Stoute jongens

Steeds meer Nederlandse schrijvers van middelbare leeftijd doen leuk met romans waarin de held vooral omhoog zit met zijn geslachtsdeel. Een onderwerp van alle tijden, maar nieuw is dat deze zogeheten fucktion ook literair gewaardeerd wordt.

Ronald Giphart zal zich dit jaar nog wel eens in het kruis gekrabd hebben bij alle bewieroking van romans als Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje en J. Kessels, The Novel van P.F. Thomése. Zowel zijn debuutroman Ik ook van jou (1992) als zijn tweede roman Giph (1993) zorgde voor de nodige opwinding – ‘neuken en nog eens neuken’ schreef Tom van Deel in Trouw, en dat was toen niet bedoeld als aanbeveling: ‘Waar een volgend boek over moet gaan lijkt me een beetje een probleem’, vond Jessica Durlacher in de Volkskrant – maar men was het over één ding eens: literatuur was het niet. ‘Een gezellig en onschuldig boek’, oordeelde Arjan Peters badinerend over Giph, en de toon aangaande Giphart was definitief gezet: wanneer schrijft hij nou ’s een écht boek?
Het is een gekke ervaring om de jeugdige Giphart terug te lezen. Zijn eerste twee boeken laten zich nog steeds lachend lezen. De overrompelend frisse en inventieve schrijfstijl spettert onverminderd van de bladzijden, en de seks is… Tja, hoe zal ik het zeggen, pre-kluuniaans onschuldig, overmoedig en grappig. De verliefdheid op zichzelf van Giph, de hoofdpersoon uit de gelijknamige roman, is een opperste vorm van zelfspot – ‘Ik ben mijn liefste vriend, mijn liefste minnaar, mijn bondgenoot door dik en dun’ – en tegelijkertijd een verwijzing naar W.F. Hermans, die aan het eind van het verhaal Het grote medelijden schrijft: ‘Ik ben alleen mijn eigen bondgenoot en niet eens door dik en dun.’ Dat is misschien nog wel de opmerkelijkste ontdekking van het opnieuw lezen: Giphart is met terugwerkende kracht zonder enige twijfel een literair schrijver, en het is nu bijna niet meer te begrijpen dat leraren Nederlands hem van de leeslijst wilden weren.
Wat de onschuld betreft: het zal schelen dat Gipharts helden, evenals hun schepper destijds, montere twintigers zijn en geen geborneerde, vreemdgaande en pornografisch geïnspireerde genotszoekers op leeftijd. Komt het op een dronken nacht onverhoeds van een triootje, met de elf jaar oudere Freanne en de negen jaar jongere Noëlle, dan is Giph de ochtend erna de eerste om walgend te concluderen dat dit nu toch ‘echte vieze gore grotemensenseks’ was, ‘gaddamme’.
We hebben het over de jaren dat literatuur in Nederland een ernstige zaak was, en seks misschien wel idem dito. Een vrouw kon nog als ‘een pak natte kranten’ naast een man in bed liggen (Hermans), ‘een doodgewone snol’ zijn (Cremer), tepels hebben ‘als vlezige stampers’ (Wolkers) en dingen zeggen als ‘er is iets in mij dat niet wil’ (Claus). Er werd weliswaar wat af gecopuleerd, maar altijd in de slagschaduw van hel en verdoemenis, of dat nu met de erfenis van de Tweede Wereldoorlog te maken had, getroebleerde man-vrouwverhoudingen, de last van een gelovige jeugd of een combinatie van dit al.
Lees ik nu Wolkers terug, Kort Amerikaans (veertigste druk, 1979), dan blijken de dialogen tussen met name Eric en Ans als door pikhouwelen in mijn geheugen geëtst. ‘Wat heb ik met me laten doen.’ ‘Je vond het toch fijn.’ ‘Je hebt me gedwongen. Je bent gemeen.’ ‘Ik heb je alleen in het begin gedwongen. Maar toen ik dàt deed hield ik je maar met één vinger vast. Met één vinger, hoor je dat! Je had zo weg kunnen lopen. Maar dat deed je niet. Je vond het maar wat lekker.’ ‘Zoiets mag je niet doen.’ Et cetera.
