De zwijgende rechter moet naar buiten

‘Strafrecht staat haaks op onze zapcultuur’

De samenleving wil meer transparantie, tegelijkertijd maakt openheid de rechterlijke macht kwetsbaar. Rechtbanken worstelen met dit dilemma, zo blijkt uit een rondgang. ‘De media bonzen op onze deur, maar doen we een kier open, dan hakken ze je kop eraf.’

Bij iedere zitting in het strafproces tegen baby- en peutermisbruiker Robert M. wordt de Amsterdamse rechtbank overspoeld door de pers. Logisch, want het is de meest gerucht­makende zedenzaak in de Nederlandse geschiedenis. Maar de media-aandacht illustreert ook de gretigheid van de samenleving als het om het strafrecht gaat. En dat gaat verder dan sensatie voor de inhoud alléén.

Door een aantal dramatisch verlopen strafzaken – de Schiedammer parkmoord, de zaak-Lucia de B., de Puttense moordzaak – zijn de rechters zélf object van nieuws geworden. Het beeld van ‘falende rechters’ heeft de laatste jaren voeding gegeven aan wantrouwen in de kernwaarden – onpartijdigheid en integriteit – van de rechtspraak. De toon van rechters in de rechtszaal, maar ook hun politieke oriëntatie, maatschappelijke activiteiten of openbare meningen worden door de media scherp onder de loep genomen. Het achterliggende idee is dat de signatuur van een rechter van invloed zou kunnen zijn op het vonnis. Daarbij bestaat er een bredere tendens in de media om ‘de mens’ achter een publieke figuur bloot te leggen, zoals al langer gebeurt bij politici. Tegelijk leeft er meer algemeen argwaan tegen gezagsdragers.

Dit alles kwam ongelukkig samen in de zaak tegen Geert Wilders, die op z’n zachtst gezegd turbulent is verlopen en beschadigend was voor ten minste één persoon: Tom Schalken. Zijn naam is gelijk aan reuring. Schalken schreef over zijn ervaring vorig jaar het boek Het eetcomplot. Hij kreeg, stelt hij, ‘tijdens het proces zoveel haat en hoon over zich heen dat hij zich beschaamd voelde om nog met overtuiging het rechtsvak te kunnen uitoefenen’. En hij ‘voelde zich geofferd aan de honger van de publieke opinie’. ‘Ik was het zoenoffer van Wilders en zijn advocaat. Het diner werd gemaakt tot het hoofdmenu van de strafzaak’, schrijft hij.

De geplaagde raadsheer-plaatsvervanger hield de eer aan zichzelf, maar nam ook ontslag omdat hij vrij wilde zijn om er in alle (emotionele) eerlijkheid over te publiceren. Uit de reactie op zijn boek van de president van het Amsterdamse hof, Leendert Verheij, blijkt meteen waarom. Verheij betreurde weliswaar Schalkens vertrek, maar verkondigde meteen luid in de pers: ‘Van individuele rechters en raadsheren wordt soms veel gevraagd, wanneer allerlei kritiek over hen wordt uitgestort, die zij zelf als onterecht of onheus ervaren. Niettemin ben ik van mening dat van ons gevraagd mag worden daar op professionele wijze mee om te gaan. Dat houdt in veel gevallen in dat men niet persoonlijk kan en mag reageren. En al helemaal onaanvaardbaar is het in de regel wanneer zij publiekelijk kritiek uiten op het werk van collega’s.’

Schalken reageerde dus niet ‘professioneel’, hij had de interne regels overschreden. Daarop volgde weer kritiek, zoals van Peter Kop, rechtshistoricus en tot voor kort raadsheer bij de Hoge Raad. Hij maakte geen geheim van zijn mening, zoals in een artikel in NRC Handelsblad: ‘In een aantal recente affaires zijn pogingen ondernomen om rechters de mond te snoeren.’ Daarbij noemde hij behalve Schalken ook Ybo Buruma die kort voordat hij zitting nam in de Hoge Raad diens pvda-lidmaatschap – steen des aanstoot voor de pvv – opzegde. Ook wees Kop op het chilling effect, een ontmoediging van de vrijheid van meningsuiting van andere rechters.

