Vergeten verzet in Nederlands-Indië

Strijden voor erkenning

Over het Indische verzet tegen de Japanners in de Tweede Wereldoorlog is bij het grote publiek weinig bekend. Naar aanleiding van de herdenking van de Japanse capitulatie later deze week een terugblik op de strijd.

‘DE REGERING HEEFT ons tot het laatste moment schandalig behandeld. Na de oorlog met Soekarno wilde de Nederlandse regering een relatie opbouwen met de nieuwe Indonesische regering. Daarom moest het koloniale verleden gedumpt worden. Ook zij die gedurende de oorlog iets goeds hadden gedaan voor Nederlands-Indië moesten vergeten worden.’ De Indische verzetsman Pieter de Kock (91) is nog steeds kwaad over de manier waarop het verzet uit de voormalige kolonie na de oorlog werd behandeld. De Kock maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uit van de enige verzetsgroep in Nederlands-Indië die nooit door de Japanners is opgerold. Met 65 man en één vrouw ging hij in april 1942 de jungle van Nieuw-Guinea in; met veertien kwam hij er dertig maanden later weer uit.
De Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië heeft altijd in de schaduw gestaan van de oorlog in Nederland. Volgens het Nationaal Vrijheidsonderzoek 2009 van de Stichting 4 en 5 mei kent slechts 23 procent van de Nederlanders de geschiedenis van de oorlog in de voormalige kolonie, terwijl 55 procent aangeeft redelijk veel te weten over de Tweede Wereldoorlog in Europa. Die onbekendheid bij het grote publiek geldt even goed, zo niet meer, voor het verzet dat tijdens de oorlogsjaren in Indië heeft plaatsgevonden. Volgens Esther Captain, onderzoekster aan de Universiteit van Amsterdam, had men lange tijd in Nederland zelfs het idee dat er in Nederlands-Indië nooit verzet is gepleegd.
Dit terwijl het Indische verzet volgens historicus Loe de Jong onder aanzienlijk moeilijker omstandigheden plaatsvond dan in Nederland. Ook leed het Indische verzet naar verhouding zwaardere verliezen dan het Nederlandse verzet. Vrijwel iedereen die ondergronds ging tegen de Japanners werd vroeg of laat gepakt, in tegenstelling tot Nederland, waar slechts een minderheid van de illegale werkers in handen viel van de Duitsers. Vele Indische verzetsstrijders bezweken onder de martelingen van de gevreesde Japanse geheime politie, de Kempeitai. Van degenen die de verhoorfase overleefden en in de strafgevangenis belandden, haalde volgens De Jong twee derde het einde van de oorlog niet. Een groot aantal verzetslieden kwam niet in de gevangenis terecht, maar werd onthoofd.
DE TWEEDE WERELDOORLOG begon voor Nederlands-Indië pas echt op 7 december 1941. Naar aanleiding van de Japanse aanval op Pearl Harbor verklaarde de Nederlandse regering de oorlog aan Japan. Al snel vonden de eerste Japanse landingen plaats op Indisch grondgebied. Dick van Logchem (83) zat op het moment dat de oorlog uitbrak in de derde klas van de hbs in Bandoeng. Als zestienjarige meldde hij zich als vrijwilliger aan bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Zijn dienstverband was aanvankelijk geen al te groot succes. Van Logchem: ‘Ik kon helemaal niet als soldaat functioneren. Met die grote geweren, de Mannlicher 1897, kon ik niet eens lopen, dan brak ik mijn nek. Dat ding was groter dan ik! Toen kreeg ik uit een soort piëteit een karabijn. Als ik die afschoot, dan vloog ik twee meter achteruit. Maar ik was een goede motorrijder.’ Kapitein De Lange, officier bij de generale staf, pikte hem er al snel uit om zijn motorordonnans te worden. Hij maakte deel uit van een groepje jongens van dezelfde leeftijd die met hun Harley Davidson op pad gingen om berichten af te leveren.
Begin maart 1942 vonden de eerste Japanse landingen plaats op Java. Van Logchem en zijn vrienden kregen armbanden met rode letters erop. Achteraf bleken het Kempeitai-banden te zijn, die De Lange kennelijk op de een of andere manier had bemachtigd. Ze kwamen goed van pas. ‘Op een dag moest ik met een opdracht van De Lange op pad’, vertelt Van Logchem, ‘en rijd ik zo de Japanse linies binnen. Ik zal het nooit vergeten, ik dacht echt, dit is het laatste moment dat ik de zon nog zie. Ik kreeg een bajonet op mijn buik gezet. Toen kwam er een onderofficier bij staan en die zag die band. Ik mocht doorrijden. Ik heb nog nooit zo hard gereden, dat wil je niet weten. Of ik in een vliegtuig zat’.
