waarom hij op een dode taal was overgegaan.

Mijn vraag leek hem te irriteren. ‘“Dode taal”? Jij bent óf een Engelsman óf een Amerikaan. Alleen dat soort gasten kunnen met zo’n stomme vraag aankomen.’
Ik zei dat ik op Antarctica was geboren en getogen.
‘Heel bijzonder’, zei Bram. ‘Ik kom zelf trouwens van Mars.’
Ik wees op het feit dat de hemel buiten het raam blauw was, en niet stoffig rood, en vroeg waarom hij loog.
Hij keek me geërgerd aan. ‘Nog nooit van sarcasme gehoord?’

Mijn aanvankelijke verwarring over Brams voorkomen maakte nu plaats voor bezorgdheid. Hij had toegang tot een nanowave vidvu, wat erop wees dat hij vanaf een Ark sprak, alleen was er niets aan Bram wat me het idee gaf dat hij een officiële status had. Als hij een hacker was, moest de leiding van zijn Ark dat weten. Erger nog, als de leiding van een Ark werd overspoeld door allerlei Brammen, moest onze overheid dat weten. Ik vroeg Bram vanaf welke Ark hij vidvude: Chiloé? Hobart? Rakiura?
‘Ik weet van geen “Ark”, ik zit in Amsterdam. FaceTime jij me echt vanaf Antarctica?’

Het duizelde me. Amsterdam? Zoals elke student antediluviaanse geschiedenis weet was Amsterdam een Nederlandse stad, die tijdens de Grote Overstromingen van de jaren veertig van de eenentwintigste eeuw ten onder was gegaan. Ik heb virtuele rondleidingen door de stad gevolgd. Zou Brams Amsterdam een wijk in een Ark kunnen zijn?

‘Hoor je me nog?’ vroeg Bram. ‘Je bent stilgevallen.’
‘Ja’, zei ik, ‘ik zit echt op Antarctica.’ Ik liep met de vidvu naar het raam. ‘Dit is Humboldt City. Hier woon ik.’ Ik liet hem het uitzicht zien: de lichtgevende huizenblokken, de labradorietkleurige hemel die door bliksemschichten werd doorkliefd zonder dat het regende, een magneetzweefambulance die over het plein beneden scheerde.
‘Leuk geprobeerd, maar op Antarctica zijn geen steden’, zei Bram. ‘Waar zit je echt? In Irkoetsk? In Anchorage? In Sapporo?’

Nu begreep ik er helemaal niets meer van. Welke Arkbewoner zou niet weten dat Humboldt en McMurdo twee van de grootste stedelijke agglomeraties ter wereld zijn? Ik vroeg Bram of hij mij het uitzicht uit zijn raam kon laten zien.

‘O-ké’, zei hij, als een personage in een historische narraflick, en hij liep met zijn vidvu naar het raam. Ik wist niet wat ik zag. Ik zag straten waar mensen in T-shirt rondliepen. Ouderwetse winkels, zoals je die in stokoude films ziet. Mensen op ouderwetse fietsen. Mensen die hun hond uitlieten. Langs ratelende trams. Auto’s met een verbrandingsmotor. Boten die door een bocht in een gracht voeren. Hoge, smalle huizen met spitse gevels. Bruggen. Een carillon dat begon te luiden en vogels deed opvliegen. Bomen langs de gracht. Bomen met bladeren die bewogen in een briesje. Mijn verstand zei me dat dit een simulatie moest zijn, maar mijn ogen hielden vol dat dit een echte stad was uit de oude wereld van voor de Vloed, en geen gepixeleerde animatie. Daarvoor was alles te gedetailleerd, tot en met de zachtpaarse glans op de borst van de duiven. Ook zag ik geen Ark-nederzetting die met Antarctische hulp was gebouwd. Daarvoor waren de oude gebouwen te oud. En ook was het geen half gerestaureerde puinhoop uit de Woestenij. Dit was een levende, functionerende stad die even echt was als Humboldt. Maar zulke steden bestonden niet. Hij moest dus wel nep zijn.

‘Het is prachtig’, zei ik voorzichtig.
‘Nou, probeer hier maar eens wat te huren. Hopeloos. De vloek van Airbnb.’

Terwijl de transcriptie worstelde met Brams taal, rezen er vraagtekens, of liever gezegd, twijfels in mij op. Het was een absurd idee, maar de snelste manier om die kwijt te raken was Bram te vragen welke datum het vandaag was.

‘Eenentwintig juni. Hoezo? Wat is het dan daar bij…’
‘Nee, Bram. Het gaat me om het jaar. Welk jáár is het?’
‘Het jaar?’
‘Ja, het jaar. Welk jaar is het?’
‘Twintig-twintig, maar wat heeft dat te maken met…’

Mijn vidvu sprong weer terug naar sneeuw. Amsterdam, of de stad nu echt was of nep, was verdwenen. Bram, wie hij ook geweest was, was verdwenen. Een paar tellen later had mijn werkcocon weer stroom. Net als ComHub en de rest van het blok. Het onverwachte licht verblindde me. Mijn vidvu vertoonde data over de back-upcommunicatiesystemen in New Inuvik. Trillend controleerde ik het transcript… en vond Brams laatste, afgebroken zin. De file liet er geen misverstand over bestaan: hij had als jaar ‘2020’ genoemd. Iets meer dan twee eeuwen geleden.

Hoe moet ik deze onregelmatigheid verklaren?

Om eerlijk te zijn, ik weet het niet. Dat neemt niet weg dat ik de schoonheid van de wereld waar ik even een glimp van heb gezien niet kan vergeten. De bomen. Het licht. Het trage, ontspannen leven. Hoe kon het dat onze voorvaderen van vóór de Smelttijd medeschuldig waren aan het verdwijnen van zo’n wonderschone wereld? Hoe hebben ze zo stom kunnen zijn?

Hiermee rond ik mijn rapport af.


Vertaling door Harm Damsma en Niek Miedema

Deze zomer verschijnt de nieuwe roman van David Mitchell getiteld Utopia Avenue, a.s. september in vertaling bij Uitgeverij Meulenhoff
Lees meer klimaatfictie op project-antarctica.nl