Straatstenen

Glans is alleen daar waar het licht het glad en donker genoeg acht. Onder een bepaalde hoek slechts. Daarom stopt glans waar een vlak een berg wordt. Of aan de rand niet in staat is om bij andijvie of wortelpuree aan land en op schoot te kruipen.

Dunne vette laagjes zijn vlakjes, soms kort en soms voor langer. Daarom glans. Voor onze glanzende ogen en glimmende lippen (ook tandvlees is soms glansvlees) die om de tafel schuilen. Het zitvlak van de stoel van haar die eerst nog even naar de wc moest, glanst nog na. Zo ook de rand van het halfvolle glas, behalve waar lippenstift een stempel heeft gedrukt.
De kaarsvlam lijkt, het klinkt zo vreemd als het is, bewegend versteende glans.
Vorkvormige glans naast bordvormige glans, het is er allemaal.
Wanneer de ober nadert, walsen glanzende brilleglazen voor hem uit. Zijn voorhoofd glimt, vloeibare glans druppelt in de terrine. Terstond omhelsd door vette kippenoogjes.
Probeer het eerst eens met de vis. Koop een vis en kook een vis. Huid eraan en kop erop. Terwijl de anderen het niet merken naar de vis kijken. Door de huid heen. Je hebt er misschien een bril bij nodig, maar daar zie je in de spiegel van glanzende schubben de disgenoten. Hun wangen bewegen. Omdat ze praten.
Soms zie je een zonderling die niet praat. Van huizen en heksen. Hij doet niet mee. Schijnt het. Met de nauwkeurigheid van Munchhausen kijkt hij in het zalige vet dat aan zijn lamspoot kleeft. Hij ziet zichzelf daarin. Het ziet zich bestaan. Wie dat zijn, zo luidruchtig om hem heen, ontgaat hem. Hij ziet zichzelf in een spiegel van vet en vlam. Hij buigt zich over zijn lamspoot, kijkt naar daikon en koriander, en ruikt de regen. Zoals vanmorgen aan de voordeur. Geurige straatstenen. Branderig. Met dierlijk water gedoofd vuur.
Eindelijk een echt gelukkig mens.