Het KNIL was niet opgewassen tegen de Japanse troepen en moest op 8 maart 1942 capituleren. In overeenstemming met de instructies van de legerleiding gaven niet alle plaatselijke commandanten zich over. Op Nieuw-Guinea landden de Japanse troepen op 8 april bij Manokwari. Bestuursambtenaar Pieter de Kock was als dienstplichtige opgeroepen. De kleine, tengere Molukker vertelt: ‘We hadden repeteergeweren. Je moest na elk schot eerst de grendel overhalen om de huls eruit te halen en een volgende patroon naar binnen te schuiven. We kregen ook handgranaten, dat vonden we bijzonder geweldig. Achteraf bleek dat ze van geperst karton waren. Als je ze met een zwaai gooide, kwamen ze toch nog acht meter ver en gaven ze een behoorlijke knal. Toen kwam dus de Jap met de allermodernste wapens. Nou, je schrok toch wel een beetje.’ Onder leiding van kapitein Willemsz Geerooms slaagden 66 militairen, onder wie De Kock, erin door de Japanse linies te breken en de jungle in te trekken.
In de loop van 1942 interneerde de Japanse bezetter de Europese burgers in kampen; in 1944 volgden veel Indo-Europeanen, althans op Java. In de interneringskampen werd vooral symbolisch verzet geboden tegen de Japanners, door bijvoorbeeld de kleuren van de Nederlandse vlag te verwerken in de kleding en op de waslijn. Buiten de kampen had het verzet tegen de Japanse bezetter een meer militair karakter. Door de hele Indische archipel werden verzetsgroepen opgericht die zich vooral richtten op de voorbereiding van militaire steun bij de bevrijding, die rond Kerst 1942 verwacht werd. Verzetslieden verspreidden geallieerde oorlogsberichten, liquideerden Japanners en verzamelden militaire inlichtingen, geld en wapens. Op Java zette Dick van Logchem zijn werk voort als koerier van kapitein De Lange, die inmiddels een verzetsgroep had gevormd. Van Logchems werk bestond vooral uit het contact houden met andere officieren, al dan niet in krijgsgevangenkampen. In dat laatste geval brak hij in de kampen in om de berichten door te geven. Met zijn lichtgetinte huid werd het steeds lastiger om vrij rond te lopen. In de beginfase van de Japanse bezetting lag hij vaak in een bad met permangaan om een donkere huid te krijgen. Bij razzia’s verkleedde hij zich als Indonesiër en ging ergens aan de kant van de weg onder een boom zitten.
Veel van het verzet kwam dan ook neer op Indonesische bevolkingsgroepen die de Nederlanders welgezind waren, zoals de Molukkers, en de Indo-Europeanen die vanwege hun donkere huidskleur buiten de kampen konden blijven. De vijandige houding van de Indonesische bevolking was een extra handicap voor het Indische verzet. Een andere factor die het verzet bemoeilijkte was de Nederlandse Politieke Inlichtingendienst die de Japanners hadden overgenomen van de Nederlanders. Nadat ze de Nederlandse top hadden vervangen door Indonesische nationalisten werd het informantennetwerk ingezet tegen de verzetsgroepen. Door al deze factoren was het verzet niet erg groot en van korte duur. Volgens Loe de Jong hebben enkele duizenden mannen en vrouwen deel uitgemaakt van het verzet in Indië. Medio 1943 was er nagenoeg een einde gekomen aan het georganiseerde verzet in de kolonie.
Ook Dick van Logchem viel in handen van de Japanners. Vanaf juni 1944 werd hij vijf maanden lang verhoord door de Politieke Inlichtingendienst en de Kempeitai. Van Logchem: ‘Verzuipen was de meest gevreesde methode. Ze deden een doek over je gezicht en hielden je onder water met hun bajonetten. Veel toegepast is de waterkuur. Dan kreeg je een tuinslang in je strot geduwd, zetten ze de kraan open en gingen ze met rotanstokken op je buik slaan.’ Dat waren dan nog de standaardmethodes. Volgens Van Logchem werden ook nagels uitgetrokken, satehstokjes onder de nagels gestoken en de genitaliën van verzetstrijders in een bankschroef geklemd.
