INBURGEREN OP Z’N AMERIKAANS

Streepjesloze Amerikanen

Een eeuw geleden vroegen steeds meer Amerikanen zich af of de nieuwkomers uit Zuid- en Oost-Europa ooit echte Amerikanen konden worden. Frances Kellors amerikaniseringsbeweging was het gevolg, inburgering in het kwadraat.

IN 1896 KWAM een einde aan Amerika’s tot dan toe diepste economische depressie. Toen de economie aantrok, stegen ook de aantallen immigranten weer. Ze kwamen nu steeds meer uit Oost- en Zuid-Europa. Vooral de Italianen uit Sicilië en de Russische joden wekten grote bezorgdheid. Zouden deze arme, ongeletterde en cultureel totaal anders levende nieuwkomers wel Amerikaan kunnen worden? Zouden ze wel ‘integreerbaar’ zijn?
Tot pakweg 1900 maakten Amerikanen zich niet erg druk over het proces van assimilatie. Zoals altijd waren er onderhuidse anti-immigratiegevoelens, maar de pogingen om die te kanaliseren in een politieke beweging zoals dat was gebeurd rond 1850 liepen op niets uit. De meeste Amerikanen namen voetstoots aan dat nieuwkomers vanzelf net zo zouden worden als zij. Vooral onderwijs werd gezien als een middel tot integratie. Maar met de grote aantallen nieuwkomers begon men zich af te vragen of er niet meer moest gebeuren. Moesten ze niet actief geïntegreerd worden?
De impuls daarvoor kwam uit twee hoeken. Enerzijds waren er sociaal werkers als Jane Addams en haar vrienden, de progressieve beweging rondom haar Hull House in Chicago. Zij wilden de mensen helpen in de hun vertrouwde omgeving en, zouden we tegenwoordig zeggen, met behoud van de basiselementen van hun eigen cultuur. Anderzijds waren er actieve groepen met een patriottische, ‘hup Amerika’-houding. Zo organiseerden de Daughters of the American Revolution lessen in Amerikaanse geschiedenis en politiek ‘om aanstaande kiezers op hun burgerplicht voor te bereiden’. Ze waren overigens wel zo praktisch die lessen in diverse talen aan te bieden. Iets dergelijks deed de even keurige Society of Colonial Dames in 1904. Na de moord op president McKinley in 1901, door een anarchist die ook nog eens tweede generatie Pool was, hadden ook de Sons of the Revolution zich op deze taak gestort.
De doelstelling was in alle gevallen welgemeend: goede burgers maken van buitenlanders. Dat betekende dat ze zo snel mogelijk Amerikaan moesten worden. Na de moord op McKinley zat er ook een politieke motivatie achter. Deze Amerikanen waren bang. Bang voor radicalen, bang voor on-Amerikaanse heethoofden, bang voor geweld, bang voor de revolutie. Het was dit soort angst dat leidde tot meer militant nationalisme, en later, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, tot verregaande intolerantie.
Theodore Roosevelt, president van 1901 tot 1909, stond over het geheel genomen vriendelijk tegenover immigranten, maar dan moesten ze wel Amerikaan worden – liefst snel. Wat betekende dat? Wel, zei Roosevelt, ‘we moeten ze helemaal amerikaniseren, in spraak, in politieke ideeën en principes, en in hun manier van kijken naar de verhouding tussen kerk en staat’. Roosevelt draaide er niet omheen. Hij vond dat elke immigrant zijn Oude Wereld-ideeën over geloof, ras en nationalisme maar snel achter zich moest laten. Deze sentimenten moest hij omzetten in liefde voor ‘ons gezamenlijke land’ en trots op de dingen ‘waar we allemaal trots op kunnen zijn’. Dat betekende volgens Roosevelt respect voor de vlag, het vieren van de geboortedag van Washington en niet de verjaardag van de keizer, en Fourth of July in plaats van Saint Patrick’s Day. ‘Bovenal moet de immigrant leren te praten en te denken en te zijn als Amerikaan’, stelde de president.
Onder Roosevelt werden de eerste stappen gezet naar een nieuwe immigratiewetgeving, die in 1924 zou culmineren in een vrijwel volledige immigratiestop. Hij scherpte de eisen aan voor naturalisatie. Je moest minstens vijf achtereenvolgende jaren in Amerika hebben gewoond om daartoe een verzoek in te kunnen dienen. Verder moest je bewijzen goed Engels te spreken, geen anarchist te zijn en voor de goede orde moest je je ook beperken tot één vrouw. Ook steunde de president wetgeving die nieuwe immigranten dwong naar bepaalde delen van het land te gaan, vooral het zuiden en het westen. Spreiding zouden wij het noemen. Het idee erachter zal bekend voorkomen: de regering wilde nieuwe aanwas van etnische gemeenschappen in het oosten en middenwesten voorkomen. Dat mag allemaal nogal interventionistisch klinken, het was precies waarom Roosevelt behoorlijk goed lag bij de sociaal-progressieve Amerikanen die veel met immigranten werkten.