Seks was een issue, maar altijd als een door taboes omringde duistere macht die bezit nam van de mannelijke protagonist, hem zowel tot agressor als capitulator maakte en de vrouw murwgebeukt achterliet. Giph was de eerste Nederlandse roman waarin seks niet werd voorgesteld als iets wat zich afspeelt op een slagveld, maar op feestjes, en waarin meisjes net zo hard allemaal maar één ding lijken te willen. De eerste roman ook waarin seks en humor vanzelfsprekend aaneengesmeed werden binnen een literair kader, zij het dat dat laatste niet als zodanig werd erkend. Dat Giphart wel meteen buitengewoon goed verkocht en uitgroeide tot een van de populairste schrijvers van Nederland destijds deed zijn geloofwaardigheid niet bepaald goed.

Zeventien jaar later zijn de bakens verzet: de opvatting van wat literatuur is, is veranderd, en degenen die uitmaken wat literatuur is, zijn veranderd. Van zo nabij bezien is het lastig precies te duiden wat er aan de hand is, maar laat ik beginnen bij de langzame doch zekere triomftocht die Robert Vuijsje (38) het afgelopen jaar maakte met zijn roman Alleen maar nette mensen, een tocht die overigens nog steeds in volle gang is. De verkoop gaat door, de aandacht voor de schrijver idem, verfilming en vertalingen zijn aangekondigd. Vuijsje’s roman is zowel een bestseller (ruim vijftigduizend exemplaren verkocht) als een literair erkend succes. Het onmiskenbaar autobiografisch geïnspireerde relaas van de 21-jarige David Samuels met zijn hang naar zwarte vrouwen met dikke billen belandde op de shortlist van De Gouden Uil én die van de Libris Literatuurprijs en won uiteindelijk de Gouden Uil. Opmerkelijk voor een boek dat niet heel goed is geschreven en dat getuigt van een nogal beperkt wereldbeeld. Wat zal hebben geholpen is dat de schrijver twee goeie verhalen bij zijn roman heeft. Allereerst dat hij heeft moeten leuren met zijn manuscript; alle literaire uitgeverijen haalden aanvankelijk hun neus voor hem op. Niet alleen maakt het verhaal van de oorspronkelijke afwijzing en de uiteindelijke victorie Vuijsje tot een aantrekkelijk enfant terrible dat niet verdacht kan worden van literaire hotemetoterij – en als iets niet meer salonfähig is, dan is dat literaire hotemetoterij – ook hing er meteen een prettig scandaleus sfeertje rond zijn roman.
Ten tweede presenteert Vuijsje zichzelf als een rebel with a cause. Zijn boek zou niet persoonlijk over hem gaan, maar over het failliet van de multiculturele samenleving. ‘Ik laat mensen zien hoe het echt is.’ Het verwonderlijke is vervolgens dat mensen ook gaan geloven dat hij de werkelijkheid beschrijft, in plaats van slechts zíjn werkelijkheid.
Maar ook weer niet helemaal verwonderlijk, gezien het vruchtbare klimaat waarin Vuijsje’s roman landde. Een klimaat gemasseerd door de Franse schrijver Michel Houellebecq (de Nederlandse vertaling van diens roman Elementaire deeltjes, niet zijn eerste boek, wél het eerste dat vertaald werd, verscheen in 1999), die als eerste van zijn generatie een onderbuikse, seksistische en racistische wereld kaal en koud en schijnbaar onbeholpen op papier zette. In die bevrijde atmosfeer kon een nieuw soort machoschrijver tot wasdom komen, de macho die zich in zijn jongelingenjaren heeft laten castreren door de dwang tot vrouwvriendelijkheid en die bij het naderen van de middelbare leeftijd alsnog zijn penis ergens in kwijt wil. Desnoods in een boek.
