Jutta Chorus en Hella S. Haasse

‘Straks weet je álles van Drenthe!’

Hoe schrijf je een portret van koningin Beatrix? Hella Haasse en Jutta Chorus begrepen die paradox: een menselijk portret van een symbool is in feite een contradictio in terminis. Toch kan het, zo blijkt.

Medium koningin3 anton corbijn

In 2000 bezochten Beatrix en Claus het Concertgebouw. Met een klein gezelschap wachtten ze in een kamer tot het concert zou beginnen en de koningin haar entree kon maken. Beatrix stond in een hoek van de kamer, Claus in de andere. Hij doodde de tijd met grapjes maken tegen een bestuurslid van het orkest. Of dat niet, net als in Afrika, zonder kleren aan kon spelen? Het orkest telde zo veel vrouwelijke musici! Daar zijn wij toch veel te oud voor, antwoordde het bestuurslid. ‘Ik weet niet hoe oud ik ben’, zei Claus en hij probeerde zijn vrouw bij het schertsende gesprekje te betrekken. ‘Bea’, riep hij. Geen reactie. Daarna iets dwingender: ‘Beatrix.’ Ze hoorde het niet. ‘Wacht maar’, zei Claus tegen het bestuurslid. ‘Ik weet precies hoe ik haar aandacht moet trekken.’ En hij riep luid door de kamer: ‘Majesteit!’ Ze draaide zich meteen om.

De anekdote, door Jutta Chorus opgetekend in Beatrix: Dwars door alle weerstand heen, is treffend. Ze laat niet alleen zien hoe prins Claus aan het eind van zijn leven op een charmante manier een loopje kon nemen met het protocol, ze bevestigt ook hoe Beatrix is vergroeid met haar koninklijke rol. Van begin af aan wilde ze het, zoals ze Ruud Lubbers toevertrouwde, ‘serieus aanpakken’. Serieuzer in ieder geval dan haar ouders, die het voortbestaan van de monarchie op het spel hadden gezet. Bernhard met zijn strapatsen, Juliana met haar rommelige mevrouwigheid. Beatrix wilde het ambt, in de woorden van voormalig vice-voorzitter van de Raad van State Herman Tjeenk Willink, ‘ongeschonden in alle waardigheid’ doorgeven.

Beatrix realiseerde zich dat ze het ambt weer statuur kon geven door met overgave symbool te zijn. Een instituut. Zij moest de gemeenschap symboliseren die alle Nederlanders gezamenlijk vormden. Daarom scherpte ze als koningin het protocol aan, liet ze zich ‘majesteit’ noemen in plaats van ‘mevrouw’. Daarom vond ze populariteit ‘gevaarlijk’: dat was de waan van de dag, terwijl het koningschap een adem moest hebben die over de generaties heen ging. Daarom was haar werkmotto: ‘No surprises.’

Tjeenk Willink formuleerde ook een paradox van het moderne koningschap. Aan de ene kant is er in een tijd van grote veranderingen grote behoefte aan iemand die boven de partijen staat en het algemeen belang symboliseert. Aan de andere kant wordt een dergelijke rol in deze veranderlijke tijd maar moeilijk geaccepteerd en stellen mensen telkens de vraag: ‘Wat kost het? Is het efficiënt? En: hoezo algemeen belang?’

Daar is nog een paradox aan toe te voegen: hoe kun je symbool zijn, bij uitstek iets abstracts, onpersoonlijks en eeuwigs, in een tijd waarin het concrete, het persoonlijke en het spektakel van de dag hoogtij vieren?

In het mooie, tijdloze portret dat Hella Haasse van kroonprinses Beatrix schreef voor haar achttiende verjaardag begint ze met een essayistische uitweiding over hóe een portret van de koning te maken. ‘Neem een bezemsteel’, schrijft Haasse, ‘zet er een kroon op, en vraag: wie is dat? De kleinste kinderen weten het: de koning! De kroon is immers voldoende. De koning is zijn kroon.’

