Sport

Streek

In de wielerkoers die wel Gent-Gent wordt genoemd maar toch best ver is en die in het echt Omloop Het Nieuwsblad heet omdat hij altijd Omloop Het Volk heette maar omdat Het Volk niet meer bestaat dus een nieuwe naam heeft gekregen – in die koers dus groeide de jonge Sebastian Langeveld uit tot de schlemiel van de dag.
Dat kwam zo. Langeveld lag aan het slot van de koers voorop met een medevluchter, Heinrich Haussler, Duitser en sprinter van formaat. Ze hadden een minuut voorsprong op een groep achtervolgers die voor het grootste deel bestond uit ploeggenoten van Langeveld, van de Rabobank. Minstens vier. De afstand tot de finish was zodanig dat Langeveld en Haussler op kop zouden kunnen blijven als de achtervolgers niet al te hard zouden rijden.
De gewoonte is dat een ploeg waarvan iemand op kop ligt zo goed mogelijk probeert de tegenstanders ‘af te stoppen’, niet door direct in de remmen te knijpen of spaken in wielen te steken, maar door bijvoorbeeld niet te gaan demarreren, omdat dat het tempo snel verhoogt en alleen maar de concurrenten meeneemt. De man vooruit kan winnen als de rest van de ploeg niet aanvalt. Lijkt logisch.
Maar dat is het niet altijd. Bijvoorbeeld in Gent-Gent was het niet logisch. Tenminste niet voor de ploegleider van Rabobank, Erik Dekker, voormalig wielrenner van niveau. Dekker had namelijk bedacht dat zijn Sebastian geen schijn van kans had. Als Haussler en hij met z’n tweeën naar de finish zouden rijden, zou hij er dubbel en dwars op worden gelegd door de Germaans krachtpatser. In de sprint maakte Langeveld geen enkele kans.
Dacht Dekker. Dus toen Langeveld die minuut voorsprong had gelastte Dekker de vier Rabo-renners in de achtervolgende groep om te gaan aanvallen. Een voor een proberen weg te springen uit de groep en naar de koplopers toe rijden. Dus gingen een voor een de Rabo’s er vandoor, steeds harder. In hun wiel sprong telkens een van de concurrenten uit de kopgroep, die tot hun verbazing zagen hoe de achterstand snel werd overbrugd dankzij de inspanningen van de Rabo’s die een ploeggenoot aan kop hadden.
Ze krabden zich eens achter de oren, Hushovd en Van Avermaet en de anderen. In een zetel werden ze naar de meet gebracht, waar Hushovd uiteindelijk met twee vingers in de neus de sprint won. Langeveld en Haussler werden driehonderd meter voor de finish ingehaald door de jagende groep. Langeveld, die ook nog ten val kwam, werd 94ste.
Arme Sebastian Langeveld. Dat is nou een streek. Het is wat je noemt een rotstreek. Hem werd een kunstje geflikt. Een loer gedraaid. Er werd met zijn voeten gespeeld. Hij werd, in goed Bargoens, voor lul gezet. Voor aap. Langeveld stond voor joker en voor paal.
Zit je daar te fietsen alsof je leven ervan afhangt, weet je zeker dat je wél een kans maakt tegen die sprintende Duitser, omdat je goeie benen hebt, en zie je hoe je je voorsprong vasthoudt, en je rekent erop dat de ploeg je zal steunen en ervoor zorgt dat er geen mensen van achteruit je gaan inhalen – en dan krijg je opeens dat: je eigen ploeggenoten komen als idioten achter je aan, in een spervuur van demarrages, en wie komen daar met ze mee? Ja hoor, Thor Hushovd en Greg Van Avermaet en andere rappe mannen. Wat is dat?
Dat is erg. In de krant zegt ploegleider Dekker eerst de hele tijd dat Sebastian Langeveld zo’n geweldig talent is, en een aanwinst voor de ploeg. En op tv prijst hij hem om zijn kwaliteiten – maar dan als het erop aankomt is het: o nee, als Sebastian die etappe voor ons moet winnen, nou daar heb ik geen fiducie in, hoor. Nee, dan kunnen beter die anderen het proberen.
Achterbaks. Stiekem. Achter de ellebogen. Kun je dat die jongen dan niet recht in z’n smoel zeggen? ‘Tsja, Langeveld, in de krant zeg ik dan wel steeds dat je zo goed bent, maar eigenlijk vind ik dat helemaal niet. Eigenlijk vind ik je een laagvlieger. En een enorme loser.’
Alsof hij midden in de Kalverstraat op zaterdagmiddag in zijn blote kont staat: zo voelt Sebastian Langeveld zich. Alsof hij tijdens een spreekbeurt in zijn broek plast van de zenuwen en dat de hele klas dat ziet. Alsof de leraar zegt dat hij een goede leerling is en zich geen zorgen moet maken en hem dan voor zijn tentamen een drie geeft.
Deuk. Hoorde ik daar een zelfvertrouwen?
Knak. Hoorde ik daar een ruggengraatje?
Krak. Brak daar een hart? Of een carrière? Of iets in een knop?