Thomas Asbridge, De eerste kruistocht

Strijden voor God

Thomas Asbridge
De eerste kruistocht: De oorsprong van het conflict tussen islam en christendom
Vertaald door Mieke Lindenburg
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 384 blz., e 24,95

«Een Gode absoluut onwelgevallig volk is het land der christenen binnengevallen en heeft de bevolking te vuur en te zwaard vervolgd en uitgeplunderd. Met hun vuige praktijken hebben zij de altaren bezwadderd en geschonden. Zij hebben de christenen besneden en het besnijdenisbloed aan de altaren gesmeerd of in de doopvonten gegoten. En zij snijden de navel open van onschuldigen die zij wensen te folteren met een gruwelijke dood, zij rukken hun de organen uit het lijf en binden hen aan de brandpaal, slepen hen over de grond en geselen hen voordat zij de ongelukkigen, die terneerliggen met hun ingewanden uit hun buik, ter dood brengen. Wat zal ik nog zeggen over de ijselijke vrouwenschennis, waarover het rampzaliger is te spreken dan te zwijgen?»

Met deze woorden probeerde paus Urbanus II in november 1095 de Franse adel over te halen een krijgsmacht te formeren die Jeruzalem moest «bevrijden» van de moslims. Hoewel hij zeker had gehoopt een fors leger bij elkaar te krijgen, zal de enorme respons hem hebben verbaasd. Zo’n honderdduizend mensen uit alle rangen en standen sloten zich bij het leger van kruisridders aan en zouden uiteindelijk in juli 1099 Jeruzalem veroveren.

Met verve schildert Asbridge de bloedbaden die de kruisvaarders aanrichtten en waarmee ze overigens niet wachtten tot ze moslims in het vizier kregen. Dicht bij huis oefenden ze het afslachten van «heidenen» door de lokale joodse bevolking over de kling te jagen. Het hoogtepunt van deze orgie van geweld kwam met de inname van Jeruzalem, waarbij nagenoeg de complete bevolking werd uitgeroeid.

In de vorige eeuw is vaak de nadruk gelegd op economische motieven van de kruisvaarders, maar Asbridge laat zien dat de kruistochten alleen zijn te begrijpen wanneer we de religieuze motivatie van de deelnemers serieus nemen. Naast een sterk zondebesef en de verwachting dat de Dag des Oordeels niet lang op zich zou laten wachten, speelde ook Augustinus’ theorie van de «rechtvaardige oorlog» een rol. De kruisvaarders geloofden, net als de huidige islamitische zelfmoordterroristen, dat zij een God welgevallige daad stelden.

In dit meeslepende boek benadrukt Asbridge overigens wel dat er géén echte continuïteit is tussen de gebeurtenissen uit de elfde eeuw en het huidige geweld. De hedendaagse moslimextremisten reageren immers op het beeld dat het Westen zich later van de kruistochten heeft gevormd.