Het begon, vertelt hij in een Amsterdams café, met zijn recensie van Het eetcomplot op de site van boekhandel Athenaeum, waarin hij het opnam voor Schalken. Die uitte volgens hem slechts ‘keurige kritiek op de kamer van de Amsterdamse rechtbank die hem in dat proces een getuigenverhoor heeft doen ondergaan’ en ‘liet zich gelukkig niet inperken’. Deze recensie heeft ‘iemand’ de president doen toekomen, waarop Kop door de secretaresse van het Amsterdamse gerechtshof werd gebeld of hij even bij president Verheij wilde komen. De landelijke pers kreeg hier weer lucht van en dat veroorzaakte grote opschudding.

Kop vertelt: ‘Verheij zei: “Dat moet je echt niet doen en beloof me – schriftelijk – dat je het niet meer doet.” Ik was stupéfait. Hij zei ook dat ik weinig gevoel had voor de moeilijke positie waarin hij zat. Dat dit überhaupt een rel werd toont de kramp waarin de rechterlijke macht is geschoten. Ik zeg alleen maar dat Schalken kritiek mág hebben. Als dát niet meer kan! Waarom zou het lijdend voorwerp van de directe televisie-uitzendingen van het verhoor als enige moeten zwijgen, terwijl half Nederland er ’s avonds over napraatte?’

Kop heeft het geweten. Hij had eerder aangegeven raadsheer-plaatsvervanger bij het Amsterdamse hof te willen worden – ‘Leuk op het eind van mijn loopbaan’ – en dat zou geregeld worden. Maar hij hoorde er nooit meer wat van. ‘Niet netjes.’

Hij vraagt zich ‘enigszins angstig’ af of de opstelling ten aanzien van Schalken past binnen het gedachtegoed van de rechterscode, afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (nvvr). Ook refereert hij aan artikel 7 van de grondwet en artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (evrm). ‘Daarop kan ook een rechter zich beroepen als hij wordt gemuilkorfd’, aldus Kop. Zijn standpunt is: een rechter mag het ‘geheim van de raadskamer’ – als rechters zich terugtrekken om tot een vonnis te komen – nooit schenden. Ook moet hij zijn mond houden over een zaak waarmee hij bezig is of is geweest, of mogelijk zal zijn. Maar verder mag hij alles zeggen. ‘Die vrijheid is essentieel voor het esprit de corps. Nodig voor een open intellectueel klimaat en dus voor de onafhankelijkheid in oordeel­vorming van de rechter.’

Terwijl Peter Kop nipt aan zijn rode wijn denkt hij na over hoe het zo ver is gekomen. ‘Toen ik veertig jaar geleden begon, kwamen rechters uit ongeveer hetzelfde milieu. In die tijd bestond er een soort stilzwijgende understanding over wat je wel en niet kon doen. Over je eigen zaken praatte je niet, tenzij met collega’s. Het aantal rechters is in de afgelopen decennia gigantisch toegenomen, de rechtbanken zijn bedrijven geworden. Het is enorm verambtelijkt – besturen zijn de rechter gaan beschouwen als een ambtenaar die niet reflecteert op zijn vak.’

Hij hekelt de schulp waarin de gerechtelijke besturen nu kruipen in reactie op de aanval op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. ‘Ik hoop dat de rechtbank het gezonde verstand bewaart. Je moet je kunnen uiten zonder dat het meteen als een aanval wordt gezien. En vóór alles: gewoon je werk goed doen.’

Doet het er inderdaad toe hoe een rechter privé denkt? En in het verlengde daarvan: mogen rechters in het openbaar kritiek geven op het functioneren van de rechtspraak of op uitspraken van collega’s? Toon je als rechterlijke macht één gezicht of de diversiteit van vele gezichten? Deze kwestie staat de laatste tijd op scherp. Want enerzijds verlangt de samenleving meer transparantie – zie ook het toelaten van camera’s bij sommige processen – en mag de rechter niet arrogant in de spreekwoordelijke ivoren toren zitten. Anderzijds maakt de roep om meer openheid de rechtspraak kwetsbaar. Een uitgesproken profiel kan zich tijdens een proces tegen de rechter keren en individuele kritiek zou het toch al tanende gezag van de rechtspraak aantasten.

