Ja zuster nee zuster op de planken

Stroei-Voei

Vorig jaar was er het koffertje, nu is er de voorstelling. Pure herinnering, want beeldmateriaal van ‘Ja zuster, nee zuster’ is er niet meer. Maar Annie M.G. Schmidt zou genoten hebben van Rieks Swartes theaterversie.

ANNIE M.G. SCHMIDT mag dan in 1966 geen weet hebben gehad van het succes van de serie en al helemaal niet hoe lang ze het met elkaar zouden uithouden (twintig afleveringen, twee seizoenen), van één ding had ze zichzelf wel vooraf verzekerd: een gouden formule. Ja zuster, nee zuster zou zich gaan afspelen in een klein tehuis (Rusthuis Klivia, genoemd naar een Groningse verpleegster), bewoond door ongeregelde types en voorzien van veel herrie. Iedereen kon er in- en uitlopen. Er waren zes vaste bewoners: zuster Klivia (Hetty Blok), de directrice-die-geen-directrice-wilde-heten; de Ingenieur (Piet Hendriks), een verstrooide geleerde met een aantal gevaarlijke uitvindingen in zijn hoofd; Gerrit (Leen Jongewaard), een gewezen inbreker die het vak maar niet wilde afleren; en drie onbestemde jongeren: Jet (Carla Lipp), Bobby (John Kuipers) en Bertus (Barry Stevens), in de serie consequent ‘de jonkies’ genoemd. Er was één huisdier (de papagaai Lorre, met de stem van Piet Ekel), die voortdurend waarschuwde voor gevaar. Het Eeuwige Gevaar werd belichaamd door de Boze Buurman B.B. Boordevol (Dick Swidde), een kalende en op geld beluste zeurkous die constant dreigend zwaaide met huurcontracten, huurverhogingen, huuropzeggingen en — als die litanie niet meer hielp — met nieuwe huurders voor het Rusthuis. Tevens was er één ‘aanloper’, Opa, meer in het bijzonder de Opa van Gerrit (dubbelrol van Leen Jongewaard), de man die van de schrijfster in aflevering vijf een keertje mocht langskomen, meteen het nationale stoute knuffeldier werd en sindsdien niet meer was weg te slaan.


Er waren vaste grappen. Zo begon nagenoeg iedere uitzending met een enorme ontploffing, veroorzaakt door de zoveelste uitvinding van de Ingenieur. Lorres waarschuwing was een terugkerende gimmick, het gevaar waar de papagaai zo kien op was, Buurman Boordevol, was een grote grap van zichzelf. En er waren gasten. Eerst gespeeld door relatief onbekende acteurs als Peter Aryans, Lou Steenbergen en Els Bouwman. Maar dat veranderde al snel: gelijk met de opa van Gerrit wandelde Gerard Heystee binnen (aan het begin van de jaren zestig jeugdtelevisieheld in de figuur van Liang Wang Tsjang Tsjeng). En daarna kon het niet meer op: televisiekomieken als Luc Lutz, Johan Kaart, Jan Blaaser, Maja Bouma (nog uit Pension Hommeles, een eerder televisiefeuilleton van Annie M.G. Schmidt), Sacco van der Made en Koos Postema.


Pas in aflevering twaalf waren de makers rijp voor de confrontatie met een acteur uit het ‘serieuze toneel’: Ko van Dijk (allang een lieveling van het brede publiek door zijn optreden in de radioserie Koek en ei). Hij trad aan als ‘meneer De Groot’, alleenwonend charmeur, weduwnaar en winkelier. Klivia komt een paraplu bij hem kopen, De Groot is verrukt van het demonstratiemodel van zijn ‘Knödel’, een regenscherm dat spontaan ‘uitbloest’ na een druk op de knop (De Knödel heet de aflevering ook), maar hij kan de paraplu helaas niet aanbevelen: ‘Ik kan niet met de Knödel omspringen. Mijn vrouw kon ermee omspringen. Die deed ’m d’rin en d’ruit, de hele dag door, dat het een lust was.’ De omstreeks aflevering twaalf al ruimschoots op de bank voor het zwartwittoestel aangeschoven volwassenen (Ja zuster, nee zuster was gepland als kinderserie) gniffelden zich een ongeluk over zoveel ondeugende seksuele toespelingen.


