Strak en stijlvast

Op het omslag van de nieuwe bundel van Menno Wigman staat een intrigerende foto van Bertien van Manen. Een slanke jongeling rijst naakt op uit een meer en vanuit het oppervlak vóór hem lijkt een straal water op te spuiten die met een volmaakte boog in het lange haar van de efebe overgaat.

Het duurt even voordat je in de gaten hebt op welk moment de foto gemaakt moet zijn, maar ook dan blijft het mysterie in stand, en de symbolische lading is onmiskenbaar. Deze Narcissus is niet aan de kant blijven zitten, hij heeft zich in zichzelf gestort en is niet bang al zijn erotische energie te verspillen aan een illusie. Slordig met geluk, zo heet het boek.

Zelden is een titel minder van toepassing geweest op een bundel of een oeuvre. Wigman (1966) mag een belangrijk deel van zijn leven vergooid hebben aan drank, drugs en seks, maar op vrolijkheid of uitbundigheid hebben we de dichter nooit kunnen betrappen. Zijn werk wordt al twintig jaar gekenmerkt door tobberigheid, ergernis, zelfhaat en lethargie, maar wist door zijn strakke versvorm, elegante formuleringen en vooral toegankelijkheid een groot publiek aan zich te binden. Hij won prijzen, werd stadsdichter van Amsterdam, schreef gedichten bij eenzame uitvaarten en is een graag geziene gast op festivals. Maar hij verwaarloosde zijn gezondheid, tot hij anderhalf jaar geleden door ernstige hartklachten werd geveld. De nieuwe bundel staat in het teken van zijn herstel. Het zal hem geen windeieren leggen, want zo zien we dichters graag: als romantische dromers die zich in eenzaamheid bijna dood drinken.

Het boek is evenwichtig opgebouwd uit vijf afdelingen van zeven gedichten, voorafgegaan door een proloog en afgesloten met een epiloog. De typografische vormgeving is, evenals het omslag, prachtig. Maar is de poëzie ook goed? Om te beginnen moet vastgesteld worden dat de bundel meer van hetzelfde biedt. Zo fascinerend en meerduidig als het beeld van Bertien van Manen is, zo voorspelbaar zijn Wigmans gedichten. Ze zijn even zorgvuldig gewrocht als zijn vroegere werk, de somberheid werkt als vanouds aanstekelijk, de naargeestige atmosfeer van een vuile stad is, hoe kan het ook anders, met verve neergezet. En om te voorkomen dat de lezer de weg kwijtraakt, legt de dichter geduldig uit hoe beroerd hij eraan toe is, of geweest is. Zo eindigt Intensive care:

Twee weken in mijn eigen graf gekeken,

zo diep dat ik het grondwater zag staan –

mijn borstkas blafte, o, ik ging eraan.

Twee weken in mijn eigen graf staan staren.

De dood die, toen ik keek, van water leek.

Wat moeten we hier verder nog over zeggen? Bij zoveel explicitering heeft de lezer niets meer te doen. Je bladert verder en constateert dat de dichter, als een patiënt in een verslavingskliniek, spijt heeft van zijn ongezonde levensstijl:

Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?

Waarom bleef ik zo koppig tronen in mijn hoofd

en woonde ik mezelf zo hevig uit?

Misschien neemt hij zich voor vanaf nu een oppassend leven te gaan leiden, ik mag het hopen voor hemzelf en zijn omgeving, maar het is de vraag wie er op deze therapeutische zelfverwijten zit te wachten.

Hoewel de persoonlijke crisis een zware wissel trekt op de bundel als geheel staat er gelukkig ook een aantal gedichten in waarin Wigman naar buiten kijkt en zich inleeft in andere verlorenen, zoals prins Friso en Maarten van Roozendaal, en in een groepje rotjongens in Slotervaart:

Woensdag, kutdag. We zitten op een bank

te roken om tot rust te komen

en spugen strak en stijlvast op de grond.

Wie zich verveelt moet zelf vervelend zijn.

Misschien neemt Wigman zich voor vanaf nu een oppassendleven te gaan leiden

Dus zizzen we wat mokkels na

en roepen dat we pizzen op je hond.

De woordgroep ‘strak en stijlvast’ maakt het mogelijk de verveling van de jongens in verband te brengen met de wijze waarop de dichter zijn onvrede spuit, maar hier is tenminste sprake van humor en een journalistieke blik. Zo wijdt Wigman ook een gedicht aan de vele Amsterdamse mannen die ieder jaar te water raken wanneer ze na een avond stevig innemen in de gracht pissen:

Ik las dat de politie bij elk waterlijk

(het gaat om meer dan vijftig doden in drie jaar)

sinds kort meteen naar open gulpen kijkt.

Natuurlijk zijn er veel fraaie formuleringen. ‘De zon schuift voor de zon.’ ‘Nog voor het eind van het festijn/ zal ik de grootste zoekterm zijn.’ ‘Zo kostbaar kan een kut niet zijn.’ ‘Voor mij is de natuur een kapotte tv.’ Toch is het allemaal te weinig om de bundel te redden. De gedichten worden even aangeknipt en weer gedoofd, ze gaan, los van de zwartgallige toon, te weinig verbindingen met elkaar aan om een coherent verhaal te kunnen vertellen, en elk afzonderlijk hebben ze te weinig te bieden om door te gaan voor perfect geconstrueerde mechaniekjes waarnaar je langer dan een paar minuten wilt kijken. ‘Toch mooi dat dit/ gedicht niet nodig is’, schrijft hij in Geluk heeft een adres. Dat is een behartenswaardige uitspraak. Het komt wel weer goed met Wigmans poëzie, maar met deze bundel had hij beter nog wat kunnen wachten.


Afgeblauwd

Een droom pinnen, een droom. – We groeiden op,

het grijze brood werd hard in onze handen,

de lucht leek afgeblauwd, niets bracht geluk.

Een droom pinnen, een feest, een mond, iets snels,

veel drank, veel drugs. De zee oogt afgeblauwd.

We groeiden op. We hadden geen geluk.

En nu. De dag is ongesteld. Nou en?

Ik ben mijn eigen voorjaar, lieg, verteken

en alles wat ik meekreeg van het leven

is dat het lang en lastig is gebleken.