Een van hen was Frances Kellor, de vrouw achter de ideeën over amerikanisering. Haar carrière laat beide facetten daarvan zien; ze was deels sociaal hervormer en deels nationalist. Na een korte carrière als journalist studeerde Kellor rechten aan Cornell University en sociologie en sociaal werk in Chicago. Rond de eeuwwisseling stortte deze indrukwekkende vrouw zich in het sociaal werk in de sloppenwijken van New York. In 1904 schreef ze Out of Work, een onthullend onderzoek naar de manier waarop arbeidsbureaus vrouwen en immigranten uitbuitten.
Kellors bemoeienis met amerikanisering als programma begon in 1908, toen gouverneur Charles Evan Hughes van New York (die in 1916 presidentskandidaat zou zijn) haar onderzoek liet doen naar de werkomstandigheden van immigranten en dagarbeiders. Ze kwam met de eerste goed gedocumenteerde studie van immigranten, waarna Hughes haar benoemde tot directeur van het Bureau of Industries and Immigration, dat zou gaan toezien op de ontvangst van nieuwkomers. Het bureau luisterde naar klachten, voorkwam fraude, gaf advies en verrichtte permanent onderzoek. Zo kwam het tot wetgeving op het terrein van behuizing, banken en scheepsagenten.
Rond die tijd lanceerde een groep zakenlui uit New England in Boston de North American Civic League for Immigrants. De stichters hadden zo hun eigen belangen: ze wilden zeker geen immigratiestop, daarvoor hadden ze de arbeiders te hard nodig. Maar die lastige en domme buitenlanders moesten wel een handje geholpen worden. De League combineerde hulp met propaganda. Ze zorgde ervoor dat nieuwkomers advies kregen over banen, behuizing en transport, en sponsorde patriottische lezingen op de avondscholen. Met steun van een groep rijke New Yorkers zette Kellor eind 1909 een New Yorkse afdeling op.
Kellor had echter grotere ambities. Ze probeerde onderwijs voor immigranten te bevorderen en eiste van wetgevers beschermende wetgeving. Dat was wat al te sociaal voor de afdeling Boston, die een reactionaire richting insloeg. In 1914 scheidde de New Yorkse afdeling zich af en richtte een nieuwe club op, het Committee for Immigrants in America, met Kellor als leider. Andere staten aan de oostkust volgden haar voorbeeld, net als Californië. Overal in de grote steden waren inmiddels avondscholen opgericht waar men Engels kon leren. Voor Kellor was dit allemaal nog te ongecoördineerd. Ze wilde actie van de federale overheid. Zonder nationaal doel zou amerikanisering niets opleveren, vreesde Kellor.

HET BEGIN VAN DE EERSTE WERELDOORLOG bood zo’n nationaal doel. Daarmee sloop er wel een patriottische geest in de amerikaniseringsbeweging. Het begon met een poging om de naturalisatiebijeenkomsten wat meer cachet te geven. Als je Amerikaan werd, moest dat feestelijk gevierd worden en niet zomaar een administratieve procedure zijn. In een soort pr-campagne organiseerde men op 10 mei 1915 een publieke ontvangst voor de net genaturaliseerde burgers. President Wilson kwam er speciaal voor naar Philadelphia. Hij hield een belangrijke toespraak over neutraliteit, maar onderstreepte ook de bijdragen van al die immigranten aan de Amerikaanse samenleving.
Het inspireerde Frances Kellor tot de oprichting van het National Americanization Day Committee, dat dit soort ontvangsten in het hele land wilde organiseren. Daartoe moest Onafhankelijkheidsdag, 4 juli, worden omgedoopt in Americanization Day. Kellor slaagde erin medewerking te krijgen van burgemeesters, scholen, kerken en burgers, en op 4 juli dat jaar vond in 107 steden een Americanization Day plaats onder de slogan ‘Many Peoples, But One Nation’.