Natuurlijk, het zijn uitvergrote klootzakken, de mannetjesputters die door P.F. Thomése en Ilja Leonard Pfeijffer tot leven worden gewekt in respectievelijk Vladiwostok! (2007) en J. Kessels: The Novel (2009), Rupert (2002) en Het grote baggerboek (2004), maar ondertussen is de teneur van de grappen vergelijkbaar misogyn als die van Youp van ’t Hek. Of het nu gaat om afgedankte doorsneewijven of high-class kutten, het belangrijkste wat vrouwen te bieden hebben volgens de brallende ballen dan wel proleten van Thomése en Pfeijffer is een stuk nattigheid dat altijd past. Het grote verschil met Vuijsje is de ironische distantie die door Thomése en Pfeijffer wordt ingebouwd, door de eerste nog eens extra onderstreept door zijn laatste roman te kenschetsen als ‘fucktion’. Hun klootzakken laten ze ten val komen, terwijl Vuijsje’s held er met de hoofdprijs vandoor gaat: een echte zwarte negerin. Vergeleken bij Vuijsje zijn Thomése en Pfeijffer dan ook droogneukers: intellectuele, verliteratureluurde mannen die zich verschansen achter een muur van vieze woorden. Zij zijn de gewiekstere performers, altijd bereid de lachers op hun hand te krijgen met voordracht uit eigen werk, terwijl Vuijsje daar daadwerkelijk zwetend zit te zitten, met zijn negerin.
Des te opvallender is hoe eensluidend gretig hun romans zijn onthaald. Ook dit maakt deel uit van het voor deze schrijvers zo vruchtbare klimaat: de wijze waarop zij op de schouders worden genomen in de pers, op televisie en bij alle andere mogelijke media. In dit klimaat maken hun mede-oudere jongens – liefhebbers van voetbal, popmuziek, cowboylaarzen, vrouwen en Martin Bril – de dienst uit; voortdurend zijn ze elkaar aan het feliciteren. De naam Matthijs van Nieuwkerk begint nu in neonletters aan de horizon te verschijnen, en het is waar dat van de afgelopen maanden zeker drie momenten in De wereld draait door op mijn netvlies gegrift staan: de afleveringen waarin achtereenvolgens Robert Vuijsje, Ilja Leonard Pfeijffer en P.F. Thomése te gast waren. Vuijsje werd door Van Nieuwkerk likkebaardend bevraagd naar zijn voorkeur voor zwarte vrouwen, ‘jij zoekt het beest’, Pfeijffer mocht voorlezen uit zijn zogenaamd ‘gevaarlijke’ gedichten waarop presentator en dichter gelijktijdig klaarkwamen en bij de ‘hilarische’ befscène uit J. Kessels: The Novel van Thomése zat Van Nieuwkerk te proesten als een stoute jongen.
Matthijs van Nieuwkerk, met in zijn kielzog eeuwige jongens-van-stavast Jan Mulder en Hugo Borst, kan een boek ‘maken’ zoals geen enkele recensent dat kan. De enige quote op de achterflap van Vladiwostok! is afkomstig van Matthijs van Nieuwkerk, die Thomése betitelt als ‘een van de aardigste en leukste schrijvers uit de Nederlandse literatuur’. Ironie, omdat in Vladiwostok! ook een geile tv-presentator wordt opgevoerd? Ja, vast.
Gezien het feit dat alle genoemde romans genomineerd zijn geworden voor zo’n beetje alle belangrijke Nederlandse literaire prijzen die er bestaan, en dat bijvoorbeeld ook al ‘de schalkse lofzang op het tussenbeense’ van Marc Reugebrink (Het grote uitstel, 2007) vorig jaar de Gouden Uil won, is er echter aan de zijde van de literaire kritiek eveneens iets aan de hand. Hans Goedkoop, voormalig stercriticus van NRC Handelsblad, sprak in zijn zwanenzang Een verhaal dat het leven moet veranderen (2004) nog van ‘de wereld van de bange mannen’ toen hij het vaderlands recensentendom omschreef: ‘Het is een en al aandacht voor een in zichzelf rondzingende kunst, met een bijpassende afkeer van het leven dat daarbuiten ligt.’ Inmiddels zijn die mannen weer zo’n vijf jaar ouder en misschien nog banger geworden, zij het nu om voorgoed het contact te verliezen met hun écht liefste vriend in bange tijden, liefste minnaar, bondgenoot door dik en dun. Zou het zo simpel kunnen zijn dat de literaire smaakmakers, generatiegenoten, ook allemaal wat in te halen hebben? Met een zucht van verlichting, of proestend van het lachen, die afdaling richting gastvrije billen en snakkende kutten méé willen beleven, of in ieder geval willen honoreren? Het zou zomaar kunnen.