Stront en rotte vis

Een eeuw geleden leek Nederland meer op een ontwikkelingsland dan op de wereld van Anton Pieck.

Nu het weer geregeld sneeuwt lijken de Hollandse binnensteden vaak op de knusse prenten waarmee Anton Pieck een volstrekt imaginair beeld opriep van ‘die goede oude tijd’, en dan in het bijzonder van de late negentiende eeuw. Eeuwenoude pandjes, pittoreske poortjes, mensen diep weggedoken in hun jassen, kinderen die zich vergapen voor verlichte etalages - jammer dat er nog zo weinig lantaarnopstekers door het beeld lopen en dat de auto’s niet af en toe veranderen in sleperskarren of rijtuigjes.
In Koninkrijk vol sloppen beschrijft Auke van der Woud de leefomstandigheden in de Nederlandse steden in de tweede helft van de negentiende en het eerste decennium van de twintigste eeuw. Een wereld die, afgezien van het klimaat, dichter bij de realiteit van de huidige ontwikkelingslanden stond dan bij de sprookjeswereld van Pieck. Buurten die tegenwoordig zeer in trek zijn bij welgestelden, zoals in Amsterdam de Jordaan of de Westelijke Eilanden, waren toen afzichtelijke achterbuurten, stinkend naar stront, kool en rotte vis, waar grote gezinnen in vochtige kelders of op tochtende eenkamerwoningen huisden.
In zekere zin wás Nederland toen een ontwikkelingsland, aangezien iets meer dan de helft van de bevolking in absolute armoede leefde, het overgrote deel van het inkomen aan slecht en eentonig voedsel moest besteden, en dat inkomen van de ene op de andere dag kwijt kon raken. Een rapport van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs uit 1854 beschrijft hoe in het beschaafde Nederland een groot deel van de bevolking als holbewoners leefde: 'Helaas! de holen der menschen - en anders mogen wij de woningen van velen uit den min gegoeden stand niet heeten - staan niet zelden achter bij de plaatsen, die ten verblijve voor vele dieren zijn afgezonderd: de eerste vereischten voor leven en gezondheid ontbreken; alles schijnt er op aangelegd om het zedelijk leven, hetwelk in die holen wordt geleid, op den dierlijken voet te handhaven, en zoo doende staan die holen als onuitputtelijke bronnen van verdere, alle verstandelijke, vooral alle zedelijke ontwikkeling tegen en belemmeren den voortgang van eene gewigtige klasse der maatschappij.’ De ingenieurs begrepen dat de arbeider in een dergelijk 'hol vol rook en vuilnis’, met hongerende kinderen, niet tot rust kon komen, en dat hij zijn toevlucht zocht in 'die plaatsen, welke hem, bij slecht gezelschap, den jenever aanbieden, om hem en de zijnen nog meer ongeluk te bereiden.’
Overvloedig documenteert Van der Woud de uitzichtloze ellende waarin velen toen verkeerden. Zo geeft hij voorbeelden van arbeidersbudgetten, waaruit blijkt dat na de uitgaven voor huur en de allerkarigste levensmiddelen - vlees, boter en suiker waren ongekende luxe - niets overbleef voor kleding of schoolgeld. Ook beschrijft hij woningen waarin alles zich in één vertrek afspeelde, verscheidene personen in één bed moesten slapen en de 'beerton’ in een hoekje stond. Hierbij heeft Van der Woud een gelukkige hand van citeren, zoals blijkt uit de volgende beschrijving van de Tuinstraat in de Jordaan van Israël Querido: 'In de blakerende zon leek de geplunderde straat armelijker, triester dan ooit, met haar ingetrapte garnalen-afval, stukken haring, brokken rottende zoutevisch, appelen-, peren- en pruimenvuil. De zomer woelde in de goten, beerputten en stinkende krotten; bracht het vervuilde, binnen-kamersch leven, in schaamtelooze verliederlijking op de houten trapjes en stoepjes naar buiten. Gekrijsch van ongekamde vrouwen doorscheurde de straat, tusschen wild gegil en terug-schreeuwingen van kinderen.’
Hoewel deze ellende door de snelle groei van veel steden aanvankelijk verergerde, bracht de moderne tijd geleidelijk ook enige vooruitgang. Zo leidde de nieuwste medische en biologische kennis tot het inzicht dat die overbevolkte, onbeschrijflijk gore achterbuurten een enorm gezondheidsrisico betekenden, waar ook de burgers die aan de gracht of in de nieuwe wijken woonden het slachtoffer van konden worden. Zo werd er een begin gemaakt met het aanleggen van een waterleidingnet en werden rioleringssystemen ontwikkeld. Men kreeg oog voor de misère van de 'lagere volksklassen’ en de 'sociale quaestie’ kwam op de politieke agenda te staan. Progressieve liberalen, sociaal voelende christenen en later ook socialisten zetten zich in om de levensomstandigheden van 'het volk’ te verbeteren.
Hoewel Van der Wouds streven het door Huizinga geschetste beeld van Nederland als een 'burgerlijke’ en vooral 'zindelijke’ en 'propere’ natie te bestrijden niet erg overtuigt, omdat dit feitelijk een gevecht tegen windmolens is, heeft hij met dit boek wel een aangrijpend beeld geschetst van een allesbehalve florissant verleden, dat nog niet zo heel ver achter ons ligt. In dit opzicht is Koninkrijk vol sloppen de pendant voor zijn Een nieuwe wereld: Het ontstaan van het moderne Nederland, waarmee hij in 2007 de Grote Geschiedenisprijs won. Liet dat boek zien waaruit de harde, materiële kern van de moderniteit bestond - de infrastructuur die massacommunicatie en massamobiliteit mogelijk maakte - in dit nieuwe boek schildert hij vol overgave de narigheid en onrechtvaardigheid van een samenleving die pas op de drempel stond van die moderniteit.

AUKE VAN DER WOUD
KONINKRIJK VOL SLOPPEN: ACHTERBUURTEN EN VUIL IN DE NEGENTIENDE EEUW
Bert Bakker, 440 blz., € 29,95