In de loop van 1915 werden zaken als loyaliteit, breken met de oude wereld en onderwijs in de Amerikaanse cultuur geleidelijk aan belangrijker dan de sociale onderwerpen. Loyaliteit werd nu gecontrasteerd met ‘dual citizenship’, Amerikanen met twee loyaliteiten. De nieuwe slogan werd ‘America First’. Ondertussen klonk Kellor steeds schriller, vooral in haar boek uit 1916, Straight America. Daarin pleitte ze voor militaire voorbereidingen, industriële mobilisering, algemene dienstplicht en amerikanisering ten behoeve van een sterker en vitaler nationalisme. Dat zagen zakenlui ook zitten, maar toch vooral om de productiviteit en de moraal te verhogen. Niet alleen Kellor klonk schriller, heel Amerika bereidde zich voor op oorlog. Drie dagen nadat het passagiersschip de Lusitania in april 1915 voor de Ierse kust door de Duitsers was getorpedeerd, had president Wilson al gesteld dat je nooit een complete Amerikaan kon worden als je in groepen bleef denken.

IN DE PUBLIEKE OPINIE stonden de Duitse Amerikanen geboekstaafd als de meest geassimileerde en meest keurige van alle immigranten. Nog in 1903 verklaarde een socioloog in Boston dat Duitsers het beste etnische type in de stad waren. Vijf jaar later stelde een onderzoeksgroep vast dat als je de eigenschappen van etnische groepen vergeleek, de Duitsers ‘ver uitstaken’ boven de rest en soms ‘zelfs beter’ waren dan autochtone Amerikanen. Hun sociale status was aanmerkelijk hoger dan die van andere immigranten. Al die pluimstrijkerij maakte de Duits-Amerikaanse leiders wat arrogant. Bescheidenheid kwam hun niet aanwaaien, dat was meer iets voor immigrantengroepen die meer op de huid werden gezeten. Het sprak voor zich dat ze invloed probeerden uit te oefenen op het Amerikaanse buitenlandse beleid. Waarom ook niet? Ze wilden bovenal neutraliteit en daarom geen Amerikaanse wapenleveranties aan Europa. Maar omdat neutraliteit vooral Duitsland ten goede zou komen, leverde dat onmiddellijk een probleem op.
Toen in 1915 de duikbotenoorlog losbarstte, ontstond een anti-Duitse hysterie. Sabotage door agenten van de Duitse ambassade in Washington en pogingen om bommen het land in te smokkelen maakten het alleen maar erger. Binnen een paar maanden dacht de gemiddelde burger dat de Duitsers stiekem juichten als Amerikaanse burgers werden getorpedeerd. Alles wat de Duitsers zo’n voorbeeldige en goed georganiseerde immigrantengroep had gemaakt, werkte nu tegen hen. Een paar eenvoudige cijfers waren voldoende voor paniek. Een schatting van het Censusbureau in 1917 – de volgende echte telling was gepland voor 1920 – stelde dat er in Amerika maar liefst 4,7 miljoen mensen woonden die waren geboren in de landen van de Centrale Mogendheden. De helft van hen was Duits, de andere helft afkomstig uit landen van Turkije tot Bulgarije. Een flink deel van deze mensen had nog niet de Amerikaanse nationaliteit toen Amerika in 1917 de oorlog verklaarde. De vijand bevond zich in Amerika. De paniek groeide toen men zich realiseerde hoeveel van deze mensen in strategische industrieën werkten.
Zowel Woodrow Wilson als ex-president Roosevelt voerde nu campagne voor ‘unhyphenated Americanism’, de streepjesloze Amerikaan. Iedere vorm van onvolmaakte loyaliteit gold als ‘moreel verraad’.

DE AMERIKANISERINGSBEWEGING was uit de hand gelopen. Ook Frances Kellor en haar commissie waren op hol geslagen. In 1917 omarmden ze de ‘honderdprocentfilosofie’ en steeds meer werden ze een club ter eliminatie van anti-Amerikaanse ideeën, een gevaarlijke overstap. Bij Kellor was het vertrouwen in vanzelfsprekende integratie verdwenen. Gelukkig bleven de meeste extreme ideeën van particulieren niet meer dan oprispingen. En vooralsnog hield ook de overheid zich in – die zou pas na de oorlog overreageren met de beruchte Red Scare, een heksenjacht op linkse Amerikanen.
Wat er nog over was aan kosmopolitisch denken in de amerikaniseringsbeweging sloeg nu om in eng nationalisme. Amerikanisering werd een wapen voor het in toom houden van de socialistische massa’s. Via haar zakencontacten hield Frances Kellor zich vooral bezig met propagandacampagnes om de ‘nationalistische, radicale groepen te ondermijnen door hun leden voor Amerika te bekeren’. De Russische Revolutie in 1917 en de politieke onrust in Duitsland na de oorlog versterkten de angst voor slechte invloeden uit Europa. In Amerika werd meer en meer dwingende wetgeving afgekondigd. Engels moest de primaire taal worden, onderwijzers moesten staatsburgers zijn, op openbare bijeenkomsten moest Engels worden gesproken, behalve op religieuze en clubbijeenkomsten.
