Fort Europa: Europa’s tragische grens

Streng maar rechtvaardig laten verdrinken

2014 lijkt een recordjaar te worden met honderdduizenden bootvluchtelingen op de Middellandse Zee. In Ceuta, waar Marokko en Spanje aan elkaar grenzen, opende de Spaanse politie het vuur op migranten. Toch zullen de politici er ook in het Europese verkiezingsseizoen niet over reppen.

Medium par402013

Europa begon als een bootmigrant. Ze was de dochter van een Phoenicische herder in het gebied dat we tegenwoordig Libanon noemen. De immer bronstige godheid Zeus zag haar lopen en raakte in de ban van haar schoonheid. Om haar niet te veel af te schrikken vermomde hij zich als een witte stier en voegde zich in haar kudde. Hij daagde Europa uit, dolde wat met haar, en uiteindelijk stapte ze op zijn rug. Zo zwom Zeus met Europa de Middellandse Zee over, het avontuur tegemoet. Naar Kreta. Daar bleek de stier al gauw een wrede godheid die Europa direct verkrachtte.

Zeus figureert, kortom, als prototypische mensensmokkelaar die migranten tot een riskante oversteek weet te verleiden. Het verhaal laat bovendien een patroon zien dat in de hele Europese geschiedenis terugkeert. Het patroon dat Europeanen graag zélf de regie voeren over wie ‘binnen’ en wie ‘buiten’ blijft. We halen het ‘vreemde’ met liefde in huis, maar wel op onze eigen voorwaarden.

Zodoende lieten we tienduizenden mannen in onze fabrieken werken. Ze waren welkom als versnellers van onze economische groei, deze ‘gastarbeiders’. Totdat ze ook hun gezinnen naar hier wilden halen, of zonder uitnodiging op het werk af kwamen. Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Nederlandse beleidsmakers vielen dan ook bijkans van hun stoel. Ze noemden het nieuwe fenomeen aanvankelijk ‘spontane migratie’. Want migranten kwamen niet alleen maar als we hen vroegen of eenvoudigweg inscheepten. Ze kwamen zomaar, wanneer ze dat wilden. In vredestijd.

Op de Moezel, in een luxe schip, werd in 1985 het fundament onder de Schengenzone gelegd, een verdrag dat tien jaar later in werking trad. De joviale Luxemburger Charles Elsen was er als diplomaat vanaf het begin bij betrokken. Hij vertelt: ‘De Schengenzone is ontworpen om van die tijd- en geldverslindende grenscontroles af te komen. Met nieuwe buitengrenzen was niemand echt bezig. Toen de zone in 1995 van start ging, kwamen journalisten ineens met die term “Fort Europa” op de proppen. We wisten niet wat we hoorden.’

Door de val van de Muur en de oorlogen in Joegoslavië kwamen er binnen Europa direct na de invoering van de Schengenzone grote migratiestromen op gang. Denk aan Kosovo, waaruit eind jaren negentig duizenden inwoners op de vlucht sloegen. Elsen kijkt er nog altijd ietwat beteuterd bij. ‘De geest van Schengen is het ideaal van vrij verkeer van personen en goederen. Dáár was het ons om te doen, dat de truckers konden doorrijden bij de grens. Maar het werd al gauw balanceren tussen vrijheid en veiligheid, dat moet ik toegeven. Dat er een hek om onze zone heen moest, hadden we toen simpelweg nog niet voorzien.’

Van een economisch vliegwiel dat onze welvaart zou vergroten veranderde de migrant de afgelopen decennia in een bedreiging van onze veiligheid. Onze grenzen zijn sindsdien slechts nog geopend voor ‘wie het écht nodig heeft’, of voor ‘wie écht wat toevoegt’. Zygmunt Bauman en David Lyon prikken in hun recente brievenboek Liquid Surveillance door dit soort retoriek heen. Zij zien eerder een ‘sociale sorteermachine’ aan de grens. Een techniek om de winnaars en de verliezers van de globalisering van elkaar te scheiden.

Het migratievraagstuk veranderde kortom van een win-winsituatie voor migrant en gastland in een grensoverschrijdend veiligheidsprobleem dat met een restrictief beleid moest worden beantwoord. De migrant moest in het gareel.