Met dit dilemma wordt geworsteld achter de coulissen van rechtbanken, zo blijkt uit een rondgang binnen de rechterlijke gelederen. Waar de een zegt dat rechters intern worden gemuilkorfd, zegt een ander zich ‘hier totaal niet in te herkennen’. Wel vindt iedereen dat een dialoog met de samenleving broodnodig is. Het is vooral de vraag hóe.

De Amsterdamse rechtbank hield begin dit jaar intern een mini-enquête aan de hand van acht stellingen. Die komen neer op de hamvraag of een rechter op eigen conto – wel of niet met functievermelding en wel of niet met toestemming van de president of de afdeling perscommunicatie – zijn mening over vakinhoudelijke onderwerpen mag uiten in het openbaar. De uitslag is niet bestemd voor de buitenwereld, ook al is De Groene Amsterdammer in het bezit van de stellingen. Ton van den Brandt, hoofd communicatie rechtbank Amsterdam, reageert formeel per mail: ‘Uit een rondvraag blijkt dat rechters van de Amsterdamse rechtbank vrijwel zonder uitzondering vinden dat zij gewoon kunnen publiceren over allerhande juridische, rechtsstatelijke en relevante maatschappelijke onderwerpen. Slechts een enkeling vindt dat daarvoor vooraf toestemming is vereist van de leiding. Wel acht een grote meerderheid het verstandig vooraf de publicatie te toetsen bij een collega. Publicaties over privé-aangelegenheden moeten op persoonlijke titel worden geschreven, zonder functievermelding, menen vrijwel alle rechters.’

Niets aan de hand, zo zou je zeggen: kennelijk voelt bijna iedereen zich vrij om zich te uiten over het vak. Toch kwam de enquête niet uit de lucht vallen. De aanleiding zou zijn geweest dat de rechters Willem Korthals Altes en Fred Salomon op eigen initiatief en zonder overleg een ingezonden brief naar de Volkskrant hadden gestuurd. Intern veroorzaakte dat enige commotie, ook tijdens een vergadering met alle rechters.

Het is op eieren lopen, stelt Willem Korthals Altes, senior rechter bij de rechtbank Amsterdam, waarover hij meteen toegeeft dat daar ‘veel meer wordt gepraat’ dan in de provincie. ‘Natuurlijk zeg je niet zomaar alles, als rechter heb je de verantwoordelijkheid om niets te zeggen wat schade kan aanbrengen aan de rechtspraak. Dat geldt voor de zaak die je behandelt of hebt behandeld.’ ‘Of in de toekomst zal gáán behandelen’, zegt hij er, net als Kop, in één adem bij.

Maar hij ziet dat als een valkuil. ‘Stel dat ik stevige uitspraken doe over een andere zaak, dan maakt dat mij ook onmogelijk om een vergelijkbare casus in de toekomst te doen als al bekend is wat ik ervan vind. Je mag daarentegen wel iets over de rechtspraak zelf zeggen. En ik bepaal zélf hoe en wanneer ik mijn recht op een vrije mening toepas, daar heb ik geen toestemming voor nodig. Dat staat haaks op mensen die wat je zegt plaatsen in de verantwoordelijkheid voor het hele collectief.’

Is dat zo, dat individuele kritiek het collectief schaadt? Voor een buitenstander die als wetenschapper studie maakt van de mores van de rechtspraak ligt het tamelijk helder. Philip Langbroek, hoogleraar rechtspleging aan het Montaigne Centrum Universiteit Utrecht, vindt het weliswaar een sympathiek standpunt dat je ‘alles zou moeten kunnen zeggen’, maar niet verstandig om dezelfde reden als Korthals Altes. ‘Als rechter weet je niet wat je zelf in de toekomst krijgt aan vergelijkbare zaken die je dan niet kunt doen vanwege je uitgesproken visie.’ En hij lacht:’ Op den duur houd je niet genoeg rechters meer over die onbelast een zaak kunnen aannemen.’

