Stotteren loont

Wat is het toch met die stotterende koning, met die doodsaaie Oscar-winnaar The King’s Speech? In een sterk jaar waarin films als Christopher Nolans fantastische Inception, dat vier mindere, technische Oscars kreeg, de grens tussen ‘artistieke film’ en ‘publieksfilm’ deden vervagen, werd het melodramatische The King’s Speech met vier belangrijke Oscars bekroond, onder meer die voor beste film, beste regisseur (Tom Hooper) en beste hoofdrolspeler (Colin Firth). De Londense burgemeester Boris Johnson denkt het geheim van het werk te weten: in barre tijden willen mensen een ondubbelzinnige, gedroomde leider.

In The Daily Telegraph schrijft hij: ‘Hij (George VI) is de Koning en tijdens de uitbraak van een verschrikkelijke oorlog is hij als enige ertoe in staat de dromen en angsten van het volk te belichamen.’ Republikeinen hebben dus geen enkele kans, zegt Johnson. Hoe irrationeel en verbijsterend het ook is, gewone mensen respecteren nu eenmaal het idee van de erfelijke opvolging. Ze vallen er ‘spontaan’ voor. Toegegeven, dat is eigenlijk ‘ondemocratisch’, maar deze vorm van ‘bijgeloof en prehistorische hunkering’ zit diep in de mens. Johnson: ‘Daarom is het dualisme in het Britse systeem zo slim en effectief; de koningen en koninginnen worden niet meer opgeroepen om iets te doen, maar gewoon om te zijn.’

Dat lege symbolisme is klip en klaar in The King’s Speech, een film over een man die zo zacht als boter lijkt, zonder enige inhoud, maar die hoeft hij ook niet te hebben, want zijn functie is bieden van een beeld dat uit lucht bestaat. Letterlijk, want de oratie die hij eindelijk zonder stotteren uitspreekt, bereikt het volk via onzichtbare radiogolven. Een man van vlees en bloed hoeft hij niet te zijn; hij hoeft niet zoals Henry V naar Agincourt te gaan om de manschappen op het veld, in het echt, toe te spreken. Hij kan knus achter een microfoon blijven. Inderdaad, inertie, een stotterende, falende man die iets moet zijn dat hij nooit kan zijn, namelijk een Henry V, een echte leider in het echte leven. Daarom is het eigenlijk ook gepast dat de zachte Colin Firth de Oscar voor beste acteur voor zijn rol als George VI kreeg.

Recht tegenover de ook in het echt tamelijk slap ogende Firth stond aan het begin van de Oscar-avond op het podium opeens een man van ijzer: Spartacus. In levenden lijve. 95 jaar oud, ook met een spraakgebrek, het gevolg van een herseninfarct jaren geleden, maar anders dan Firth een man met geen grammetje vet en geen enkele onzekerheid over hoe te praten of wat te zeggen: Kirk Douglas. Douglas, beroemd door zijn rol in Stanley Kubricks film over rebellenleider Spartacus, werd in zijn leven drie keer genomineerd voor beste acteur, maar kreeg de prijs nooit. Dat hoeft eigenlijk ook niet; Douglas is te groot voor een Oscar. Met zijn loopstok en bevende handen en glad gekamde haar was hij wel de enige, echte grote ster van de avond.

Nog een leider ging met lege handen naar huis: Rooster Cogburn (Jeff Bridges), hoofdpersonage in Joel en Ethan Coens meesterlijke, voor tien Oscars genomineerde western True Grit, naar de roman van Charles Portis. In het verhaal is Cogburn geen symbolische leider voor het volk, maar een held die niet anders kan dan juist en rechtvaardig en waardig te handelen. Dat komt doordat de zuipende sheriff een wereld of maatschappij zonder deze waarden niet zou kunnen tolereren. Om menselijk te zijn, moet je naar eer en geweten handelen. Zijn daden in de film, in het echt, in het veld net als Henry V, worden gemotiveerd door zijn natuurlijke instinct voor leiderschap. Hij is, ironisch genoeg, een geboren leider. Het zit diep in hem. Hij kan niet anders dan naar voren treden, en een leider zijn, wanneer dat van hem wordt gevraagd.

Andere films die dit jaar voorop stonden tijdens de Oscar-uitreiking beelden een wankele samenleving uit waarin leiderschap juist ver te zoeken is: Winter’s Bone van Debra Granik, een onafhankelijk geproduceerde film waarin een meisje in de straatarme Ozarken op zoek gaat naar haar vader, een drugsdealer, en The Fighter van David O'Russell over een Iers-Amerikaanse bokser uit een arbeidersfamilie in Lowell, Massachusetts. Deze schitterende film, over gewone mensen die echte levens leiden, werd gelukkig wél bekroond: Christian Bale en Melissa Leo kregen de prijs voor beste bijrollen. Ook in verreweg de beste film die dit jaar voor het gouden beeldje in aanmerking komt, Black Swan van Darren Aronofsky, is de traditionele mannelijke leider afwezig. Alles draait om de onzekere ballerina Nina, een rol waarvoor Natalie Portman de Oscar voor beste actrice kreeg.

Deze drie films staan samen met True Grit lijnrecht tegenover The King’s Speech, een werk dat inspeelt op het bijgeloof van kijkers, op het zich blindstaren op het sprookje van een gesymboliseerde leider, eerder dan een leider van vlees en bloed. Prehistorische hunkering, indeed.