Het liefst gaan we nog altijd als Zeus in de Europa-legende te werk: we selecteren zélf de vreemdelingen die we nodig hebben, en halen ze vervolgens naar hier. Een voorbeeld daarvan is het kabinetsbesluit om migranten die miljonair zijn versneld aan een verblijfsvergunning te helpen. Ook bij de verplichting om per jaar vijfhonderd ‘schrijnende gevallen’ uit vluchtelingenkampen naar Nederland te halen wordt gekeken naar potentie voor onze arbeidsmarkt. Als iemand zich in een kamp heeft opgewerkt tot maatschappelijk werker kan die via de VN een uitnodiging verwachten.

Maar als migranten op eigen initiatief hiernaartoe komen, noemen we ze irregulier of illegaal en nemen we onze toevlucht tot de taal van de manager, die migrantenstromen ‘in goede banen’ poogt te leiden. Het hedendaagse fort is dan ook geen militaire uitvalsbasis, maar eerder een muur van bureaucratische targets en taskforces.

In Warschau, in een glazen kantoorkolos, bevindt zich het epicentrum van het Europese grensmanagement. Frontex is het grensagentschap dat sinds 2005 de inspanningen coördineert om illegale migranten te weren. Het budget, vorig jaar ruim negentig miljoen euro, overschrijdt nu al dat van Europol, het vehikel waarmee Europa misdaad bestrijdt. En dat terwijl Frontex slechts agenten opleidt en aanstuurt. Dat gaat volgens een bekend Brussels procédé. Er is onvoldoende draagvlak bij de lidstaten voor daadwerkelijke federale samenwerking. Vervolgens wordt door training en assistentie zo’n duidelijk stempel op Europa’s grenspolitiek gezet dat er de facto alsnog een gemeenschappelijke grensbewaking ontstaat.

Ook Nederland doet mee in de carrousel van lidstaten die inspringen als ergens de migratiedruk te groot wordt. Vorig jaar nog stuurde het ministerie van Defensie enkele tientallen marechaussees naar Spanje en Griekenland om hun collega’s daar te ondersteunen. Ook bij de Bulgaarse grens zijn Nederlanders ingezet.

Er is weinig rekenkundig vernuft voor nodig om in te zien dat een kleine delegatie Nederlandse grenswachten weinig zoden aan de dijk zet. Met een landsgrens van negenduizend kilometer en een zeegrens van 44.000 kilometer lijkt iedere poging de Europese grens te sluiten bij voorbaat tevergeefs. Ter vergelijking: de grens tussen Mexico en Amerika beslaat ‘slechts’ 3145 kilometer. Daar volstaat een hek, maar dat is op zee natuurlijk onbegonnen werk. Europa neemt dan ook steeds vaker zijn toevlucht tot andere middelen, die rigoureuzer en daardoor – zo is de hoop – effectiever zijn. Om precies te zijn: het programma Eurosur.

Eurosur is een ambitieus initiatief waarmee Frontex het opsporen en analyseren van ‘irreguliere migratiestromen’ wil verbeteren. Het wordt gepresenteerd als een ‘systeem der systemen’ waarmee biometrische data van alle asielzoekers die zich aan de poorten van Europa melden worden opgeslagen en gedeeld met alle lidstaten. Bovendien voorziet Eurosur in de ontwikkeling van technologie waarmee met drones en satellieten precies in de gaten kan worden gehouden welke groep migranten zich waar bevindt. In één systeem komen de gegevens van vissersboten, douaneposten, weerstations en satellieten samen. Coördinatiecentra door heel Europa houden deze data in de gaten, zodat ze snel in actie kunnen komen als dat nodig is. De doelen: mensensmokkelaars arresteren, mensen in nood op zee redden en internationale misdaad tegengaan.

Aan de introductie van Eurosur hangt een stevig prijskaartje. De Europese Commissie begroot de ontwikkeling en de implementatie van Eurosur op 338,7 miljoen euro. Onderzoek van de Europese Groenen laat een andere schatting zien: 837,7 miljoen, bijna drie maal zo veel. De Europese Commissie ziet de technologie van Eurosur als investering in ‘tesearch development’, en schrijft grote delen dus op andere posten af. Grote delen van het Eurosur-traject zijn ook nog eens uitbesteed aan particuliere bedrijven, die als echte aannemers de neiging hebben nog wel eens boven hun budgetten uit te komen.