Terwijl het merendeel van het verzet was opgerold, voerden Pieter de Kock en zijn kameraden nog steeds een guerrillastrijd in de jungle van Nieuw-Guinea. De Kock: ‘We zagen eens twee Japanse oorlogsschepen naar een nederzetting aan de kust varen. Dat zorgde voor behoorlijk wat opwinding bij ons. Want wat konden we daar tegenover stellen met onze geweren? De kapitein vroeg om vrijwilligers om de Japanners tegen te houden, zodat hij zich met de zieken en enkele ouderen kon terugtrekken in de bossen. Hij stuurde twee groepen van zes man op pad. Ik zat in de tweede groep. Sergeant Griët ging met de eerste groep vooruit en verschool zich in een groot rietbos aan een riviertje. De eerste landingen van de Jap liet hij gewoon met rust. Wij vroegen ons af: “Verroest, waarom gaat hij niet aanvallen?” En ja hoor, bij de tweede landing, toen dacht-ie: dit is mijn prooi. Waren er jongens met sabels, de officieren die later de commando’s moesten geven. En die heeft hij te grazen genomen.’

NA DE CAPITULATIE van Japan op 15 augustus 1945 verdween al snel de aandacht voor het Indische verzet. Nieuwe traumatische gebeurtenissen eisten de aandacht op. Op 17 augustus werd de onafhankelijke Indonesische Republiek uitgeroepen. In deze bersiap-periode namen gewapende Indonesische jongeren, de pemoeda’s, wraak op de Nederlanders. Voor hun eigen veiligheid dienden veel Nederlanders in de kampen te blijven, waar de Japanners en de geallieerden voor hun veiligheid konden zorgen. ‘Mijn oorlog heeft toen plaatsgevonden, dat geldt trouwens voor de meeste mensen uit Indië’, zegt Dick van Logchem. Hij woonde na de capitulatie met zijn ouders in Bandoeng: ‘Er waren geen militairen. We waren aan de heidenen uitgeleverd. Moordpartijen links en rechts. Dus men was aangewezen op jonge gekken zoals ik. Toen hebben we echt hard gevochten.’ Esther Captain bevestigt dat de bersiap-periode bij velen veel meer sporen heeft nagelaten dan de Japanse bezetting. En na de bersiap kwamen de dekolonisatie-oorlogen. ‘Er waren verschillende lagen van oorlog die de herinnering aan het verzet onder hebben gesneeuwd.’
Van de ongeveer driehonderdduizend Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Indië woonden, vertrok een groot aantal in de naoorlogse jaren naar Nederland. Daar wachtte hen een koele ontvangst. Voor hun verhalen over de oorlog was geen plaats. Ook de Indische verzetsstrijders kregen niet het respect waar ze meenden recht op te hebben. Pieter de Kock en zijn collega’s stuurden na de oorlog de Nederlandse vlag die ze in de jungle met zich mee hadden gedragen naar koningin Wilhelmina. Zij kregen een handgeschreven bedankbriefje retour. Daar bleef het bij; van de regering kwam geen blijk van waardering. Zo kwamen de Indische verzetsstrijders in 1947 niet in aanmerking voor de Wet Buitengewoon Pensioen 1940-1945 die de Nederlandse oud-verzetsstrijders en hun nabestaanden een pensioenregeling bood. Wel werd vlak na de oorlog de Verzetsster Oost-Azië uitgereikt aan degenen die zich in de oorlog bijzonder verdienstelijk hadden gemaakt tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië. Daarna bleef het tot midden jaren zeventig stil rond het Indische verzet.

VOLGENS CAPTAIN heeft de eis van assimilatie en integratie van de Indische Nederlanders in de jaren vijftig een grote rol gespeeld in het zwijgen over het Indische verzet en de oorlog in Indië in het algemeen. Ze zegt dat de repatrianten werd verteld zich zo veel mogelijk als Nederlander te gedragen en te vergeten wat ze hadden meegemaakt in Indië. Wie kans wilde maken op een baan of huisvesting kon zich maar beter gedeisd houden. Discriminatie en een stigma als koloniale uitbuiter maakten het leven al moeilijk genoeg.
Captain wijst er verder op dat het beeld van het verzet werd bepaald door het Nederlandse verzet tegen de Duitsers: ‘Je zag heel duidelijk een hiërarchie in leed tussen het verzet en de oorlog in Nederland en Indië. Indische Nederlanders kregen te horen: “Jullie hebben het tenminste nog lekker warm gehad. Wij hebben hier de hongerwinter gehad.” Er werd ook tegen hen gezegd: “Je hebt dan wel in een kamp gezeten, maar het was maar een Japans kamp; het was geen Duits concentratiekamp.” Heel veel Indische Nederlanders hebben dat lange tijd geaccepteerd. Het heeft een hele tijd geduurd voordat onder hen een soort van zelfbewustzijn opkwam.’
