Klassieke muziek - Andris Nelsons

Strijkersbergen en kopertoppen

Medium muziek
Andris Nelsons © Marco Borggreve

Hoewel het pijnlijk moet zijn geweest, had ik er op 16 december 1877 bij willen zijn; de desastreus verlopen première van Bruckners Derde symfonie door de Wiener Philharmoniker onder leiding van de componist. Het publiek verlaat in drommen de zaal, de pers zoekt spottend of verbijsterd woorden voor de loden reusachtigheid van het stuk. De criticus Hanslick hoort een toenaderingspoging tussen Beethovens Negende en de Walküre van Wagner, vertrapt onder de hoeven van hun paarden. Jammerend staat de kleine componist na zijn ondergang de goedbedoelde peptalk van zijn getrouwen af te weren. ‘Ach lasst’s mi aus, die Leut’ wollen nix von mir wissen.’

Wat men hoort, versterkt door de onmacht van de gelegenheidsdirigent, is geflopte megalomanie; log, stroef, overdadig en langdradig. De klunzige uitvoering en de wagneriaanse accenten – Bruckner is groot fan – verhullen de buitenissigheid van de conceptie. Men ziet een avant-garde voor de Middeleeuwen aan. Het moet daar zijn geweest alsof een man in het tgv-tijdperk met de stoomtrein was gekomen.

Het moet nog indalen dat de muziek van Bruckner niet als bij ‘normale’ componisten in een tweedimensionaal traject van A naar B kan worden afgelegd. Hij componeert zoals geen meester voor en na hem heeft gedaan. Hij plaatst de tijd in een oneindige ruimte waar de muziek zich vrij in alle richtingen beweegt. Hij tuigt geen drama op, hij eert Gods schepping met een weidse samenvatting van Zijn werk, Genesis op dag Zeven; het hele universum, onbevlekt, rein, naïef pathetisch. Bruckner-tijd is horizontale én verticale tijd, lengte, breedte en diepte; hij stroomt vóór-, achter-, in- én opwaarts, recht omhoog de strijkersbergen naar de kopertoppen stuwend. En bovenop staat Bruckner stil om het uitzicht te bewonderen. Dan staat er een lange rust of een fermate, een pauze die niet lang genoeg kan duren. Voor de luisteraars ligt het hele panorama klaar, hij moet alleen wel eerst het stuk uithoren om de landkaart waar te nemen.

We mogen blij zijn dat we in een tijd leven die Bruckner ontdekt heeft, zei Sergiu Celibidache, met zijn mentor Furtwängler de belangrijkste Bruckner-vertolker van de afgelopen eeuw. Beiden wisten hoe je zijn ritme vond: door, ongeacht het absolute tempo, innerlijk te verlangzamen al naar gelang de breedte van het blikveld. Je moet in hem durven verdwijnen; voor Bruckner is een religieuze overgave nodig. Daarom zijn Bruckner-dirigenten zeldzaam.

Andris Nelsons is op weg een van die uitverkorenen te worden. Zijn opname van de Derde symfonie met het Gewandhausorchester Leipzig is prachtig. Hij is de pelgrim die, zoals ik ooit gedaan heb, kalm beschouwend de wandeling onderneemt van Bruckners geboortehuis naar Stift St. Florian, het Oostenrijkse klooster waar de componist als jongetje werd opgeleid. Hij is de zorgvuldige, discrete kijker die zijn blik met totale ontvankelijkheid over het heuvelland laat glijden. Je hoort bij Nelsons ook zo goed waarin die onbevangenheid wortelt: Schubert. Hij pompt het pathos niet strategisch op, hij laat het komen. Hij speelt een ontdekkingsreis.

Over tien jaar neemt hij ongetwijfeld nog meer adem. Nelsons bereikt dynamische pieken soms iets te vroeg, waardoor ze aan kracht inboeten, en zijn pauzes zijn soms eng bemeten, maar je hoort aan alles dat je weet waar hij wil komen. Het zijn details. Het is nu al een negen.


Andris Nelsons, Bruckner Symphony No. 3 (DG)