En, hebben al die euro’s het verwachte effect? Het is maar hoe je het bekijkt. Het opsporen van een groep migranten is één ding, het redden van zo’n groep is weer iets heel anders. Want stel, je krijgt een bootje op de radar dat net uit Libië is vertrokken. Bel je dan Libië – een chaotisch land met een dubieuze reputatie op het gebied van de mensenrechten – om hen terug te nemen? Dat is strijdig met het recht op asiel, waaraan de Europese landen zich sinds 1951 hebben verbonden. Toch proberen landen met Eurosur de boten zo vroeg mogelijk op het spoor te komen. Zowel Italië als Malta is in het verleden berispt vanwege het hanteren van zo’n zogenaamde ‘push back’-strategie, waarbij boten werden opgespoord en teruggestuurd naar landen waar de opvarenden geen asiel konden aanvragen. Deze strategie wordt sinds enkele jaren ook in Griekenland toegepast. Met succes. Althans, veel grensmanagers noemen de Griekse aanpak een lichtend voorbeeld. Ze vertellen trots hoe de landsgrens tussen Griekenland en Turkije inmiddels ‘verzegeld’ is.

Bijna de hele grens tussen Turkije en Griekenland wordt gevormd door een brede rivier. Grieken noemen deze rivier de Evros, de Turken de Maritsa. Bij de grensovergang tussen het Griekse Kastanies en het Turkse Edirne loopt de grens zo’n tien kilometer over land. Dit is de plek die tot voor kort door veel migranten werd gekozen voor de oversteek naar Europa. Tot de Grieken er met hulp van de Europese Unie vorig jaar een hek van drie miljoen euro hebben neergezet.

Voor de wachtpost op de grensovergang staan twee Griekse jongens in uniform op wacht. Ze dragen een groot geweer dat met ducttape bij elkaar gehouden wordt. ‘Het is een stuk rustiger sinds dat hek er staat’, zegt een van de jongens. ‘Sinds de komst van Frontex zijn er steeds minder mensen die Griekenland illegaal proberen in te komen.’

De cijfers onderstrepen zijn observaties: sinds december 2012, toen het hek werd voltooid, is het aantal migranten dat de grens probeerde over te komen gedaald. In de Evros-regio arresteerde de Griekse grenspolitie in juli 2012 nog 6500 migranten. In augustus 2013 waren dit er 1800, in september 71, in oktober 26 en in november geen.

Toch weerhouden zelfs een gemilitariseerde grenszone en kilometers prikkeldraad migranten er niet van het tóch te proberen. De grenswacht is zichtbaar aangedaan als hij erover vertelt. ‘Deze week waren het er vier. We troffen hen aan, met vreselijke verwondingen. Ze hadden geprobeerd over het prikkeldraad te klimmen.’ Artsen Zonder Grenzen schat het totale aantal ‘irreguliere’ migranten dat bij de grens staande wordt gehouden op tien à vijftien per maand. Een daling van 95 procent in één jaar tijd. Griekenland zit potdicht.

De asielzoekers weten niet wat hun overkomt. Ze zijn nu toch in Europa, daar doen ze toch aan mensenrechten?

Maar een hek lost het probleem niet op, het verplaatst het. Naar de zeegrenzen bijvoorbeeld, waar migranten alsnog het land proberen binnen te komen. Als je de cijfers van gearresteerde migranten voor en na de bouw van het hek vergelijkt, is de verschuiving naar de zee overduidelijk. In de eerste negen maanden van 2012 werden in de Egeïsche Zee 1329 mensen gearresteerd, na de bouw van het hek, in de eerste negen maanden van 2013, waren dat er 8052.

Op zee kun je geen hekken bouwen, en dus worden daar andere middelen gebruikt om de stroom asielzoekers in te dammen. De Duitse ngo Pro Asyl spreekt in een recent rapport over zo’n tweeduizend asielzoekers die in de afgelopen maanden door Griekenland met geweld en intimidatie werden ‘teruggeduwd’ richting Turkije. Een 26-jarige Syriër vertelde de organisatie hoe dat precies in zijn werk gaat: ‘Onze boot was gescheurd en de Griekse kustwacht had de boot vastgebonden met een touw. Ze brachten ons in hun boot terug naar de Grieks-Turkse wateren en gooiden ons daar één voor één terug in onze boot. Toen sneden ze het touw door. Er was geen motor, geen benzine, en er waren geen roeiriemen.’ Op volle zee moesten ze maar hopen dat de Turkse politie hen zou vinden.