De kinderen en jongeren waren vooral aangenaam verbaasd over de domme onhandigheden waarmee meneer De Groot zuster Klivia het hof probeerde te maken: met lijstjes. Hij zocht immers een vrouw die zou voldoen aan drie criteria: ‘a. iemand die mijn nek masseert, b. bokking voor mij bakt en c. de Knödel er weer in kan krijgen.’ Wanneer hij ten slotte de onvergeeflijke fout begaat Klivia een bontmuts aan te bieden gefabriceerd uit de huid van Buurman Boordevols kat, krijgt meneer De Groot zijn congé. Annie M.G. Schmidt schreef geen liedjes voor hem. Ko van Dijk kon namelijk niet zingen. Wim Sonneveld wel, en hij schijnt de schrijfster ongeveer gesmeekt te hebben om in de serie te mogen. In aflevering zestien mocht dat eindelijk (honorarium: vijfhonderd gulden), en die aflevering werd een minimusical die helemaal rond Wim Sonneveld was opgebouwd. De cabaretier speelde drie rollen: zijn dubbelganger, de roerend-goedsjacheraar Arie Pruiselaar jr. uit Berkel en Rodenrijs (Lorre kondigt hem steevast aan met: ‘Wim Sonneveld níet’), de eigenaar van een uitdragerij in Hoeden, Petten & Dameskorsetten Arie Pruiselaar sr. (tevens zwager van Opa Gerrit) en zichzelf. Aan die aflevering danken we drie van de meest bekende liedjes uit Ja zuster, nee zuster: ‘De kat van Ome Willem’, ‘In een rijtuigie’ en ‘Op de step’. In aflevering twintig was de formule uitgewerkt, de schrijfster doodop en de serie afgelopen. Albert Mol mocht nog opdraven als de boetiekhandelaar Wouter (wat een staaltje hilarische ‘nichtencamp’ opleverde in het met Dick Swidde gezongen liedje ‘De jongens van de reisvereniging’). Daarna was het over.



TOEN IN NOVEMBER 1999, precies 31 jaar en elf maanden na de laatste uitzending, de première werd gevierd van het Ja zuster, nee zuster-koffertje (cd’s en boeken), was het auditorium der professionele toeschouwers naadloos in tweeën verdeeld: de liefhebbers versus de chagrijnen, overigens geheel conform het wereldbeeld van de bedenkster. Het chagrijn zat vooral in de journalisten die, drie decennia na dato, kwamen beweren dat het eigenlijk allemaal niks was geweest. Simpele verhaaltjes, beroerde beeldregie, bordkartonnen neptelevisie. Van die ruim vijftig liedjes wilden er een stuk of vijf nog wel deugen, maar voor de rest was het weggooi-gelegenheidsprutswerk geweest. Lichtelijk meesmuilend schreef Joyce Roodnat in NRC Handelsblad: ‘Tot op vandaag wordt er door een breed publiek met liefde over nagepraat. En met eerbied. En in het wilde weg. Want niemand weet waar hij het over heeft.’


Een simpele steekproef bij enkele leeftijdgenoten, wat jongere broers en mijn moeder bewees het tegendeel: ze wisten zich nog behoorlijk helder beelden uit de serie te herinneren die, toen ‘het koffertje’ eenmaal verscheen (met een lawine aan scènefoto’s) alle bleken te kloppen. Op bewegend beeldmateriaal kon niemand terugvallen, want dat is er niet meer. De serie is nagenoeg geheel gewist. Niet door een domme Vara-employé die op een fout moment op de verkeerde knop drukte (zoals de legendevorming wil), maar gewoon omdat de volgende aflevering indertijd over de vorige heen werd opgenomen — ampex-tapes kostten toen tweeduizend gulden per stuk, dat is vierduizend per aflevering (zeg maar: acht keer het honorarium van Wim Sonneveld).


