Strepen

Ik moest in Spijkenisse zijn om daar een bijdrage te leveren aan een cultureel programma. Het was een vol programma, had ik begrepen. Een kerkbezoek, twee concerten en een fietstocht langs monumenten. Mijn eigen onderdeel was vrij overzichtelijk en zou plaatsvinden in een galerie. Daar was een tentoonstelling ingericht rondom moord en doodslag, inclusief werk van ex-gedetineerde kunstenaars. Het thema, was mij verteld, kon breed worden opgevat. Ik kwam iets vroeger aan dan strikt noodzakelijk was. Het regende. Voor een zaterdag was het relatief stil op straat, vond ik. Maar misschien had ik Spijkenisse te stads ingeschat. Een plaats is, als het erop aankomt, niet afhankelijk van verleende rechten maar van gebleven aard. Je hebt steden die qua karakter altijd een dorp zullen blijven, bedoel ik, en dorpen die eigenlijk steden zijn maar nooit als zodanig worden aangemerkt.

Er waren tamelijk veel gebouwen waarvan de functie mij niet direct duidelijk werd. Ik passeerde een parkeergarage annex snackbar annex kinderopvang. Bij een plantsoen liep een zwaar opgemaakt tienermeisje rond. Naast haar een zichtbaar mankende herdershond, waar ze af en toe bezorgd naar keek. Onder een afdak stond een Turks-Nederlands koppel met kleine kinderen vol overgave paprikachips te eten. Een man op een brommer reed langs, keek me aan en stak het puntje van zijn tong even tussen zijn lippen. Ik sloeg een zijstraat in en stak een bruggetje over. Er was een strak neergelegde gracht met nieuwbouwpanden in rode baksteen. Om de hoek, vlak bij de galerie, werd een kunstmarkt gehouden, zo stond te lezen op een bord met ‘Kunstmarkt’. Er liepen weinig mensen rond. Ik zag twee mannen met regenjassen en grote viskoffers passeren, maar dat leek mij niet direct een publieksstroom. De sfeer was gemoedelijk, om niet te zeggen lijdzaam. Sommige kramen werden nog bemand, andere leken – met achterlating van een reeks aquarellen – verlaten. Het ging steeds harder regenen.

In de galerie werd ik voorgesteld aan meneer T., een van de ex-gedetineerde kunstenaars. Ik herkende hem onmiddellijk, uit de jaren dat ik nog bewaarder was. Hij had op de B-vleugel gezeten. Een grote, kalme man met lellen van tatoeages. Hij deed denken aan een dokwerker, of liever: aan het beeld dat ik van een dokwerker heb. Iemand die veel op de schouders kan nemen. Hij vertelde hoe alles was verbeterd doordat hij was gaan schilderen. Hoe hij beter leerde kijken en beter leerde wachten. Inmiddels werkte hij aan de goede kant van de muren, probeerde jongens op het rechte pad te houden. Een geloofwaardiger gids dan de mensen van de reclassering, kon ik me zo indenken. We maakten een wandeling langs de expositie. Het werk van meneer T. hing tegen een witte achterwand. Kleurrijke schilderijen waar tralieramen aan te pas kwamen en uitzichten die ik herkende. ‘Mijn leven is verrijkt toen ik kunst ontdekte’, zei meneer T.

Om de hoek werd een ­kunstmarkt gehouden, zo stond te lezen op een bord met ‘Kunstmarkt’

Na het programma, waarbij ik tussen het voordragen van gedichten door vooral vurig mopperde over ons detentiesysteem, wandelde ik terug naar de metro. De zon was gaan schijnen. Bij het plantsoen waar ik eerder langs was gelopen zat het zwaar opgemaakte tienermeisje op een bank, naast een vrouw met een baby op schoot. Ze keken samen naar de hond, die nu losliep en voorzichtig over het gras hinkte. En ik dacht aan een gedicht van Eva Cox, dat ik me slechts gedeeltelijk kon herinneren. Er zat een baby in, wist ik. En een regel over zebrapaden. Thuis zocht ik het op. Meneer T. kwam er ook nog in voor, ontdekte ik toen. Een potige kerel met een kist op zijn schouders. Daar kon van alles in zitten, natuurlijk. Maar laten we uitgaan van het goede.

IK WIL

een stad voor mijn verjaardag
met mensen huizen en een plein
een vijver met daarin een zwijn van
steen een kleine perenboom vol merels
en kerels wil ik van die potige met
kisten op hun schouders oude laarzen
en meisjes met mutsen van konijnenbont
en harde wimpers en gezoete lippen en
stippen wil ik in de plaats van strepen
nee zebrapaden zijn zo dun dat
je hun ribben door het asfalt ziet
en brievenbussen wil ik niet en regen
vuilnisbakken kan ik heel slecht tegen en
baby’s die ruiken naar poeder en verdriet
nee ook baby’s kale bleke baby’s niet

2009, Eva Cox
Uit: een twee drie ten dans
De Bezige Bij, Amsterdam, 2009