Deze push-backs zijn in strijd met de Conventie van Genève, die bepaalt dat iedereen het recht heeft om zijn of haar asielrelaas individueel onder de aandacht te brengen bij zijn of haar gastland. Hoewel de Griekse regering deze push-backoperaties vooralsnog ontkent, zijn er inmiddels ook bij Amnesty International en de unhcr veel getuigenissen over binnengekomen.

Behalve inhumane consequenties kleeft er nog een probleem aan een hermetisch gesloten grens als die van Griekenland. Dat blijkt een grens verderop, in Bulgarije. Terwijl hekken en push-backs de Griekse grens dicht hielden, zochten grote stromen asielzoekers hun heil een grens verder. In 2013 staken dagelijks veertig tot zeventig asielzoekers bij Harmanli de Turks-Bulgaarse grens over. Het zijn voornamelijk Syriërs, maar ook Afghanen, Iraniërs en een enkele Malinees. Op paarden of achter in trucks trokken ze vanuit hun thuisland naar Turkije. Sommigen betaalden duizenden euro’s voor de tocht. Het laatste deel van hun reis ging te voet, door de bossen de grens over. De één vindt de weg in drie uur, de ander in drie dagen. Maar dan zijn ze er. Eindelijk in Europa. Eindelijk veilig.

Eenmaal in Bulgarije lopen ze naar Golyam Dervent of een van de andere grensgehuchten. Ze krijgen er wat water en de dorpsbewoners bellen de politie. Dan worden ze naar een van de ‘ontvangstcentra’ gebracht. In Pastrogar, Banya, of zoals hier, in het stadje Harmanli, waar zo’n elfhonderd mensen, waaronder driehonderd kinderen, met elkaar zitten opgesloten. De ijzeren poort van het kamp gaat alleen open voor wie een bewaker weet om te kopen. In de leegstaande barakken krijgen bewoners niet meer dan enkele aardappels en wat brood per week. Ze delen met ruim duizend mensen drie smerige toiletten.

De asielzoekers weten niet wat hun overkomt. Ze zijn nu toch in Europa, daar doen ze toch aan mensenrechten? ‘We worden hier niet behandeld als mensen maar als beesten’, zeggen ze. ‘Het is hier net Guantánamo Bay. Alhoewel? Daar krijg je tenminste nog te eten.’

Zoals het hier gaat, gaat het altijd en overal: als ergens een grens wordt verzegeld, opent even verder een nieuwe route naar Europa. Maar Bulgarije, het armste land van de EU, is helemaal niet uitgerust om die mensen te ontvangen. En zo zijn de erbarmelijke omstandigheden in het ontvangstcentrum in Harmanli in feite het logische gevolg van het Griekse beleid dat eerder dit jaar nog als hét Europese succesverhaal gold.

De situatie aan de Bulgaarse grens laat zien dat het Europees asielbeleid vol paradoxen zit. De eerste is dat wij in Europa een prachtig asielsysteem hebben opgetuigd, vol rechtvaardig bedoelde procedures om te beoordelen of iemand terecht asiel aanvraagt, maar tegelijkertijd is het onmogelijk om legaal in dat asielsysteem terecht te komen. Je moet als asielzoeker dan eerst naar Europa komen en daarvoor moet je tegen de regels een Europese grens over.

De tweede paradox is dat de meeste asielzoekers, om ons continent te bereiken, aangewezen zijn op mensensmokkelaars die we tegelijkertijd met hand en tand bestrijden. Want veel EU-politici vinden: de migranten vallen ten prooi aan de smokkelaars en wat nodig is, is een ‘crack down on this disgusting business’. Dat de smokkelbranche in de kaart wordt gespeeld door het ontbreken van legale manieren om aanspraak te maken op Europa’s asielsysteem wordt niet genoemd.