De kroon is tegenwoordig helemaal niet meer voldoende. Haasse stelt dat het niet om de levende mens gaat, maar om zijn vermogen symbool te zijn en dat het er niet om gaat wat de koningin als mens denkt wanneer zij bijvoorbeeld voorbij rijdt in de Gouden Koets, maar dat het erom gaat dát zij voorbij rijdt. Maar tegelijkertijd is ze zich bewust van de ‘onverzadiglijke nieuwsgierigheid’ van het grote publiek naar inside information over vorstelijke personen. En ze beseft dat als je in de koning vooral het menselijke individu gaat zien, als hij mens wordt, de kans groot is dat het meteen ook het einde van het koningschap betekent. Een individu, met al zijn particuliere oordelen en eigenschappen, is geen eenheidssymbool. Of zoals Haasse schrijft: ‘Leg de nadruk op de man of vrouw die de kroon draagt, leg er de nadruk op dat niets menselijks hem of haar vreemd is en de kroon wordt bijzaak, een rekwisiet, een schertsartikel.’

Die paradox – het symbolische en het individueel menselijke gaan niet samen, terwijl de behoefte aan het persoonlijke alleen maar groeit – verwoordde Hella Haasse al in 1955. De paradox was bij haar ook uitgangspunt bij het portretteren van Beatrix. Hoe kun je de lezer kennis laten maken met iemand die wel een tipje van de sluier van haar privé-leven wil oplichten – maar niet te veel? Hoe kun je je empathie, instrument bij uitstek bij het maken van een portret, inzetten als zich zoveel onttrekt aan het gewoon menselijke? Wij eisen namelijk van de koning ‘eenheidssymbool en voorwerp voor de projectie van een gemeenschappelijk nationaal superego te zijn, degene in wie wij de beheersing, het heersen dat dienen is, de glorie die zelfverloochening betekent, belichaamd willen zien’.

Bij Jutta Chorus valt het ook te lezen: Beatrix heeft het koningschap niet ‘gekozen’, wel ‘aanvaard’. Het is een ‘door God opgelegde taak’, een ‘heilige opdracht’. Koningschap is het volk ‘dienen’ en een ‘offer’ brengen als het om het eigen leven gaat. Het zijn allemaal sacrale noties, noties ook waar het moeilijk mee identificeren is. Bij Chorus is die paradox van Haasse dan ook eveneens voelbaar: hoe een biografisch boek te maken over de koningin? Daar komen bovendien nog (samenhangende) praktische problemen bij: de koningin kan zelf niet vrijuit spreken en het is moeilijk zegslieden te vinden die dicht bij Beatrix staan, omdat zij geen inbreuk op haar privacy willen maken en soms ook bang zijn voor repercussies.

Een menselijk portret van een symbool – het is in feite een contradictio in terminis. Misschien dat daarom ook zoveel boeken over het koningshuis mislukken. Schrijvers willen of te graag het symbool ontheiligen en vervallen in achterklap, complot en venijn, of ze willen het symbool behagen, waardoor hun boek te knipmessend is. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval in Willem-Alexander: Van prins tot koning van _Volkskrant-_journalisten Jan Hoedeman en Remco Meijer. Via de Rijksvoorlichtingsdienst benaderden ze de kroonprins, die niet kon meewerken, maar wel een ‘verklaring van geen bezwaar’ aflegde, waardoor de nodige bekenden en intimi met de biografen wilden praten. Dat levert een goed gedocumenteerde maar weinig verrassende en nogal brave biografie op, waarin geautoriseerde citaten als het volgende van een voormalig kinderverzorgster staan: ‘Het is een eer voor mij geweest dat deze bijzondere ouders mij hun drie kinderen gedurende bijna vier onvergetelijke jaren hebben toevertrouwd.’ Willem-Alexander komt in het boek niet echt tot leven.

Jutta Chorus schopt niet en slijmt niet. Het knappe van haar boek is dat ze een haarscherp beeld van Beatrix weet te schilderen, Beatrix menselijk weet te maken, zonder grenzen te overschrijden die te privé zijn. Het gaat haar ook niet om de mens achter het ambt; waar Beatrix is, is het ambt ook altijd. Ze concentreert zich op de periode van 1999 tot 2005, de ‘zware jaren’, waarin Beatrix geconfronteerd werd met de dood van Claus en haar ouders, met de affaires rond nichtje Margarita, Mabel en haar ‘vriendschap’ met Klaas Bruinsma, Máxima en haar ‘foute’ vader en met het opkomend populisme. Het was een periode waarin de kritiek op haar groeide. Na een vernietigende kritiek in de Volkskrant op de tentoonstelling die ze in 2000 in het Stedelijk Museum had ingericht, verzuchtte ze: ‘Ik kan geen goed meer doen in dit land.’

