Storm

De irritaties tussen PvdA en VVD, ingegeven door het stemgedrag in de Eerste Kamer, lijken aan te tonen dat de coalitie is uitgeregeerd. Of is het ergste achter de rug en kan het kabinet nu in alle rust gaan oogsten?

De stilte in het eerste deel van het kerstreces van de Tweede Kamer was oorverdovend vergeleken bij de storm die eraan vooraf ging. Het zal een stilte zijn tussen twee stormen in. Daar waar de crisis in de week voor de kerstvakantie over het wegstemmen in de Senaat van de nieuwe zorgwet onvoorzien was, gebruiken de politici het huidige reces om zich op te maken voor een storm die ze aan zien komen. Dat wil niet zeggen dat ze de kracht van die storm kennen. Of weten wanneer die weer gaat liggen. Juist daarom willen ze het reces dat nog tot komende dinsdag duurt zo goed mogelijk benutten om op krachten te komen.

Die nieuwe storm heeft alles te maken met de Provinciale-Statenverkiezingen van maart. Die kunnen de samenstelling van de Eerste Kamer wel eens dusdanig wijzigen dat regeren met de gedoogsteun van de constructieve oppositiepartijen op z’n zachtst gezegd lastig wordt. Of dat zal leiden tot vervroegde landelijke verkiezingen? De een hoopt het, de ander vreest het.

Maar dat de Provinciale-Statenverkiezingen meer dan ooit eigenlijk landelijke verkiezingen zijn, ontkent niemand. Minister-president Mark Rutte heeft zelfs al aangekondigd om voor zijn partij, de vvd, politieke debatten te zullen voeren met collega-partijleiders. Bij ‘gewone’ Statenverkiezingen zou hij dat niet hebben gedaan, juist om te vermijden dat het verkapte landelijke verkiezingen worden. Die schijn gaat Rutte deze keer echter niet meer ophouden. Daarvoor staat er te veel op het spel voor zijn kabinet en voor hemzelf.

De politieke crisis rond de zorgwet, geconcentreerd rond het recht op vrije artsenkeuze, werd op de laatste donderdag voordat de Tweede-Kamerleden op reces gingen bezworen. Althans, voor dat moment. Daar waren heel wat praatsessies en veel pendelen van pvda-minister en crisismanager Lodewijk Asscher voor nodig. Maar uiteindelijk dreigde vvd-minister Edith Schippers van Volksgezondheid – al was dat steeds binnenskamers geweest – niet meer om op te stappen als de wet niet met ingang van het nieuwe jaar van kracht werd, wat geleid zou hebben tot de val van het kabinet.

Hoe groot de vertrouwensschade is binnen de coalitie van vvd en pvda door het gedrag van de drie pvda-senatoren die tegen de wet stemden, zal moeten blijken. Discussies of de drie tegen hadden mogen stemmen gezien de rol van de Eerste Kamer in het Nederlandse parlementaire stelsel doen daar niet veel aan af of bij. De ergernis over het gedrag van de pvda-senatoren Adri Duivesteijn, Marijke Linthorst en Guusje ter Horst laat zich voor menige vvd’er niet wegredeneren met theoretische betogen over de vraag of de nee-stem wel over de techniek van de zorgwet ging, hetgeen in lijn is met de rol van de Eerste Kamer, dan wel politiek gemotiveerd was, wat niet bij de rol van de Senaat zou passen. De liberalen waren gewoon kwaad over wat zij zien als de zoveelste keer dat de pvda haar beloftes niet nakomt.

De zorgwetcrisis heeft bijgedragen aan de voortwoekerende betonrot binnen de coalitie. Betonrot is overigens een normaal verschijnsel binnen coalities, de ene keer slaat ze echter sneller toe dan de andere. Ze is de grootste bedreiging voor het voortbestaan van een kabinet. Daar kan goed oppositie voeren niet tegenop.

De acute crisis werd dan weliswaar bezworen, de zorgwet kan voor nieuwe problemen zorgen. Minister Schippers gaat de wet met enige aanpassingen binnenkort opnieuw indienen. Ten eerste is er de vraag of de drie pvda-senatoren met die aanpassingen genoegen nemen om een tweede keer alsnog voor te stemmen. Daar hebben ze geen uitsluitsel over willen geven. Vooraf garanties geven vinden ze niet passen bij hun rol als senator. Hetgeen theoretisch klopt, omdat de Eerste-Kamerfracties van de coalitiepartijen ook vooraf niet hebben ingestemd met het coalitieakkoord.

