Stralend taalgevecht

Het Filmfestival in Utrecht probeert groot en groots te doen met Nederlandse films. De aardigste Nederlandse films zijn echter klein en bescheiden. De middelen zijn beperkt en de meer inventieve cineasten woekeren met de hen toebemeten ruimte.

Roeien met de riemen die je hebt. Weinig is potsierlijker dan in een roeiboot doen of je op een jacht zit. Theo van Gogh blaast dit credo tegenwoordig hoog van de toren nadat hij in het verleden met niet-zeewaardige jachten te ruim sop heeft gekozen.
Een filmmaker die zich nooit groter heeft voorgedaan, is Frans van de Staak. Hij wordt altijd beschouwd als een wat vreemde buitenstaander, maar goed beschouwd is hij de ultieme Nederlandse filmmaker. Van de Staak heeft een rij lange speelfilms gemaakt, maar hij blijft een outsider. Dat komt doordat zijn mild-rigide en professioneel-amateuristische films de naam hebben moeilijk en ondoordringbaar te zijn. Maar ze zijn helder als glas en voor iedere Nederlander te begrijpen.
Zijn nieuwste film, Schijnsel, is daar een goed voorbeeld van.
Nederland is geen land met louter mooie mensen. Toch zoekt bijna iedere filmmaker voor de hoofdrollen van zijn film naar ideale modellen. Te mooi om waar te zijn. Schijnsel gaat over twee mensen. Een man en een vrouw die de hele film lang bijna permanent in beeld zijn. Van de Staak koos voor Frieda Pittoors en Bert Luppes. Onbekende filmacteurs. Geen schoonheden. Wel acteurs die bedachtzaam een Nederlandse zin kunnen uitspreken zodat hij klinkt als een Nederlandse zin. Schijnsel is een taalgevecht tussen een man en een vrouw en Van de Staak en Pittoors en Luppes hebben er hard aan gewerkt om te zorgen dat de film niet alleen over het gevecht gaat, maar ook over de taal. Door dit harde werk zijn gewone mensen bijzonder geworden en klinkt de ordinaire Nederlandse taal als een ongehoord libretto.
Niet iedereen in Nederland woont in een adembenemend huis. Toch zoekt bijna iedere filmmaker naar dromen van locaties. Interieurs uit glimmende woonbladen zonder enig spoor van leven. Schijnsel speelt zich niet af in decors, maar in echte huizen. Binnenkamers waar intensief werd geleefd en ruzie gemaakt ver voordat de camera werd opgesteld. Ook als de crew is vetrokken, zal hier het lieve leven weer zijn gang gaan. Niet dat Van de Staak streeft naar een hoog realistisch gehalte. Eerder moet je zeggen: Juist niet. Maar bij zijn stilering van de werkelijkheid vertrekt hij nadrukkelijk vanuit een zo gewoon mogelijke situatie. De vervreemding komt niet uit de lucht vallen. Die is overal om ons heen en hoeft slechts zichtbaar gemaakt te worden. Als je daar oog en oor voor hebt. Zoals Van de Staak.
Er is veel en ook wel terecht gemopperd over het weinig stimulerende en onvruchtbare Nederlandse filmklimaat. Een kanttekening hierbij kan zijn dat het toch maar mogelijk is gebleken dat een Van de Staak in deze woestijn een heus en coherent oeuvre heeft opgebouwd. Het is vast niet vanzelf gegaan. Er zijn zeker offers gebracht. Maar hoe spaarzaam dan ook; Van de Staak heeft in Nederland steun gevonden. Er zullen vast mensen zijn die dit nu juist een bewijs vinden van de zwakte van de Nederlandse filmsubsidiëring, maar ik beschouw het als een groot goed.
Van de Staak krijgt voor Schijnsel de L.J. Jordaan-prijs van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst. De Filmkrant maakte daar in zijn anonieme roddelrubriek een wat zure opmerking over. Jurylid Rieks Hadders zou als distributeur van de film een eigenbelang hebben bij de toekenning van de prijs. Alsof er aan een Van de Staak geld te verdienen zou zijn. Laat ik als mede-jurylid onthullen dat het initiatief niet van de tegenstribbelende non-profit-filmverhuurder kwam. Wat een gedachte dat ik me door de gladde Hadders in de luren zou hebben laten leggen! Van de Staak krijgt een mooie prijs en daar ben ik trots op. Als het aan mij ligt krijgt hij ook nog een Gouden Kalf. En een Oscar.