En zo komen we uit bij de derde paradox, die schuilt in de term ‘gezamenlijk asielbeleid’. Sinds de zomer van 2013 is er het Common European Asylum System (ceas), om in alle lidstaten dezelfde hoge asielstandaarden te introduceren. Maar zolang de Dublin-verordening het fundament van Europa’s gedeelde asielbeleid blijft, is van werkelijke Europese solidariteit geen sprake.

Met de Dublin-verordening spraken de twaalf toenmalige Europese lidstaten in de jaren tachtig af dat het eerste land van aankomst verantwoordelijk zou zijn voor het behandelen van een asielaanvraag. Het Dublin-verdrag bepaalt waar een asielzoeker de procedure moet doorlopen. Dat heeft grote gevolgen. Asielzoekers worden bijvoorbeeld telkens met Dublin-transfers door het continent vervoerd om ze terug naar het eerste land van aankomst te brengen. Want of ze daar nu asiel willen aanvragen of niet, dáár moet de procedure plaatsvinden.

Asielzoekers komen soms in verzet tegen dit systeem. Zo doen Syriërs op Sicilië er alles aan om daar hun vingerafdruk niet achter te laten. Zelfs als dit betekent dat ze daardoor niet in een opvangcentrum terecht kunnen. Ze willen hun procedure in een land doorlopen waar asiel beter geregeld is. Maar ook de ontvangstlanden verzetten zich soms tegen het Dublin-verdrag. Toen Italië in 2011 door de Arabische lente een grote stroom Libiërs en Tunesiërs te verwerken kreeg, besloot het een paar duizend asielzoekers zonder vingerafdruk een reisvisum te geven. Het gevolg: de vluchtelingen trokken en masse verder naar Frankrijk, dat vervolgens tegen alle Schengen-afspraken in zijn grens met Italië sloot.

Malta ging nog verder. In 2011 liet de Maltese premier chartervliegtuigen aanrukken om vluchtelingen terug naar Libië te brengen. Het Europese Hof floot hem terug. Elke aanvraag moet immers individueel worden bekeken.

Asielzoekers noch ontvangstlanden zijn kortom erg tevreden met de Dublin-verordening. En het houdt de procedure ook nog eens nodeloos op. Pas als een Dublin-procedure is afgerond kan de echte asielprocedure beginnen. Dat kan tot wel elf maanden duren. Maanden die overigens niet zelden in detentie moeten worden doorgebracht.

Volgens premier Rutte, te gast bij Pauw Witteman, hebben de inwoners van Europa’s zuidelijke grenslijn ‘geografische pech’. Hij ziet het niet als een taak van de noordelijke lidstaten om hun zuiderburen te hulp te schieten. De zuidelijke lidstaten gebruiken de migratiedruk vervolgens om hun noordelijke collega’s onder druk te zetten dan toch ten minste financieel bij te dragen. Doordat migratie niet als iets structureels maar als een incident wordt gezien, blijft de geldkraan uit Brussel open staan. Op Malta, bijvoorbeeld, worden jaarlijks dramatische rapporten opgesteld met pleidooien om de noodsituatie het hoofd te bieden. Terwijl de instroom al jaren stabiel op twaalf- à vijftienhonderd migranten per jaar ligt. Een aantal dat volgens lokale organisaties met het Maltese asielsysteem makkelijk op te vangen is.

Een eiland verder, op Lampedusa, wordt duidelijk hoe ook de Italianen handig gebruik maken van hun positie als uiterste grenslijn van de Europese Unie. Het eiland ligt dichter bij Tunesië dan Sicilië en is al sinds de vroege jaren negentig een springplank naar het continent.

‘Ik ben het eigenlijk wel beu om erover te praten’, zegt Aragay, een van de overlevenden van de wereldschokkende schipbreuk bij het Italiaanse eiland Lampedusa op 3 oktober 2013. ‘Vanavond ging ik naar de Via Roma om een ijsje te eten en eens over iets anders te praten dan die dag. Over voetbal bijvoorbeeld, ik ben dol op Chelsea. Maar zoals altijd word ik weer aangeklampt door journalisten die het erover willen hebben.’