De noodoplossing die het kabinet voor ogen heeft voor het geval de drie toch weer tegen stemmen, zal echter ook tot problemen leiden. Zo heeft de ChristenUnie, een van de drie constructieve oppositiepartijen, laten weten tegen de nieuwe wet te zullen stemmen als het kabinet de vrije artsenkeuze bij Algemene Maatregel van Bestuur (amvb) zal gaan regelen als de wet het niet haalt.

VVD en PvdA hebben dringend behoefte aan een beter imago

Principieel is die opstelling juist. Een amvb is niet bedoeld om een politiek doel buiten een wet om te regelen, maar juist om te regelen dat een aangenomen wet goed kan worden uitgevoerd. Ook de voorzitter van de Senaat, Ankie Broekers-Knol van de vvd, vindt de amvb-weg die het kabinet wil bewandelen als de herziene zorgwet het niet haalt ongrondwettig. Het ironische is echter dat als het kabinet zich niks van het dreigement van de CU aantrekt de route van de amvb door de tegenstem van de CU juist dichterbij komt.

Het wegstemmen van de zorgwet was niet het enige waar het kabinet aan het eind van 2014 mee te maken kreeg. Twee vvd-ministers lieten kort voor het nieuwe jaar weten de nieuwe wet op de topsalarissen voorlopig niet te zullen uitvoeren. Te weinig tijd, vinden ze. Het leek verdacht veel op het terugpesten van de pvda, want van wetten die je ziet aankomen, kun je de uitvoering vooraf in gang zetten. Dat van het terugpesten geldt ook voor het traineren, mede door de vvd, van het verder beperken van de bonussen voor bankdirecteuren.

Door deze eindejaarsverrassingen lijkt het of dit kabinet weinig voor elkaar krijgt. Dat is gezichtsbedrog. Meer dan menig ander kabinet heeft de coalitie van vvd en pvda zaken veranderd, hervormd of op de schop genomen. Het beperken van de hypotheekrenteaftrek, de participatiewet waardoor mindervaliden banen moeten krijgen bij gewone werkgevers en het overdragen van de verantwoordelijkheid aan gemeenten van de zorg aan ouderen, aan zieken die thuis verpleegd en verzorgd moeten worden en aan jeugdigen die hulp nodig hebben, springen daarbij het meest in het oog.

Vooral door de decentralisatie naar de gemeenten via de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (wmo) is het kabinet kwetsbaar. Voor elke oudere die geen zorg krijgt, voor elke als oneerlijk aangevoelde vergelijking tussen gelijke zorggevallen in verschillende gemeenten en voor elke jeugdige die ernstig ontspoort, zal het kabinet op het matje worden geroepen. Dat is ook de grote angst van de coalitiepartijen. Er niks meer over te zeggen hebben en er toch verantwoording voor moeten afleggen.

Dat bergt twee gevaren in zich, waartussen het moeilijk kiezen zal zijn. Het ene gevaar is het nog verder in de politiek teleurgesteld raken van de kiezer, omdat die het als afschuifgedrag zal beschouwen als het kabinet zegt niet over het aangekaarte probleem te gaan. Met als mogelijk ander gevaar dat het kabinet, om die teleurstelling te voorkomen, toch weer met een algemeen regeltje hier en een algemene uitzonderingsclausule daar komt, waardoor de eigen doelstelling van maatwerk uit zicht raakt.

Maar stel dat de wmo gaat werken zoals het kabinet voor ogen heeft. Dat de wet aansluit bij de participatiesamenleving die er volgens minister-president Rutte feitelijk al is. Dat de wet er inderdaad voor zorgt dat niet langer twintig hulpverleners rondom een jeugdige langs elkaar heen werken, maar juist gaan samenwerken. Dan nog is de kans groot dat dit succes niet voor de Statenverkiezingen zichtbaar is en zal afstralen op het kabinet. Daarvoor is 18 maart eigenlijk te vroeg.

vvd en pvda kunnen er dan nog niet mee pronken, terwijl ze dringend behoefte hebben aan een beter imago. Het oude jaar hebben de twee coalitiepartijen afgesloten met belabberde peilingen, variërend van een verlies van zetels in de Tweede Kamer van samen een dikke dertig tot een kleine vijftig, afhankelijk van de instantie die peilt. Van minder zou je al zenuwachtig worden. Het verklaart waarom Rutte als vvd-leider zelf aan de bak wil tijdens de komende verkiezingscampagne.