Hoogleraar rechtspleging aan de Radboud Universiteit Nijmegen Leny de Groot-van Leeuwen promoveerde als socioloog op De rechterlijke macht in Nederland: Samenstelling en denkbeelden van de zittende en staande magistratuur. Zij wijst net als Peter Kop op artikel 10 van het Verdrag voor de rechten van de mens, maar met een kanttekening. ‘Iedereen heeft vrijheid van meningsuiting, maar dan komt het, punt 2 van hetzelfde artikel. Daarin staat dat die vrijheid beperkt kan worden onder andere om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Het Europees Hof bepleit dan ook voorzichtigheid met kritiek op en door rechters, bijvoorbeeld in een zaak tegen een Turkse senior rechter in 2010. Het risico van al te veel kritiek is de aantasting van het gezag van de rechterlijke macht. De vrijheid van meningsuiting is begrensd en van daaruit voer je de discussie.’

Langbroek legt uit hoe de grenzen liggen. ‘Een rechtszaak is in principe al openbaar, op het geheim van de raadkamer na, maar dat is net als in andere beroepen, zoals het medische vak, een beroepsgeheim. Rechters moeten de schijn van partijdigheid vermijden, dat is gewoon een onderdeel van hun beroep. Maar rechters hebben ook opvattingen, bijvoorbeeld over het griffierecht of over de invloed vanuit de politiek op de rechtspraak. Je daarover duidelijk uitspreken is wel normaal. Rechters moeten derhalve voortdurend op een dun lijntje lopen. Ze vertonen nu naar de buitenwereld koud­watervrees.’

Maar zo heel gek is dat niet. Er zijn voorbeelden te over van hoe sommige media die precaire relatie soms eigenhandig invullen om lekker te kunnen scoren met ‘nieuws’. De Groot-van Leeuwen: ‘Media gaan soms met informatie ten kwade en soms ten goede aan de haal. Het effect daarvan kan zijn dat je nog meer gesloten wordt.’

Langbroek noemt een recent geval van het aan de haal gaan met hachelijke informatie. Tijdens een informele perslunch gaven rechters van de zaak-Robert M. een toelichting over het verloop van de rechtszaak. Een journaliste van Het Parool, die ook van tevoren de afspraak onderschreef dat niks naar buiten mocht komen, publiceerde er toch over en dat heeft weer mede bijgedragen tot het wrakingsverzoek van Robert M. Het Parool verdedigde zich achteraf met de opmerking dat ‘de eindredactie het niet goed had begrepen’.

Wel of niet kritiek ventileren is misschien niet eens de kwestie. Onder het geworstel en getouwtrek ligt wederzijds wantrouwen: aan de ene kant in het gezag van de magistraten en aan de andere kant, vanuit de rechterlijke macht bezien, in de intermediaire rol van de media. Voor Michiel Boer van de Raad voor de Rechtspraak is hét markeerpunt in die moeizame relatie het proces tegen Volkert van der Graaf: ‘Voorafgaand aan het proces gingen kranten de rechters met uitgebreide profielen neerzetten. Een van hen was bijvoorbeeld actief bij Vluchtelingenwerk en aanhangers van Pim Fortuyn duidden dat als links en daarmee dus vooringenomen. Hetzelfde gebeurt nu bij de zaak-Robert M. De achtergrond van een rechter zou niet moeten uitmaken.’

Ook hij geeft een voorbeeld van hoe media het soms bederven: ‘Ernst Numann van de Hoge Raad zei naar aanleiding van de wraking in de Wilders-zaak in de wandelgangen tegen een journalist van De Telegraaf dat het voor de rust in het land beter zou zijn als die zaak niet in Amsterdam voortgezet zou worden. Het was meteen hot news. De media bonzen op onze deur, maar doen we een kier open, dan hakken ze je kop eraf. De media hebben een dubbele moraal: zij kunnen alles maken maar lijden aan een gebrek aan zelf­reflectie. Het is dus lastig om op een goede manier met elkaar in gesprek te komen. Want waar rook is, is vuur.’