In zo’n opgefokte sfeer verraste het niet dat her en der relletjes losbarstten tegen buitenlanders. Californië kreeg een nieuwe aanval van anti-Japanse hysterie. In Georgia en Alabama dook de Ku Klux Klan weer op met zijn antikatholicisme en in het middenwesten lanceerde Henry Ford een anti-joodse campagne.
Achteraf gezien was het niet zo verwonderlijk dat in de naweeën van de Red Scare een nieuwe golf nativisme opkwam. Ideologische strijd werd omgezet in puur racisme. Waarom mensen binnenlaten die inferieur zijn? Ging amerikanisering in haar vele vormen toch nog altijd uit van hulpbehoevende nieuwkomers, nu waren die simpelweg niet meer welkom. Waarom, zo vroeg het populaire tijdschrift The Saturday Evening Post zich af, zouden we proberen Amerikanen te maken uit mensen die altijd Americanski zullen blijven? De argumenten tegen immigratie werden krachtiger aangezet. Waar was immigratie eigenlijk voor nodig? Om voldoende aanwas te krijgen? Nee, betoogden de tegenstanders, tussen 1790 en 1830 groeide de Amerikaanse bevolking met 270 procent, zonder erg veel immigratie. Om het werk te doen dat Amerikanen weigerden? Nee, helemaal niet, riepen ze. Amerikanen waren gestopt met dat soort werk juist omdat er immigranten waren. Ook de gesloten frontier van Turner dook al snel op. Amerika was vol.
Een ander argument dat opgeld deed was ‘de afgenomen kwaliteit van de immigranten’. Vijftig jaar geleden moest je ten minste nog wat initiatief en ondernemingszucht tonen, verzuchtte een schrijver in The Atlantic in 1896: ‘Nu is het zo gemakkelijk dat we iedere gek op ons dak krijgen die de weg naar de boot kan vinden. Zo breed en gladjes is de weg dat er geen reden is waarom niet iedere smerige en stilstaande bevolkingspoel in Europa, al eeuwen zonder enig intellectueel of industrieel leven, niet op ons grondgebied omgekieperd kan worden.’
Immigranten uit Italië, Hongarije, Oostenrijk en Rusland maakten nu het merendeel uit van de nieuwkomers. Een dergelijk grote groep van boeren, ‘van lager niveau dan we ons ooit konden voorstellen’, kon niet worden opgenomen door Amerika. Ze hadden, zo meenden tegenstanders, niet de overgeleverde instincten en neigingen die het vroeger gemakkelijk maakten om met immigratie om te gaan. Ze leken in niets op de ‘nazaten van de stammen die bijeenkwamen onder de eikenbomen van Oud-Duitsland om wetten te maken en leiders te kiezen’. Deze Atlantic-schrijver was duidelijk nog van de oude stempel, van voor Frederick Jackson Turner, die de mythe van de Duitse invloed op de Amerikaanse republiek naar de prullenmand had verwezen. Het klimaat was rijp voor sluiting van de grenzen.
In 1924 was het dan zo ver. Na een aantal mislukte pogingen wisten de tegenstanders van immigratie er eindelijk een wet door te drukken die het aantal nieuwkomers serieus aan banden legde. De politici deden er niet moeilijk over: ze wilden voorkomen dat de echte Amerikaanse trekken nog verder verwaterden. Zo kwam men op het idee van quota, een van tevoren vastgesteld aantal mensen per land zou jaarlijks Amerika mogen betreden. De hoogte van de quota was gebaseerd op de bevolkingssamenstelling – die zou dus ongeveer gelijk blijven. De opstellers van de wet speelden vals, want ze gebruikten de bevolkingssamenstelling van de telling van 1890.
De facto betekende de wet van 1924 een vrijwel volledige immigratiestop. Dat zou vergaande consequenties hebben. Eén daarvan was dat de al in Amerika aanwezige groepen een proces van assimilatie doormaakten dat minder dan tevoren werd verstoord door voortdurende aanwas van nieuwkomers. Vrijwel iedereen is het erover eens dat dit het proces van integratie heeft versneld. In rap tempo werden de immigranten en hun nazaten zo Amerikaans als de hamburger, de pizza en de taco. Zonder amerikanisering.
Frances Kellor had inmiddels al afstand genomen van de anti-immigratietendens. In 1920 schreef ze Immigration and the Future, waarin ze haar eerdere empathie met immigranten weer benadrukte. Kellor overleed in 1952. Ze dankt haar historische reputatie aan de amerikanisering – meestal positief gezien als hulp voor nieuwkomers om snel een weg te vinden in Amerika. Ze duikt vaak op in bloemlezingen van feministische aard, ook omdat ze nooit haar lesbische aard verborg.