Buitenland

Straaljager-diplomatie

‘Kan niet draaien, kan niet klimmen, kan niet hard vliegen’, is een citaat dat eindeloos circuleert over onze nieuwe straaljager, de Joint Strike Fighter. Het citaat is afkomstig van de Amerikaanse denktank RAND en vat een diepe nationale angst samen: dat we geen waar krijgen voor ons geld.

Zoals het een land van kruideniers betaamt, duiken bij het debat over de Joint Strike Fighter voortdurend info­graphics op waarin de F-35, zoals de JSF eigenlijk heet, tegenover Zweedse en Franse straaljagers wordt gezet. En dan ziet iedereen meteen: die JSF is het langzaamst, weegt het meest en kost het meest. En dan gooit hij niet eens meer bommen dan de rest!

Met zulke staatjes wordt de gemiddelde krantenlezer zand in de ogen gestrooid. Daar gaat de aankoop van de JSF namelijk helemaal niet om. En ook niet om de orders die het Nederlandse bedrijfsleven eruit gaat slepen. Waar het om draait, is dat we al een slordige zeventig jaar in een wereld leven waarin een land zijn straaljagers koopt bij degene die zijn veiligheid verzorgt. Als het een dictatuur betreft, dan koopt een dictator met een straaljagerdeal niet alleen vliegtuigen, maar ook de garantie dat er vanuit Moskou, Washington of Parijs een pak soldaten wordt ingevlogen als de rebellen in zijn land iets te ver optrekken, of als er woedende massa’s door zijn hoofdstad trekken. In het geval van een nette democratie koop je met straaljagers ook een militaire alliantie. En in het geval van Nederland betaalden we er wisselgeld mee voor ons plekje onder de Amerikaanse nucleaire paraplu. De VS verzorgen bijna zeventig jaar onze veiligheid en daar kopen we dus ook onze straaljagers.

Wie straaljagers in de gaten houdt, kan sowieso veel leren over de werkelijkheid van internationale politiek – zowel in het verleden als nu. Neem de Arabische lente, hoofdstuk Egypte. Zoals bekend observeerden de VS ‘met grote zorg’ de militaire coup tegen de regering-Morsi en keurden ze ‘ten sterkste’ het geweld tegen burgers af. Maar amper een week na die coup gaf het Witte Huis groen licht voor de verkoop van een handvol F-16’s aan het nieuwe militaire regime – drie dagen nadat het leger een bijeenkomst van Morsi-aanhangers uit elkaar had geschoten, met 54 doden als gevolg. Dit schouderklopje vanuit Washington had misschien een iets te opwekkend effect op de leider van de nieuwe junta. Deze generaal Sissi hield vervolgens namelijk een toespraak die erop hintte dat hij een bloedbad ging aanrichten onder Morsi’s aanhangers. Prompt stelden de VS de levering van de F-16’s weer uit. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Het is hier dan wel geen Caïro, maar onze vliegtuigen kopen we in de VS

Straaljagerdiplomatie is nog niet zo oud. In de beginjaren van de Koude Oorlog kocht een land zijn wapentuig bij ideologisch bevriende staten. Er was een duidelijke rolverdeling: rijke landen kochten duur militair spul in Washington of Moskou, en ze verkochten hun afdankertjes weer aan de Derde Wereld. Smeergeld hielp daar soms bij: onze eigen Lockheed-affaire reikte behalve tot Soestdijk ook tot in West-Duitsland, Italië, Saoedi-Arabië, Hongkong en Japan. Maar vanaf de jaren zestig werd het ingewikkelder. De Sovjet-Unie, die andere landen nou eenmaal niet zo veel anders te bieden had, begon overal zijn wapens te slijten. In de VS en West-Europa werden mensenrechten ontdekt als hoeksteen van buitenlandse politiek – zomaar je oude wapens verkopen kon niet meer. En ten slotte konden landen die geen zin hadden in inmenging van Washington of Moskou terecht bij een trits nieuwe, discrete wapen­exporteurs zoals Israël, Zuid-Afrika en Zuid-Korea. Wapendeals werden steeds gevoeliger, ondoorzichtiger en politieker.

‘Wapenverkopen zijn, meer dan ooit tevoren, een cruciale dimensie geworden van de wereldpolitiek’, schreef de voormalige Amerikaanse diplomaat Andrew Pierre daarom begin jaren tachtig. Destijds gaven de VS met hun straaljagerdiplomatie aan welke coup ze goedkeurden in Latijns-Amerika en welk land ze tot hun domein rekenden in het Midden-Oosten. Anno 2013 werkt het nog steeds zo. Zie Egypte. Maar zie ook Syrië. Eerder dit jaar verkocht Rusland tien Migs aan Assad en dat was veel meer dan een lucratieve deal: het was een signaal dat Rusland Assad niet laat vallen. En zo zijn er veel meer straaljagerdeals na te lopen – verkoop, upgrades en ruil – die veel meer zijn dan een commerciële transactie.

De aankoop van de JSF is dat ook, en het heeft dan ook weinig nut om in Den Haag te wapperen met kosten per vlieguur, zoals lobbykantoor Meines en Partners doet, de werkgever van onze ex-minister Ben Bot, in opdracht van de Zweedse straaljagerbouwer. Het is geen toeval dat direct na het JSF-besluit her en der geluiden opstegen (al dan niet ‘gesponsord’ door Amerikaans geld) dat het een gotspe zou zijn als we niet twee eskadrons JSF’s kopen, als we de Amerikanen onze veiligheid laten verzorgen. Het is hier dan wel geen Caïro, maar onze vliegtuigen kopen we in de VS.