Op het bankje voor de ijsbar staart de Eritreeër bedroefd naar de grond. Hij neemt een likje van zijn citroenijs. Met de andere overlevenden wacht hij op Lampedusa de komst van de rechter af, die hen ter plekke wil horen in het proces tegen de Somalische kapitein van het verongelukte schip. De Italiaanse autoriteiten willen hem aanklagen voor mensensmokkel. Omdat dit soort schipbreuken doorgaans alleen als ‘tragische incidenten’ worden bestempeld, raakt het zicht op de dagelijkse realiteit op het eiland vertroebeld.

Een rondgang over Lampedusa laat zien dat het leven hier met migratie is vervlochten. En dat de Europese aanpak van het verschijnsel – meer politie, meer soldaten, meer grensbewaking – de stroom migranten in niet zeewaardige boten niet tot stilstand brengt. Sterker nog: nu de Italiaanse politie zeven miljoen euro per maand investeert in extra bootpatrouilles is de kans voor opvarenden om levend aan te komen alleen maar groter geworden. De toestroom, dit voorjaar, is dan ook maar liefst tien maal zo hoog als het jaar daarvoor.

‘We kunnen geen tenten maken, want die haalt de politie weg. Als het regent, wikkelen we ons in plastic om droog te blijven’

Aan de weg die langs de haven voert, ligt een berg planken, touwen en scheepsrompen met Arabische namen en kapotte ruitjes. Op de dekken liggen spijkerbroeken, pakjes drinken, sloffen en dekens. Overal reddingsvesten. Scooters snorren langs, een eilandbewoner spuit nieuwe lijnen op het aanpalende voetbalveld. ‘Deze boten liggen hier al zeker vijf jaar’, merkt Enrique op, die als kok op het eiland werkt. ‘Alsof de politiek aan de buitenwereld wil tonen wat hier gaande is.’

Het scheepskerkhof is inderdaad een van die plaatsen die herinneren aan het feit dat de schipbreuk van 3 oktober niet het eerste en waarschijnlijk ook niet het laatste incident is. Waarom wordt iedere ramp door de Italiaanse overheid dan toch zo voorgesteld? Stefano Nastasi heeft wel een vermoeden. Hij is een vlotte veertiger op sneakers, die de veelal gelovige eilandgenoten als pastoor bijstaat. ‘Het komt de Italiaanse overheid goed uit om het zo te presenteren. Zij wil het beeld tonen van een grote golf die ons dreigt te overspoelen en een kustwacht die deze golf krachtdadig tegenhoudt. Na elk incident wordt in Europa weer meer geld gevraagd om de grens beter te bewaken en levens op zee te redden. Maar waar dat geld vervolgens blijft, is lang niet altijd duidelijk. Een echte oplossing komt nooit op tafel.’

Met echte oplossingen doelt de pastoor bijvoorbeeld op beter toegankelijke en legale manieren om in Europa asiel aan te vragen, bijvoorbeeld bij Europese ambassades in thuislanden. ‘Dan hoeven ze geen aanspraak op smokkelaars te maken. Meer militairen is het antwoord niet.’

Dit blijkt telkens de crux van het fort dat Europa geworden is. Humanere alternatieven worden terzijde geschoven uit angst voor meer migranten. ‘Je kunt een gewilde grens niet bewaken zonder mensenrechten te schenden’, lijkt het onuitgesproken adagium. Dat wordt misschien wel het meest duidelijk in Noord-Marokko, waar duizenden wachten op hun kans de hekken voor de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla over te klimmen.

Medium rtr3ju05

De 25-jarige Nani uit Ghana is een spelkaart in een politiek handeltje. Hij staat in een smerige, vaalrode Air Jordan-trui voor de Onze Lieve Vrouwekerk in het Marokkaanse stadje Nador. Hij komt hier elke zondag naartoe vanuit zijn huidige verblijfplaats: de bossen rond de stad. Hij bedelt om eten, doucht in de kerk en slaapt buiten.

Nani is op weg naar Europa. Vanuit de beboste bergen in Marokko proberen hij en duizenden andere migranten uit Afrika ten zuiden van de Sahara Europa te bereiken. Vanaf die bergen kun je Europa zelfs al zien liggen: Melilla in Marokko om precies te zijn. Dat is Europees grondgebied en dus heb je daar het recht om asiel aan te vragen.

