Strike a pose

De flaptekst achter op Obelisque, het poëziedebuut van Obe Alkema (1993), is van de Amerikaanse performancekunstenaar, schrijver en criticus Felix Bernstein (1992), auteur van onder andere Notes on Post-Conceptual Poetry: ‘Skulking behind each glossy windowpane is the brilliant and incisive Obe Alkema, biting all who get too near.’

Biting all who get too near – scherp opgemerkt. Dit is een boek dat ánders wil zijn. Dat is deels te zien aan de bijzondere vormgeving van Oliver Ibsen. Obelisque is vormgegeven als een glossy, en voorop poseert de dichter zelf, openhartiger kan haast niet. Maar ik kan Alkema aankijken wat ik wil, hij kijkt niet terug, zoals bijvoorbeeld Nachoem Wijnberg voor op zijn dichtbundel Als ik als eerste aankom. Alkema kijkt naar links (voor de kijker rechts) en draagt bovendien een zonnebril.

Dat dit debuut anders wil zijn, blijkt ook als je het boek openslaat. Veelal lange gedichten, veel Engelse titels (Airbag, Honest girl, I can’t live without this in my universe, Just the tip, Take me inside, The brevity of the interlude). Paginagrote modefoto’s verluchtigen het geheel. Een inhoudsopgave is er niet, Alkema heeft zijn gedichten gewoon alfabetisch gerangschikt. Deze poëzie vermijdt nadrukkelijk een zekere hiërarchie, tot op zinsniveau.

De modefoto’s zijn niet in full colour. Hier wordt immers geen mode verkocht maar poëzie – de prijs en het isbn staan nota bene groot op het voorplat. Mode is niet voor de eeuwigheid bestemd en het hevig hedendaagse Obelisque lijkt dat ook niet te willen zijn. Dus lees ik in het openingsgedicht Aan het voeteneind van Maria:

Hij viseert en kopieert de lichamen, begint
steeds meer op hen te lijken.
Hun curves, my humps. Geharst scrotum,
geschoten been in pantalon, mascaravlek.
Bespaar me de details niet. Wanneer kom ik
op de cover van de L’HOMO.?
Ik wil gebukt gaan onder de tendentieus
kloppende aantijgingen die vereeuwiging
betekenen.

Zo rolt het verder. Intussen zit ik wél met een nummer van The Black Eyed Peas in mijn hoofd, en even verderop met een reclamespotje, door de regel ‘Van A naar Beter: in de eeuwige nacht der liefde kan ik niet langer Cassandra zijn.’ Waarna het gedicht besluit met een verknipt, Engelstalig fragment uit Saint Pablo van Kanye West.

Er zit veel ruis in Obelisque, veel versnippering, veel citaat, met een fluïde, meervoudig ‘ik’ die het woord voert. Alsof deze poëzie zich bij voorbaat heeft neergelegd bij het ontbreken van een min of meer coherente vertelling of ontboezeming, met regels die volkomen inwisselbaar lijken en geen behoefte aan oorspronkelijkheid vertonen. Alleen al de monomanie van dit project en de stortvloed van regels bewijzen de ernst die eraan ten grondslag ligt. De ogenschijnlijke willekeur lijkt mij strategisch, zoals een pose strategisch is – je durft nu eenmaal meer van jezelf te laten zien met een masker op.

Subtle sadism

Gezicht dat tussen vervoering en ongemak gevouwen wordt.
Waarom kijk ik hier naar?
Een gezicht, tussen vervoering en ongemak,
voelt de regen neerkomen, dept het heilige water, graaft zich in een col in.
Eros van het niet-aanraken.

Een assertief been duwt twee andere uiteen.
Slaap, doe iets.
In zilver licht vind je jezelf terug, aan het einde van dieptepsychologie.

De teksten laten zich niet aan banden leggen door traditionele opvattingen over wat poëzie is of zou moeten zijn en ook zaken als seksuele voorkeur en gender worden opengelaten. Amber Rose, zaad en de Vinex zijn nadrukkelijke leidmotieven. Zingeving geschiedt via het leven van beroemdheden en seksuele verlangens en dat alles in een burgerlijk decor van gelijkvormigheid en functionaliteit: ‘Een analogie: Gerard Reve in Friesland, Obe Alkema in de Vinex.’

Waar blijft het individu te midden van die stortvloed van lichamen, lustgevoelens, projecties, parallelle en tegenstrijdige visies en geschiedenissen? Het vreemde is dat ik al die bijeen gesprokkelde zinnetjes stuk voor stuk onthullend vind: ‘Ben ik een dweper?/ Ja, maar ik raak de objecten van mijn dweepzucht snel zat.’ Of: ‘Ik varieer op mezelf.’ Of: ‘Ik draag een tenue waarvan het rugnummer expres onherkenbaar is.’ En wat te zeggen van deze strofe uit Mutant:

Ik haat parlando.
Het moet knallen, knallen, insulting zijn.
I wanna be the fucking Bianca del Rio of poetry.
I wanna be the fucking Cersei Lannister of poetry.
I wanna be the fucking Rupi Kaur of poetry.
Behaagzieke verzen schrijven over godvormige leegtes.
Alles draait om aanbidding en africhting.
De God-Zij-Met-U. Go with the cash flow.
I wanna be the fucking cash flow of poetry.

Ja, dat heet van je af bijten. Kom niet te dichtbij, zegt de dichter, want ik slinger gewoon nóg een citaat naar je hoofd, zoals dit, uit een artikel van Koen Haegens uit de Volkskrant van 7 januari 2018: ‘Als de Nederlandse economie een barbecue is, dan dreigt het kabinet dit jaar/ de rol te vervullen van de iets te enthousiaste buurman.’ Het gedicht Something borrowed, something nude gaat nog een stapje verder. Bijna vijftig pagina’s lang worden de losse zinnetjes ingedeeld volgens beginletter. Bij de ‘h’ aanbeland lees je dan bijvoorbeeld:

Helemaal gaaf, niet minder dood.
Helemaal nat van de tranen.
Hello naughty boy, it’s discourse time.
Het bedwelmende op en neer van je lichaam.

Weg filter, weg analyse. Obelisque is bewust over the top, oeverloos, afstompend, lyrisch, lelijk, slim, saai, tragisch en soms gewoon melig. Hier loopt iets of iemand helemaal leeg. Toch beschouw ik deze ‘gedenknaald’ als een egodocument, via een omweg. De bundel spreekt niet zozeer óver de verstedelijkte, overprikkelde millennial, óver de wedloop om aandacht, geld, macht, erkenning en herkenning – ze demonstreert die. Zoals Jeroen Mettes dat deed in N30, zonder de dimensie van gender en seksuele identiteit.

Ik geloof niet dat ik dit debuut ‘mooi’ of ‘ontroerend’ vind – dat wil het waarschijnlijk ook niet zijn. Wel vind ik het een gedurfd statement dat me aan het denken zet over wat poëzie is, en wat haar begrenzingen zijn:

Wie is je lezer? Wie is je lezer?
Wie is je lezer?
Koesteren en weg ermee.