Oefenen in ontsnappen

Strakgespannen prikkeldraad

Dirk Ayelt Kooiman
Oefenen in ontsnappen
De Harmonie, 188 blz., €16,50

Stel, je bent een jongen van tien jaar, je hebt een broertje van acht, je woont in een mooie villa, je ouders hebben het gemaakt. Je komt op een middag met je broertje uit school en je ouders zijn er niet. ‘De ontbijttafel is onafgeruimd. Het brood ligt te verdrogen in het mandje. Zelfs de fles melk is niet teruggezet in de ijskast. Alleen het radiootje lispelt nog voor zich uit op het buffet.’ Dirk Ayelt Kooiman maakt van dit verontrustende gegeven in het eerste verhaal uit deze verhalenbundel een bijna lichtvoetige soap, al moet je zijn precieze schrijfwijze niet onderschatten, zie bovenstaand citaat. De jongens melden zich ten slotte ‘s avonds dan maar bij een tante die iets verderop woont en uiteindelijk komt de aap uit de mouw: beide ouders zijn per vliegtuig voorgoed vertrokken. Zonder plichtplegingen, zonder afscheid te nemen, ze laten de kinderen doodgewoon barsten: ze hebben de bank opgelicht. Het ging Kooiman hierbij vast en zeker om de vanzelfsprekendheid van ons dagelijks leven, niks aan de hand, straks komen papa en mama thuis en staat het eten op tafel. Villawijk, aardige mensen, alles kits. Geen vuiltje aan de lucht. En dan ineens, boem, weg alle zekerheden, zomaar. Hadden die ouders die kinderen niet mee kunnen nemen? Bij Kooiman dus niet, bij hem begint de wanhoop pas na het verhaal: als je beseft hoe die twee jongens verder moeten leven.

In het verhaal De vlucht naar voren beleven we gedetailleerd opkomst en ondergang van een beschaafde gewoontedrinker. Eerst zet Kooiman ons de verschrikkingen van een kater voor. ‘Hij slikt een afschuwelijke smaak weg, ruikt zelf de verschaalde lucht die hij verspreidt, en mompelt een vruchteloze verwensing in het kussen.’ Vruchteloos is het woord dat hier precies past. In dit zwarte verhaal zijn alle pogingen aan koning alcohol te ontsnappen totaal vruchteloos. De schrijver zet met bijna sardonisch genoegen de rationalisaties op een rij waarmee de ware drinker, vooral hij of zij die denkt toch echt geen alcoholist te zijn, aan zijn lot probeert te ontkomen. Het moet aan mij liggen, maar ik heb er af en toe verschrikkelijk om gelachen, vermoedelijk toch ook omdat er veel herkenbaars te ontdekken valt. Al die kletspraat van de geroutineerde innemer, al die smoesjes, al dat zelfmedelijden, Kooiman pepert het ons ongenadig in en je ziet hem bijna grijnzen bij weer het volgende detail. Ondertussen zet hij de teloorgang van deze nietsnut die zichzelf tevergeefs overeind probeert te houden, buitengewoon knap op een rij. En uitermate geestig. Zijn veelbelovende jeugd, de eerste ontdekking van de wonderlijke metamorfose die dankzij alcohol optreedt, de gewenning, de toenemende verloedering, de black-outs. Plus de krankzinnige rituelen van cafébezoek, waaraan je wel wilt maar niet kunt ontsnappen. En steeds hanteert hij een precieze, bijna filmische stijl die geen detail ongenoemd laat, waardoor deze geschiedenis mij stevig bij de lurven pakte. ‘Hoewel hij alweer jaren in het huis woont, vertoont het interieur nog altijd sporen van de verhuizing.’ In zo’n zin schuilt de hele morbide tragiek, Kooiman grossiert erin.

Het mooiste is het lange slotverhaal. Een naamloze gevangene ontsnapt in een naamloos land uit een kamp en probeert bevrijd gebied te bereiken, waar dat ook moge zijn. Meer is het niet, zou je zeggen, maar het is wel een gegeven waarop veel grote literatuur is gebaseerd: iemand baant zich, al of niet symbolisch, een weg door onbekend en gevaarlijk terrein. Kooiman maakt van dit basale gegeven een waar epos. Nauwelijks dialoog, alleen uitvoerige beschrijvingen van weilanden, bossen, steden, waar de eenzame vluchteling zijn belagers moet zien voor te blijven. Zijn beschrijvingskunst stijgt naar grote hoogte. ‘Via dicht, steil opgaand kreupelhout, waarin hij worstelend met takken en blootliggende wortels, vrijwel op de tast zijn weg moet zoeken, belandt hij aan de rand van een macabere, tot de laatste grasspriet omgeploegde strook aarde, overdekt met bandensporen en afdrukken van zolen. Links en rechts verrijzen, in twee lange, in de verte afbuigende rijen, geknikte betonnen palen, verbonden door strakgespannen prikkeldraad.’ Paranoia in optima forma. Clichés uit de ontsnappingsliteratuur gaat Kooiman zorgvuldig uit de weg. Ik rekende al, zo’n lezer ben ik wel, op een gepeperde seksscène wanneer een jonge en eenzame boerin de held op eten trakteert, maar ook zij ontpopt zich tot een levensgevaarlijke verraadster.

Je zou Kooimans verhaal uiteraard kunnen lezen als een zwartgallige metafoor van de vergeefsheid van ieder menselijk streven, maar dan breng je het wel erg snel terug tot een flauw, zij het kwaadaardig, sprookje waar we ons verder niets van aan hoeven te trekken. Er is heel wat meer aan de hand, er gebeurde bij mij iets merkwaardigs toen ik het las. Ik begon het steeds langzamer te lezen, ik wilde blijkbaar dat er geen einde aan zou komen. Voort en voort moest het gaan. Laat deze man ontsnappen, dacht ik, maar als hij ontsnapt, is het verhaal tegelijk ook afgelopen, realiseerde ik me, laat hem dus niet ontsnappen. Laat er geen einde aan de ontsnappingspoging komen, geef ook mij hoop op een voortdurende ontsnapping. Hoe moet ik dit beter uitleggen? Aan de andere kant besefte ik dat de precieze stijl van deze schrijfkunstenaar mij in zijn ban begon te krijgen. Ik vertraagde mijn lezing omdat ik zijn zinnen nader wilde proeven, ze langer wilde overpeinzen dan voor de tijd van het lezen werkelijk nodig was. Ik begon dus een precieze lezer te worden. Het drong tot me door dat dit verhaal, als je er even over nadenkt, een zeer geslaagde verdediging is van de kunst die literatuur heet.