Stront in de ogen

Op een vergeefse queeste naar Dennis Potter drong ik door tot tv-producer Kenneth Trodd en criticus Philip Purser. Versteld van het niveau waarop zij spraken over ontwikkelingen in vorm en inhoud van Potters werk, over tv-drama in het algemeen, over mogelijkheden en beperkingen van het medium.

Zo had ik het in Nederland gehoord noch gelezen (laat staan zelf geschreven) en ik realiseerde me eens te meer dat televisie in Engeland niet het door intellectuelen en kunstenaars geminachte kastje is dat in Nederlandse huiskamers staat. Een deel van die groepen is als maker betrokken en tegelijk is televisie onderdeel van serieuze reflectie.
Hetzelfde mengsel van respect en jaloezie bekroop me toen Alan Plater hier vorig jaar een lezing hield over tv-drama en toen Sarah Dunant ons vorige week toesprak over haar cultuurmagazine The Late Show. Intelligentie, hartstocht, liefde voor het medium en deszelfs artistieke en maatschappelijke mogelijkheden, gein en zelfspot - kom er es om. Dat de stichting Lira en het Stimuleringsfonds zulke kanjers hierheen halen, bewijst dat er rond de omroep een kleine groep Mohikanen is die de hoop niet wil opgeven en het bestel inspirerende injecties wil toedienen. Dat datzelfde bestel zowel Plater als Dunant letterlijk en figuurlijk negeert, zegt ongeveer alles over niveau, cynisme en arrogantie van de Hollandse beleidsmakers. Zowel sterke als zwakke punten van de Nederlandse radio en televisie wortelen grotendeels in verzuiling en bestel, waarbij het bestel de verzuiling heeft overleefd. Sterke punten, omdat ik niet zo gauw zie hoe Wim Schippers bij BBC, BRT, ARD of ZDF aan de bak zou zijn gekomen. En zwakke, nou ja, daar is geen beginnen aan. (Een wel komische vind ik dat de Tros niet aan een gemeenschappelijke nieuwsredactie voor Radio 1 wil meewerken omdat dan haar identiteit (!) verloren dreigt te gaan.) De pest is dat er ook bij de Nederlandse televisie natuurlijk met regelmaat talentvolle en betrokken mensen beginnen, maar door het daar heersende woestijnklimaat vluchten of verdorren ze vroeger of later. En, de waarheid dient gezegd, een enkeling slaagt erin een stekkie tot een palmpje uit te doen groeien terwijl de VPRO de titel ‘oase’ mag worden verleend. Zij het dat ook daar heel wat fraais de nek om wordt gedraaid. Zo zou men kunnen zeggen dat het type engagement en schoonheid dat de VPRO investeert in kindertelevisie, in documentair werk (recent een prachtstuk over sanatorium Zonnestraal) en in aangekochte films en drama, onthouden wordt aan het eigen drama. Schippers’ genre is uniek, maar ook hij moet kennelijk altijd knokken voor wat hij wil en verliest soms. (Slotscene van allerlaatste We zijn weer thuis-aflevering: Simon Raaspit met tv-script bij weigerachtige VPRO-redacteur die hem doorverwijst naar 'iemand als Wim T. Schippers’. 'Maar’, antwoordt Simon, 'die schijnt ook free-lance te zijn’.)
Weisz’ grote produkties bezaten kracht en schoonheid maar er had natuurlijk al lang iets als een VPRO-dramaschool moeten bestaan. Men lijkt daar niet op uit te zijn. Overigens, de oetlul die in de Volkskrant Pieter Verhoefs Vuurtoren afdeed als zoveelste uiting van jeugdsentiment, symboliseert treffend het niveau van reflectie over televisie: stront in ogen en oren.