Ondanks dat ontbreken van beeldmateriaal (en dus van herhalingen van de serie) zijn niet alleen de liedjes maar ook de verhaallijnen, de beeldtaal en de grappen uit Ja zuster, nee zuster tot het collectieve geheugen van de televisiekijkers van toen gaan behoren. Ook tot het geheugen van Rieks Swarte, die samen met zijn firma Rieks Swarte en het Rotterdamse RO Theater nu verantwoordelijk is voor de theaterversie waarmee op dit moment langs overvolle schouwburgen wordt rondgereisd. Tegen Henk van Gelder vertelde Swarte dat hij van de serie zelfs meer wist dan hij vermoedde. Toen hij aanwijzingen verzon voor de uitvoering van het onverwoestbare lied ‘Van Wisjni naar Wosjni’ bleken die rechtstreeks uit zijn eigen beeldgeheugen te komen. Swarte: ‘Het was geen creativiteit van mij, het was pure herinnering! Daarom zeg ik: wat mij betreft beschouwen we deze voorstelling als historisch toneel.’


Zijn op de dag van de première in de NRC afgedrukte zinnen mogen in de dubbele betekenis van het woord profetisch heten. De theaterversie van Ja zuster, nee zuster is nu al met afstand dé theaterhit van dit seizoen. En: ik durf er vergif op in te nemen dat Swartes tovenarijen zelfs van de meest verstokte chagrijn binnen enkele uren een liefhebber maken. Dat is — ere wie ere toekomt — om te beginnen te danken aan de scriptschrijvers Jacques Klöters, Flip Broekman en Frank Houtappels. Tegen Henk van Gelder onthulde Jacques Klöters de volgende droom: ‘Als we ons werk goed gedaan hebben, denkt het publiek straks dat er op het nachtkastje van Annie M.G. Schmidt nog een ongespeeld manuscript is gevonden.’



DIE DROOM IS wat mij betreft volledig uitgekomen. Om te beginnen hebben ze de buitenlocaties weggelaten: de show speelt zich geheel af in, voor en boven op Rusthuis Klivia met zijn vijf bewoners (de twee jongens-‘jonkies’ zijn samengevoegd tot één personage). Met de buitenlocaties verdwenen ook de gasten. Dat lijkt spijtig, maar het is de helderheid van de verhaallijn zeer ten goede gekomen. Het verhaal concentreert zich nu maar op één ding: de listen van Buurman Boordevol om van de lasten van het Rusthuis af te komen. En via de figuur van Boordevol halen de schrijvers toch een aantal situaties binnen die in de oorspronkelijke serie van de gasten kwamen. Voorbeeld: in aflevering achttien werd het Rusthuis betreden door een clandestiene gast, Dirk, een voormalige maat van Gerrit, zich voordoend als Griekse automonteur, compleet met de fantastische nep-sirtaki ‘Stroei-Voei’ (voor gebruikers van de karaoke-cd uit ‘het koffertje’: goed oefenen op het refrein!). In de theatervoorstelling veroorzaakt Buurman Boordevol een fiks, hier niet te verklappen ongeluk, waardoor hij een tikje gaga wordt en opeens losbarst in… ‘Stroei-Voei’, volledig geloofwaardig — de man is immers een verwoed reiziger en in die hoedanigheid actief lid (en kasbeheerder) van de eerdergenoemde ‘reisvereniging’.