Is de kiezer uitgekeken op Rutte en Samsom? Heeft hij meer vertrouwen in D66-partijleider Pechtold?

Ook pvda-leider Diederik Samsom zal zich in de strijd moeten werpen. Het bezweren van de zorgcrisis liet hij over aan vice-premier Asscher, de campagne zal hij zelf moeten doen. Elke verdere speculatie dat zijn gezag tanende is, zal Samsom moeten proberen te voorkomen. Als Samsom zou sneuvelen, sneuvelt een van de grondleggers van het kabinet en de bondgenoot van Rutte. Daarmee zou het voortbestaan van het kabinet in het geding zijn. Het idee dat partijgenoot Asscher de boel dan naadloos zou kunnen overnemen, is niet reëel.

De magische kracht die Asscher wordt toegedicht bij het erbovenop helpen van de pvda is overigens wel bijzonder. Het werpt een licht op hoe belangrijk personen zijn voor de kiezer en ook op hoe snel die op personen uitgekeken kan raken. Want het is nog maar een goede twee jaar geleden dat het juist Samsom was die de pvda vanuit een verloren lijkende positie terugbracht naar die van tweede partij in de Tweede Kamer. Dat de kiezer vooral het beleid afwijst dat de pvda nu samen met de liberalen voert, lijkt dan ook niet waar. Want kroonprins Asscher is net zo verantwoordelijk voor dat beleid als Samsom.

Dat niet alleen Samsom maar ook Rutte door de kiezer zou worden afgerekend op het gevoerde beleid strookt ook niet met de virtuele winst waarmee d66 het oude jaar afsloot. Ook die winst is afhankelijk van het instituut dat peilt, maar d66 zou de grootste of één na grootste partij kunnen zijn geworden als er in december verkiezingen waren gehouden. Het opmerkelijke daaraan is dat d66 alle grote ingrepen van dit kabinet steunt en liefst nog verder had willen gaan in het zelf verantwoordelijk maken van de burger voor allerlei ongemak in het leven. Is de kiezer uitgekeken op Rutte en Samsom? Heeft hij meer vertrouwen in d66-partijleider Alexander Pechtold? In beide gevallen is de kiezer in ieder geval niet rationeel.

Als de coalitiepartijen na de Statenverkiezingen en de daaraan verbonden Eerste-Kamerverkiezingen veel zetels verliezen in de Senaat is het de vraag of de constructieve drie genoeg zetels hebben om dat verlies te compenseren. Met de daaraan verbonden belangrijke vraag of ze zich dan nog zo constructief willen opstellen en wat ze voor hun eventuele steun willen terugkrijgen.

Al geruime tijd gaat op het Binnenhof het verhaal dat het kabinet eigenlijk uitgeregeerd is, ook al zou het niet vallen. Vanuit de coalitie wordt daar een ander verhaal tegenover gezet. Dat verhaal luidt als volgt. Het is ook bij gewone kabinetten, zij die wél kunnen bogen op zowel een meerderheid in de Tweede als in de Eerste Kamer, gebruikelijk dat in de eerste twee jaar wetgeving op poten wordt gezet. In het derde jaar moet die in de praktijk worden uitgevoerd. Het vierde en laatste jaar is dan het oogstjaar.

Dit kabinet, ongewoon vanwege het ontbreken van een meerderheid in de Senaat, heeft de eerste twee jaar gedaan wat andere kabinetten ook altijd proberen. Zelfs meer, als het om de impact van de veranderingen gaat. Het verhaal gaat verder met het uitspreken van de verwachting dat vvd en pvda de resterende kabinetsperiode de constructieve drie, d66, CU en sgp, in de Eerste Kamer niet meer voor grootse en meeslepende nieuwe wetgeving nodig hebben.

In deze variant kan Rutte dan gaan doen wat hij aan het begin van de kabinetsperiode een keer opperde: dan eens steunen op die fracties, dan eens op deze. Alleen maar nee zeggen, kunnen die fracties niet, omdat dat afbreuk zou kunnen doen aan waar ze zelf voor zeggen te staan. Althans, daar gokken vvd en pvda op.

Het is fascinerend wensdenken. Misschien wordt het werkelijkheid en valt de komende storm daardoor mee. Dat weet je nooit aan het begin van het nieuwe jaar.