Straatbriesje in concertgebouw muziek

Het was een tamelijk ontluisterende vertoning, Eine Brise van de Duits-Argentijnse componist Mauricio Kagel. Ons was immers 115 fietsers beloofd die een geheel verbouwd Concertgebouw op de kop zouden zetten. In plaats daarvan fietste een handjevol leerlingen van het Amsterdamse Ignatiuscollege een paar rondjes en was weer weg. Nog voor je goed had kunnen tellen hoeveel fietsers het precies waren (vijftien), op wat voor fietsen ze reden (hun eigen) en volgens welk patroon ze moesten bellen (een hoketus-achtig spel), waren ze alweer verdwenen. Inderdaad een briesje.

Het was de eerste indoor-uitvoering van Eine Brise, die met toestemming van de (uiterst strenge) componist aan de lokale omstandigheden was aangepast. Toegegeven, de scholieren hadden goed geoefend. Zonder een zweem van aarzeling slalomden ze rond de statige pilaren in de Grote Zaal, onder vuur gehouden door een legertje persfotografen. Eine Brise is een ode aan de straatmuziek. Nu is Mauricio Kagel niet de eerste componist die zich laat inspireren door de poëzie van de straat. Charles Ives, wiens muziek tijdens dit concert door het Schönberg Ensemble eveneens werd uitgevoerd, was een van de eersten die zijn fascinatie voor alledaagse klanklandschappen in officiële composities gestalte gaf. Het complexe akoestische decor dat wordt gevormd door geluiden dichtbij en veraf, cafémuziek en draaiorgels, schreeuwende marktlui en toeterende auto’s probeerde hij in de concertzaal vorm te geven, onder andere door een ruimtelijke opstelling van de musici. Vergeleken met de muziek van Ives heeft Eine Brise daarentegen een sterk Cageaanse inslag. Luister eens wat een intrigerende muziek eigenlijk voor het oprapen ligt. Open je oren voor de ‘kunst’ van de straat. In die zin is Eine Brise een conceptueel stuk. Een statement. Dat is Orchestrion-Straat, dat Kagel enkele jaren geleden speciaal voor het Schönberg Ensemble schreef, bepaald niet. Wederom een ode aan de straatmuziek, deze keer aan het draaiorgel. 'Ik zou willen dat draaimolens en -orgels als serieus te nemen vertolkers van serieuze muziek in de open lucht optraden. Schrille, oorbetoverende, krakende, ratelende muziekmachines als akoestische leveranciers van een onvermoede dimensies van de amusementsindustrie’, zo schreef Kagel in zijn programmatoelichting. Aan de ene kant heeft Orchestrion-Straat een heel anekdotisch karakter. De musici hebben de stoelen een kwartslag gedraaid en zitten achter elkaar, zoals kinderen 'treintje spelen’. Het slagwerkinstrumentarium is uitgebreid met de centenbak die er flink op los rammelt. In chaotische passages waarin de musici flink zwoegen hoor je hoe de papierrollen door het mechaniek ratelen en soms zelfs - de muziek wordt nu onheilspellend vals - dreigen vast te lopen. De muziek zelf tenslotte is een collage van straatmuziekjes: een walsje, een doffe marche funèbre, een melancholische schlager, een schmierende accordeon en snelle jazzy mopjes. Muziek uit het leven gegrepen. Aan de andere kant doet de componist Kagel van zich spreken. Hij heeft dit ruwe materiaal tot een verfijnd kaleidoscopisch geheel geboetseerd. In de virtuositeit en vanzelfsprekendheid waarmee hij de brokstukjes tot één geheel smeedt herken je de hand van de meester. Ondanks de uitbundigheid van de oorspronkelijke straatmuziek is het dan ook een gevoel van weemoed dat blijft hangen. Zoals ook die centenbakken hun eigenlijke betekenis ver achter zich laten en echte muziekinstrumenten worden. Niet langer komisch maar ontroerend.