Maar de Marokkaanse en Spaanse autoriteiten doen er alles aan om Nani en zijn lotgenoten weg te houden bij de Spaanse enclave. Er staan maar liefst drie hekken rond het kleine stukje Spanje, voorzien van spoelen met scherpe messen en speciaal anti-klimgaas. Om de vijftig meter staan aan de Marokkaanse zijde kleine hokken met daarin telkens één bewapende grensbewaker. Bovendien gebruikt de Marokkaanse politie geweld tegen de migranten in de bossen. ‘De politie slaat ons met knuppels’, vertelt Nani. ‘We kunnen geen tenten maken, want die haalt de politie meteen weg. Als het regent, wikkelen we ons in plastic om droog te blijven.’

Waarom zou Marokko zoveel moeite doen om migranten uit de EU weg te houden? Er is geen Marokkaans asielsysteem. Een voor de hand liggende bestemming voor arbeidsmigranten is het ook al niet. Als Marokko zo veel mogelijk migranten vrije toegang tot Europa zou verlenen, zou dat bovendien de ultieme draai om de oren zijn voor de in Marokko weinig geliefde restjes Spaans kolonialisme: Melilla en Ceuta.

Waarom Marokko de migranten dan toch tegenhoudt? Simpel: het is onderdeel van het spel. Ten eerste wordt Marokko ervoor betaald. Buurland Spanje maakte in 2004 bijvoorbeeld 280 miljoen euro aan ‘ontwikkelingsgelden’ over. In ruil voor dat geld houdt Marokko de grens dicht. Ten tweede zijn de migranten die naar Spanje willen een Marokkaanse troefkaart in elke onderhandeling met Europa. Zo wijst Marokko graag op de dreigende stroom migranten die zij tegenhoudt om meer visrechten in Europese wateren af te dwingen. En: de migranten zijn ook al jaren wisselgeld in onderhandelingen over soepelere visumregelingen voor Marokkanen die zelf naar Europa willen

Don’t ask, don’t tell, dat lijkt de stille afspraak wanneer Europa zijn buurlanden deze menselijke speelkaarten toestopt. Ruilen, wegkijken en vervolgens stug volhouden dat je ruilpartner net zo goed voor deze mensen zorgt als jij zelf zou doen. Ondanks tal van bewijzen dat je ruilpartners er een andere aanpak van migranten op nahouden.

Het ultieme wegkijken zie je in de Spaanse enclave Melilla zelf. Uit het rommelige Marokko, met zijn ritselaars en stalletjes langs elke straat, loop je na de grens direct de Avenida de Europa op, waar de perkjes prettig zijn aangeharkt en een kolossale vlag trots het Spaanse territorium afbakent. Langs de strandboulevard schuifelt een stoet welgestelde senioren voorbij. De stoet wordt slechts doorbroken door buggy’s en wandelwagens met een prijskaartje waar je een kilometer verder, in Afrika, een auto voor kunt kopen. Of twee. Kijk je rechts, dan zie je de Middellandse Zee liggen, het water glinsterend in de zon. Kijk je links, dan zie je een militaire basis. Een fort met heuse kantelen. De twee gezichten van Europa liggen hier overzichtelijk naast elkaar.

Maar toch. Als Europa inderdaad een fort is, dan toch een fort dat nauwelijks in zijn opzet slaagt. De fortbewakers lijken net als Sisyfus telkens hetzelfde stuk marmer de heuvel op te duwen. Terwijl de investeringen in de Europese grensbewaking elk jaar stijgen, blijft ook het aantal ‘illegaal’ genoemde migranten groeien. Is de wens om werkelijk grip te krijgen op migratiestromen eigenlijk zelf wel realistisch? In een wereld waarin mensen tegelijk mobiel én ongelijk zijn, gaan mensen nu eenmaal op zoek naar mogelijkheden om hun lot te verbeteren. Misschien is het sluiten van een grens wel een utopischer project dan het openhouden ervan.

Bestuurskundige Paul Frissen schrijft in zijn nieuwste boek De fatale staat (2013) over de neiging van overheden zichzelf te overvragen. ‘De modernistische droom van maakbaarheid is verworden tot de nachtmerrie van een alom interveniërende staat’, zo stelt hij. Zijn voorstel is om beleidsproblemen die geen echte oplossing kennen te beschouwen als (Griekse) tragedies, waarmee we ons moeten leren verzoenen. Tragedies, zoals het verhaal van de mooie Europa die door Zeus ontvoerd werd en nu op nieuwe grond haar leven moest voortzetten. Van haar lot een deugd moest maken, eigenlijk. Dat lukte haar goed: ze was al snel de koningin van Kreta.