Het is in zekere zin een tragisch verhaal dat Chorus vertelt. De koningin die het allemaal anders, beter wilde doen, de perfectioniste, de vrouw met het permanente plichtsbesef die altijd harder werkte dan nodig was, opdat ze maar controle hield – ze oogstte vooral bewondering, niet direct liefde. ‘Straks weet je álles van Drenthe!’ riep Claus toen zij een bezoek aan de provincie tot in de puntjes voorbereidde. ‘Meer dan de mensen die je ontvangen. Wat moeten ze je daar straks nog vertellen?’ Els Borst vertelt hoe zij als minister van Gezondheidszorg altijd een lijst namen opstelde van mensen die een lintje kregen. Er stonden een keer twee fout gespelde namen op, die de koningin had verbeterd. Chorus beschrijft dat Borst de ambtenaar die het stuk had voorbereid had uitgefoeterd. Maar ze dacht ook: moet iemand van het niveau van Beatrix zich daarmee bezighouden, met spelfouten?

Beatrix was ook de koningin die altijd reflecteerde op het koningschap, mede onder invloed van Claus, die de republikeinse idee heel redelijk vond. Bij de tegenstand die ze ondervond, of het nu om de rookbommen bij haar huwelijk ging of om de stadsoorlog op de dag van haar inhuldiging – telkens stelde zij zich de vraag waar de woede van het volk op berustte. Waren het maatschappelijke onlustgevoelens, was het gericht tegen het symbool dat zij belichaamde, of had men het op haar gemunt? Chorus begint haar boek met een onthullend hoofdstuk over de ‘huiselijke gespreksgroep’ – zo genoemd door deelnemer Kees Schuyt – die Beatrix in 2000 instelde. Informele bijeenkomsten moesten dat zijn, voorzover bijeenkomsten op Huis ten Bosch informeel kunnen zijn, waarin onafhankelijke deskundigen zich bogen over de tijdgeest. De koningin voorvoelde het populisme, misschien ook omdat in de kritiek die zij zelf in toenemende mate kreeg een vleugje populisme zat. De positie van de koningin en het belang en de betekenis van het koningschap stonden ook op de agenda.

De koningin die het uiterste van zichzelf vergde, had een volk dat het allemaal niet goed genoeg vond. Of beter gezegd: het volk wilde niet altijd een perfectioniste, maar een Mensch. Chorus citeert met instemming _Trouw-_columnist Willem Breedveld, die constateerde dat Beatrix een ‘nagenoeg vlekkeloos koningschap’ uitoefende. ‘Strikt genomen valt Beatrix weinig te verwijten, misschien is dat het probleem wel. Een te vlekkeloos en te perfectionistisch koningschap.’ En Chorus observeert dat Beatrix de meeste waardering oogstte op de momenten dat ze er het minst voor deed: een zucht of een traan bij het bezoek aan een rampgebied, een hand voor de ontstelde mond op die Koninginnedag in Amersfoort, toen een verwarde man op het publiek inreed.

‘Dat is misschien wel de tragiek van haar koningschap’, schrijft Chorus. ‘Alle moeite die zij zich getroostte om haar functie te vervolmaken, heeft haar niet meer sympathie bezorgd. Maar elk noodlottig incident was voor het volk genoeg om haar innig in de armen te sluiten.’

Bij het omstreden bezoek aan Oman twee jaar geleden, dat vanwege de Arabische lente geen staatsbezoek mocht zijn, had Beatrix een privé-diner met de sultan, die kort daarvoor met scherp had laten schieten op demonstranten. De meegereisde journalisten vroegen haar of ze daar privé of als staatshoofd was. ‘Ik ben altijd koningin’, zei ze. ‘Dag en nacht. Altijd vertegenwoordig ik Nederland. Of u dat nou leuk vindt of niet.’ Op dezelfde vraag antwoordde Willem-Alexander: ‘Staatsbanket of privé-diner? Eten moet je toch.’


Beeld: (Anton Corbijn / RVD)