Pas midden jaren zeventig was dit zelfbewustzijn zo gegroeid dat er Indische belangengroepen werden opgericht om erkenning te krijgen voor het Indische verzet in de vorm van een verzetspensioen. Toch duurde het nog tot 1986 voor de Wet Buitengewoon Pensioen Indisch Verzet tot stand kwam. Dick van Logchem was voorzitter van talloze commissies, waaronder de Bond van Ex-Geïnterneerden en Gevangenen Overzee. Hij geeft de Nederlandse politiek, maar vooral het ambtenarenapparaat de schuld van de vertraging: ‘We ondervonden zo verschrikkelijk veel tegenwerking. Pure sabotage, oplichting, boerenbedrog, van alles om maar niet te hoeven meewerken. Mensen uit Indië, dat waren per definitie uitvreters, koloniale boeven, tuig.’ Van Logchem vertelt dat een hoge ambtenaar eens tegen hem zei: ‘Je bent al in dit land toegelaten. Wat wil je nou met erkenning van het verzet?’ Van Logchem: ‘Men beschouwde ons als een soort gastarbeiders die uit een vreemd land hier binnengelaten moesten worden.’
Captain zegt niet te kunnen oordelen over actieve tegenwerking van de overheid. Wel herkent zij de kille houding van de autoriteiten die Van Logchem schetst. Uit onderzoek is volgens haar gebleken dat de Nederlandse overheid actief heeft geprobeerd het aantal Indische Nederlanders zo veel mogelijk te beperken omdat men bang was dat zij niet zouden kunnen integreren in Nederland: ‘Het idee was dat het nooit iets kon worden met de Indische Nederlanders, gewend als ze waren aan een tropisch klimaat en het bijbehorende werkritme.’ Uiteindelijk stapte de overheid om volkenrechtelijke redenen van dit beleid af.
Vanaf de jaren tachtig kreeg het Indische verzet eindelijk de erkenning waar het zo naar hunkerde. Eerst werd in 1982 het Verzetsherdenkingskruis ingesteld, waarvoor ook Indische verzetsstrijders in aanmerking kwamen. Vervolgens werd in 1986 de Wiv aangenomen, de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, waardoor verzetslieden uit Indië na meer dan veertig jaar eindelijk dezelfde positie kregen als hun Nederlandse tegenhangers. Na het midden van de jaren tachtig kwam er steeds meer aandacht voor het verzet in Nederlands-Indië. Er verschenen verschillende boeken over het onderwerp, in het militair tehuis in Bronbeek werd een monument geplaatst voor de gevallen verzetslieden en in Almere werden straten vernoemd naar leden van het Indische verzet. In 2005 werd in het Verzetsmuseum in Amsterdam een permanente tentoonstelling geopend over het verzet in Nederlands-Indië.

HEEFT HET INDISCHE verzet nu eindelijk de waardering gekregen die het verdient? Pieter de Kock meent van wel. ‘Uiteindelijk is het een volwaardige erkenning’, zegt hij. Het Indische verzetspensioen gaf hem de waardering van de Nederlandse regering waar het de eerste decennia na de oorlog aan ontbrak. Van Logchem vocht niet zozeer om erkenning voor het verzet, zegt hij, maar voor herstel van het onrecht dat degenen was aangedaan die alles hadden gegeven voor hun ideaal. Ook hij denkt zijn doel bereikt te hebben. Captain onderschrijft de mening van De Kock en Van Logchem: ‘Er is formeel erkenning in de vorm van wetten waarbij je een pensioen of een uitkering kunt krijgen. Symbolische erkenning door een medaille. Institutionalisering in de herdenkingsinfrastructuur in de vorm van een monument en een herkenning. Je hebt de verschillende verzetsorganisaties. Dan is de vraag wat je nog meer zou willen.’
Hoewel er sinds de jaren tachtig steeds meer aandacht is gekomen voor het Indische verzet is het nog steeds vrij onbekend bij het grote publiek. De Kock heeft gemerkt dat zelfs zijn Indische generatiegenoten niet op de hoogte zijn van het feit dat er in Nederlands-Indië verzet is gepleegd tijdens de oorlog. De Kock en Van Logchem vrezen dan ook dat de herinnering aan het verzet zal verdwijnen met de laatst levende getuige. Er is dan wel een en ander vastgelegd op film en op schrift, maar de gewone man heeft daar weinig belangstelling voor.
Captain is minder pessimistisch: ‘Iedere generatie zoekt een vorm van expressie die bij haar past. Je ziet dat de tweede en derde generatie op zoek gaan naar betekenisgeving aan het Indische verzet in de vorm van meer eigentijdse uitingen zoals interviewprojecten en de productie van documentaires, reportages en websites.’