Maar het punt is natuurlijk: wij zijn Zeus niet. We kunnen niet zomaar de schoonheden van andermans kusten plukken en het daarbij laten. In werkelijkheid laten migrantenstromen zich slechts met de meest draconische maatregelen reguleren. Alleen grootschalige inzet van de Navo voor de kust van Noord-Afrika zou deze grens hermetisch kunnen sluiten. Of er moet een rigoureus voorstel als dat van pvv-kamerlid Sietse Fritsma worden omarmd, die voorstelt eenzijdig het vluchtelingenverdrag op te zeggen.

Want als je de ene route afsluit, dan opent zich vanzelf een nieuwe route. Zo bezien is Fort Europa eerder een golf van beleidsambities die stukslaan op de rotsen van een weerbarstige wereld. Een fata morgana, oftewel een luchtspiegeling die de tragedie belooft op te lossen maar daar maar zeer ten dele in slaagt. Wie zo naar Fort Europa kijkt, als een tragisch mislukkende poging het onvermijdelijke te beheersen, komt als vanzelf uit bij een pragmatischer benadering. Waarbij de eis van een zo dicht mogelijke buitengrens wellicht beter kan worden opgegeven. Die benadering veroorzaakt immers meer problemen dan dat ze oplost.

Zijn er dan geen alternatieven? Toch wel, zo blijkt uit een rondgang langs experts en politici in heel Europa. Door in landen van vertrek meer legale opties voor asielaanvragen te scheppen kan een risicovolle onderneming op een wankel bootje wellicht worden voorkomen. Te denken valt verder aan humanitaire visa, die al op de ambassade in het thuisland, of in een doorreisland, kunnen worden verstrekt. Of denk aan arbeidsprogramma’s die de vraag naar arbeid kunnen koppelen aan het aanbod, en zo de stroom asielzoekers van de arbeidsmigranten scheidt. Asielzoekers zouden zelfs al op ambassades in buurlanden hun procedure kunnen starten zonder dat ze eerst een gevaarlijke tocht hebben afgelegd en duizenden euro’s in de zakken van mensensmokkelaars hebben laten verdwijnen.

Dit is het jaar waarin meer geregistreerde vluchtelingen en ontheemden dan ooit op weg zijn. Het gros, zo’n 85 procent, blijft in de regio. Slechts een klein percentage bereikt uiteindelijk Europa. Maar het ontbreekt in Europa aan politieke wil. Zowel om een daadwerkelijk streng asielbeleid te voeren als om humane en pragmatische overwegingen te laten prevaleren. En dus verkopen Europese politici hun paradox (‘streng, maar rechtvaardig’) als een uitkomst. Terwijl het dat in feite niet is. In elk geval niet voor de migranten op weg naar Europa.

De echte tragedie is niet dat er geen oplossing voor het migratievraagstuk zou zijn, maar dat niemand er echt aan wil om die oplossingen te realiseren. En dus zal ook deze zomer de migratiestroom over zee weer aanspoelen, met honderden doden als gevolg. De teller ‘zekere’ doden aan de buitengrens staat inmiddels op 23.000. Maar de meesten sterven zonder ooit te worden gevonden. En eigenlijk is dat geen tragedie, maar een schandvlek.


Dit artikel is gebaseerd op een serie artikelen die in De Correspondent verscheen. Collega’s Tomas Vanheste, vanuit Brussel, en Maite Vermeulen, op reis langs de grens, droegen hieraan bij. Voor de reizen ontvingen we een subsidie van het Free Press Unlimited Postcodeloterij Fonds.

Beeld: (1) Een boot afkomstig uit Libië wordt zo'n vijftig kilometer voor de kust van Lampedusa opgepikt door de Italiaanse kustwacht. Er zijn 158 mensen aan boord uit meer dan tien verschillende Afrikaanse landen (Patrick Zachmann/Magnum/HH). (2) Afrikaanse migranten op het hek dat de Spaanse enclave Melilla van Marokko scheidt, april 2014 (Jesus Blasco de Avellaneda/Reuters).