Behalve een fikse zak meteen na de pauze (verkleedpartijen en onderbroekenlol rond de gefingeerde mevrouw Rez-de-Chaussée, inderdaad behoorlijk platvloers) loopt het script als een trein. De vormgeving van de voorstelling is ook een trein, meer in het bijzonder: een speelgoedtrein. Onmiskenbare handtekening: Rieks Swarte. Die jongen (net als de bedenkster ‘altijd acht gebleven’) denkt, tekent en tovert in het platte vlak. Zijn ‘decors’ herinneren zowel aan de bordkartonnen illusie van de serie als aan de naïeve vormgeving van de Nederlandse revue, een reeds lang uitgestorven theatergenre. Je ziet hem aan zijn tekentafel grinniken wanneer hij met een simpele handbeweging het vooraanzicht van het Rusthuis laat omkieperen tot een bovenaanzicht, Gerrit en Klivia kruipen uit een (getekend) luik en hup, we zijn op het dak en het voeren en bezingen van de ‘duifies’ (witte handschoentjes aan lange hengels) kan beginnen. Hoeveel keer zal duivelskunstenaar Rieks Swarte die truc al hebben uitgehaald? Ik ben de tel kwijt. Het werkt. Zoals ook al die pluizenbeestjes werken, van de levensgrote beer tot de piepkleine muis in de supermarkt, en de wolf natuurlijk, in ‘Van Wisjni naar Wosjni’ vervaarlijk achter de hondenslee aan dravend en vanzelfsprekend bediend door Buurman Boordevol.


Waarmee we bij de acteurs zijn aangeland. Het zal ongetwijfeld niet eenvoudig zijn geweest om deze mythologische Himalaya uit de vaderlandse amusementsgeschiedenis te beklimmen. Maar ze doen het, met een niet-aflatend speelplezier en met een gezamenlijk gecreëerde gretigheid alsof ze ons allemaal uit pure pret wel willen opvreten. De Klivia van Loes Luca (de enige die het van Hetty Blok en van zichzelf mócht) is hors concours, de Ingenieur van Guus Dam is onweerstaanbaar geestig, de Gerrit van Ad Knippels even ontroerend als zijn Opa door Dick van den Toorn. Mooie zet van de regie (waarvoor ook Peter Kramer tekende) is het om het vijfmanscombo op het toneel en midden in de handeling neer te zetten, waardoor ze ook (vaak ongemerkt) een graantje toneelspel kunnen meepikken.


Twee personages kregen een meerwaarde in vergelijking tot hun originelen. De eerste is Jet (van de ‘jonkies’) in de vertolking door Tsjitske Reidinga. Ik heb me tranen met tuiten gelachen om dit van oorsprong wat bakvisserige trutje. Reidinga lijkt bijna griezelig op Carla Lipp uit de serie, maar ze voegt er een aantal meesterlijke tics aan toe (in het heetst van de strijd of de lol moet ze bijvoorbeeld altijd héél erg nodig). En dan Buurman Boordevol, een rol voor Paul Kooij. Deze acteur toont feilloos aan hoe je van een personage een monument kunt maken. Hij is zichtbaar begonnen met een imitatie van zijn origineel (Dick Swidde), is er daarna wat laagjes af gaan pulken, voegde in zijn gebaren en bewegen wat toefjes John Cleese toe en smeerde er vervolgens een eigen, vettige Paul Kooij-touch bovenop. Het resultaat is een ogenschijnlijk karikaturaal maar in feite vernuftig gebouwd totaalpersonage. Zijn topnummer ‘Geld, geld, geld!’ is een hoogtepunt in deze voorstelling, waar Annie M.G. Schmidt (eindelijk zonder bril), Harry Bannink (met gouden harp), Leen Jongewaard (met zilveren pet) en Dick Swidde (met roze pruik) vergenoegd glimlachend vanaf hun wolken naar moeten hebben gekeken. En zij zagen dat het goed was!



 


De voorstelling Ja zuster, nee Zuster is nog tot en met 12 maart overal in het land te zien. De producent, het RO Theater, beraadt zich nog op de mogelijkheid van extra voorstellingen. Inlichtingen en speellijsten: 010-4046888.


Het Ja zuster, nee zuster-koffertje’ (alle liedjes en een karaoke-cd, een tekstboek en de bladmuziek) is een uitgave van Nijgh & Van Ditmar.