Dat was vroeger toch echt anders, zegt Annerie Smolders. Ze versloeg in de jaren zeventig voor Het Parool het opkomend fenomeen van het kort geding. ‘Toen was er een atmosfeer van bevlogen advocaten die de rechter intellectueel uitdaagden om het recht te vernieuwen. Het gaf het gevoel dat rechters echt iets konden doen om onvrede om te zetten in recht. Belangrijk was dat dit in de rechtszaal zichtbaar was. Journalisten en rechters kenden elkaar van de zittingen en er was een soort van vertrouwen. De rechtbank was veel gelegen aan een goede relatie, omdat in die tijd de protestgeneratie tegen hun macht beukte. De presidenten deden toen nog veel zittingen zelf en waren daardoor het gezicht van de rechtbank. Mensen als Asscher of Borgerhoff Mulder waren persoonlijkheden met een vanzelfsprekend gezag.’

Ze vertelt ook dat er aan privé-opvattingen van rechters niet zo zwaar werd getild. Cnoop Koopmans was bijvoorbeeld behalve rechter in Amsterdam ook pvda-woordvoerder voor justitie in de Amsterdamse gemeenteraad, een functie waarin hij onder meer de legalisering van softdrugs bepleitte. ‘Er was binnen de rechtbank ruimte voor verschillende persoonlijkheden, en dat was goed. De paradox is dat er nu meer tv is en dat de rechtspraak tegelijkertijd veel anoniemer is geworden. Ybo Buruma spreekt over het afnemende zelfbewustzijn van de rechters.’

Later werd Smolders zelf rechter, opgeleid door onder anderen Cnoop Koopmans. ‘Strafrecht is trage tijd en dat staat haaks op onze zapcultuur. Daarom moet je goed nadenken over camera’s in de rechtszaal. Wel is het belangrijk dat naast gerechtsbestuurders ook rechters zich in het publieke debat blijven roeren, waarbij ik niet bang ben dat er te veel tegelijk gaan praten. De meerderheid heeft daar toch geen tijd voor. Je moet wel goed beseffen wat je zegt als je naar buiten treedt.’

Ze wijst op Rinus Otte en zijn boek De nieuwe kleren van de rechter, waarin hij beschrijft hoe ons rechtssysteem stagneert door bureaucratie en organisatorische regelgeving. ‘Hij heeft geen repercussie ondervonden, terwijl hij ook kritiek levert op rechters. En Schalken schreef in de Volkskrant jarenlang mooie commentaren, ook op vonnissen, en ik geloof niet dat hij daar ooit last mee kreeg. Bij de zaak-Wilders zaten de camera’s er bovenop om ieder woord uit te vergroten.’

De media, altijd weer de media. Maar dat maakt kritiek van buitenaf op de rechters op zich niet onterecht. Van dwalende tot meineed plegende rechters – het is hard nodig dat missers naar buiten komen. Al is het alleen al ter zelfcorrectie van de rechterlijke macht. Maar áls er zelfkritiek komt, dan is het ook weer niet goed.

Rick Verschoof, tot ruim een jaar geleden president van de rechtbank Dordrecht en nu rechter in Utrecht, vindt dat kritiek op zich niet het probleem is. Het schuilt eerder in het ontbreken van een context en waardering van de zwaarte ervan. Dat ligt volgens hem niet alleen aan de media, maar ook aan het ontbreken van een actieve, flexibel in te zetten spreekbuis van de rechtspraak. Verschoof: ‘Een commentaar op de opiniepagina van een krant van rechter X of raadsheer Y wint aan soortelijk gewicht door uitsluitend het feit dat de rechtspraak zelf geen uitingen van welke aard dan ook heeft gedaan en ook het commentaar ongemoeid laat. Zwijgen is geen goud. Beeldvorming geschiedt ook als je zelf niet meepraat.’

Er kan juist veel gewonnen worden bij een spreekbuis namens de rechtspraak, bepleit hij opbouwend. ‘Als dat goed gebeurt, kan de rechtspraak weer van speelbal tot gids en baken worden.’

Hij oppert het lanceren van een ‘type à la Benno Baksteen’, de expert van de luchtvaart die in de media rustig uitleg geeft bij bijvoorbeeld vliegrampen. ‘Die zou, naast persrechters, in de media toelichting moeten geven op grote zaken waardoor je als nieuwsconsument individuele uitingen beter kunt plaatsen.’

