Hoofdcommentaar

Strijdlust

Als de kunstbeurs Art Amsterdam een goede indicatie is, dan is het met de beeldende kunst in Nederland lang niet slecht gesteld, maar het is wel kunst met een opvallende teneur. Grof gezegd zijn Nederlandse kunstenaars gevoelige, poëtische, niet al te assertieve, ja zelfs een tikje introverte lieden, met uitstekende technische vaardigheden en een goed gevoel voor presentatie. Ze leveren integer werk, de middelen zijn zorgvuldig gekozen, maar zelden wordt het spektakel gezocht, om maar te zwijgen van het maatschappelijk engagement. Irak, al-Qaeda, 9/11, Wilders, Chávez, het klimaat, Bush, Blair, Mohammed B., Samir A. – er is op een enkele uitzondering na niets van te bekennen. Landschappen tonen vooral het vage grensgebied van stad en land, anonieme gebouwen in een kantoorpark. Interieurs tonen kalme, vale kamers, in onbestemd namiddaglicht; in de fotografie zijn de aarzelende androgyne tieners die Rineke Dijkstra patenteerde nog opvallend vaak te zien. Elk land krijgt kennelijk de kunst die het verdient: Nederland is niet zo groot, de cliëntèle is beperkt, het maatschappelijk discours is zelden verhit, emotioneel kunnen wij kennelijk op een theedoek uit de voeten.
Nee, zeggen de twee directeuren van de twee grootste kunstsubsidieverstrekkers van ons land, Lex ter Braak en Gitta Luiten: die bescheidenheid is vals, en het gebrek aan flair van de Nederlandse kunstenaar hangt volledig samen met hoe het Nederlandse subsidiebouwwerk in elkaar zit. Ze schreven daarover een kordaat boek, Second Opinion, waarin drie dozijn deskundigen hun licht over dat bouwwerk laten schijnen.
Het systeem is versleten en onpraktisch, en dient te veel doelen tegelijk, zeggen de twee directeuren. De eenzijdige gerichtheid op de overheid doet de kunstwereld geen goed. Ze veroorzaakt stagnatie en zelfgenoegzaamheid, leidt tot verlies van contact met het publiek, verpest de markt, creëert echte ‘subsidiekunst’, en leidt niet tot werkelijke ‘excellentie’ in de productie. Het is niet zo dat individuele kunstenaars gepamperd worden, maar het ontbreekt ze aan strijdlust. Beslissingen over subsidies worden altijd door commissies genomen, wat de middelmaat, versnippering en het ‘dun uitsmeren’ bevordert. Dat zou anders moeten: ruimere toelagen voor minder kunstenaars, bijvoorbeeld, en afschaffing van de commissies ten gunste van een intendantstructuur. Voor de initiatiefnemers liggen de marges overigens wel vast: subsidies moeten natuurlijk blijven bestaan, en aan populisme heeft niemand wat – dus een volledig gedemocratiseerd kunstbestel zal er niet komen.
Dat de fondsen zich bereid verklaren het subsidiebouwwerk grondig te verbouwen is moedig. Men neemt een risico. Er zitten op z’n minst al negen filistijnen in de Tweede Kamer die alle culturele subsidies willen afschaffen, en er zijn er nog meer die te pas en te onpas schermen met de mantra’s ‘marktwerking’ en ‘profijtbeginsel’.
In de ogen van de gewone Nederlander is het fenomeen kunstsubsidie nu eenmaal sterk verbonden met de heersende verhoudingen. De elite geeft publiek geld aan elitaire kunstvormen omdat zij die zelf leuk vindt, en dus graag in stand houdt. De buffer tegen de ‘populistische’ kritiek wordt gevormd door moeilijk bewijsbare, maar dempende argumenten. Een levendig kunstklimaat zou goed zijn voor het toerisme, voor het aanzien van het land als creatief en innovatief centrum, Van Gogh en Mondriaan zouden anoniem gestorven zijn als niet iemand ze vol vertrouwen en belangeloos ondersteund had – enzovoort. Je hebt een avant-garde nodig en dat kost wat. Om die positie politiek te legitimeren krijgt elke gesubsidieerde instelling de opdracht publieksvriendelijk en toegankelijk te zijn.
Dat bolwerk is niet onaantastbaar. Het is duidelijk dat de beeldende kunst haar introversie moet afschudden. Dat kan best. Andere, even kwetsbare disciplines hebben succes in het ontwikkelen van contact met een breder publiek, zoals de artistieke film (Filmfestival Rotterdam, Idfa), de literatuur (Libris-prijs live in Nova) en de poëzie (VSB-prijs, Week van de Poëzie). Daar kan de beeldende kunst nog wat van leren.
Dat zal meer vergen dan alleen een herschikking van fondsen. Om te beginnen zal de discussie het gulden principe van de autonomie van de kunst en de kunstenaar moeten bestrijken. De diepgang van de relatie tussen de kunstenaar en de wereld buiten zijn atelier is tot nog toe grotendeels de keuze van de kunstenaar zelf – hij mag zelf bepalen of hij zijn publiek opzoekt, of niet. Er klinkt een echo van balkenendiaans denken door in de roep om een sterkere sociale interactie: de burger is geen eiland meer, en zeker geen autonoom bolwerk, en de kunstenaar dus ook niet. Hij zal zich moeten begeven in een nieuwe omgang met kopers, verzamelaars, kijkers, instellingen, mecenassen.
Ten tweede zal er onmiskenbaar iets moeten veranderen in de besluitvorming in commissie. Dat is op zich terecht. Wie kijkt wie er in de fondsen zoal in de toewijzingscommissies zit, zal zien dat de kunstwereld een bijna gesloten systeem vormt. In principe is een peer review, waarbij alleen vakbroeders-deskundigen oordelen over de kunsten (en niet uitgerangeerde politici) een ideale situatie, maar het leidt ook tot een hermetische cyclus, en misschien wel tot vriendjespolitiek.
Een intendantstructuur ligt dan voor de hand: krachtige karakters, die eigenzinnige keuzes kunnen maken, en op die keuzes ook publiekelijk kunnen worden aangesproken. Die structuur werkt al in de subsidieverlening voor film en documentaires. De achilleshiel van zo’n systeem is de beschikbaarheid van zulke intendanten. Vind ze maar eens, die inhoudelijk sterke en zakelijk betrouwbare types, met een koppige visie ‘over de horizon heen’.
Het pleidooi voor een systeem waarin de kracht van een individuele overtuiging de toon zet, in plaats van de uitonderhandelde consensus, is tekenend voor de stemming van de tijd. Ook in de beeldende kunst komt het poldermodel aan zijn eind. Het lijkt een verfrissende ontwikkeling.