Een Benno Baksteen – is het zo simpel? ‘Natuurlijk niet’, zegt Verschoof, ‘je laten vertegenwoordigen door één of twee bekende gezichten is kwetsbaar, ook in termen van fouten en reputaties die te paard vertrokken blijken. Maar de rechtspraak moet de regie naar de media beter ter hand nemen. Niet alleen maar reactief en dus defensief zijn naar aanleiding van incidenten. Je zag bij de zaak-Wilders – hoewel die uniek was in zijn soort en niet model staat voor hoe het doorgaans gaat – dat de rechtbank goed voorbereid was aan de voorkant, maar onvoldoende op de buitenkant. Wilders’ advocaat Bram Moszkowicz schoof steeds aan tafel in talkshows. Het is ook zijn rol om partijdig te zijn, terwijl de rechter per definitie onpartijdig is. Wel kan daar een woordvoerder van de rechtspraak zitten die iets kan uitleggen en weerleggen. Het is soms zeer frustrerend als er geen tegengeluid komt. Bij een incident straalt dat op álle rechters af, dat wordt in den brede zo ervaren.’

Regie is lastig, geeft hij toe, want wie is de hoogste baas? ‘De rechtspraak is nu eenmaal minder hiërarchisch georganiseerd en meer gelaagd dan het Openbaar Ministerie, dat een dikke tien jaar geleden in de media de pineut was wegens missers. We konden op onze vingers natellen dat wij aan de beurt zouden komen. Het OM heeft er goed van geleerd, het heeft de regie genomen om de boodschap helder te brengen, en ook fouten toegeven helpt. Voor onze zichtbaarheid is het ook relevant om ons te uiten over meer politiek getinte onderwerpen, zoals de verhoging van het griffierecht of de minimum­straffen. Daar zijn wij als derde macht toe verplicht. Het is niet nodig dat de gelederen altijd gesloten blijven. Dat zijn ze namelijk niet. Rechters zijn getraind om in nuances te denken en daarvan blijkgeven doet eerder recht aan de realiteit, wat gezagsverhogend kan werken.’

Beter uitleggen, meer toelichten en duidelijk een gezicht tonen – met regie. En vooral ook: je werk zo goed mogelijk doen en eerlijk zijn als er iets fout gaat. Dat is voorlopig een redelijk unaniem standpunt over de relatie tot de samenleving. Rechters zullen wel móeten, daarover bestaat geen twijfel. Willem Korthals Altes: ‘Er is meer bemoeienis van burgers. Politici willen scoren en die vinden iets van een vonnis en dat jaagt weer de publieke opinie op. Er zijn meer communicatiemiddelen, er wordt op weblogs gediscussieerd. Wij kunnen daarvoor niet onze ogen sluiten.’

‘Rechters doen aan exegese – het is een aparte rationaliteit en dat moeten ze meer in straattaal vertellen, dat is hartstikke moeilijk’, zegt Philip Langbroek. ‘Strafrecht trekt de meeste aandacht bij het publiek, het gaat over schuld en boete en er zijn daarin bovendien enkele zaken misgegaan. Als mensen denken dat je bevooroordeeld bent, dan is het goed mis. Dus moet je beter communiceren.’

‘Als je niet beter uitlegt creëer je intern klokkenluiders’, stelt Leny de Groot-van Leeuwen. ‘De journalisten als controlemechanisme, nou ja, uit een onderzoek is gebleken dat de kennis over uitspraken laag is, ze snappen het vaak zelf niet terwijl zij als intermediair de inhoud vertalen naar het publiek – hoe moeten burgers het dan snappen? Ik denk dat er nu een kentering komt, na al die aandacht en fouten. Onze rechtspraak is nog altijd heel erg goed, weinig onrechtvaardige uitkomsten, toegankelijk.’

En dan is er altijd nog de houding van het publiek zélf. Steekt ‘de samenleving’ zelf de hand wel in eigen boezem? De rechtspraak doet in deze worsteling om meer transparantie wel degelijk haar best. Intern lopen er diverse ­programma’s om beter om te gaan met het publiek. Al ruim tien jaar wordt er externe verantwoording afgelegd door het publiceren van relevante uitspraken op de site rechtspraak.nl. Die teksten steken schril af tegen camera­beelden en vette oneliners. Het zijn veel woorden met veel nuance. Het is de vraag of hijgende journalisten en een gretig publiek de moeite nemen om dit te ‘consumeren’. Dat vergt inspanning en tijd.