Stroomopwaarts naar het verleden

M. M. Schoenmakers, De spookkrabben. Uitgeverij De Bezige Bij, 186 blz., f34,50
MET DE SPOOKKRABBEN beeindigt M. M. Schoenmakers zijn trilogie Stroomafwaarts en stroomopwaarts, een serie romans over de problemen waarmee voormalige kolonien en andere ontwikkelingslanden te kampen kunnen krijgen wanneer de oude en de nieuwe culturen, het vreemde en het eigene, op elkaar botsen. Om daar iets van zichtbaar te maken, nam hij in zijn boekencyclus - die het best in samenhang kan worden gelezen - zijn personages op sleeptouw door een land dat bedekt is met tropisch oerwoud. Dat doet hij in een taal die door haar barokke overdaad al evenzeer aan de vegetatieve woekeringen van de jungle doet denken.

Ergens in dit laatste deel noemt hij de omgeving die hij voor hen schiep een ‘fabelachtig land’, en dat is een omschrijving die niet helemaal van haar letterlijke betekenis mag worden ontdaan. Want al is er aanleiding genoeg om te veronderstellen dat het hier om Suriname gaat, toch is de werkelijkheid die Schoenmakers heeft gecreeerd in de eerste plaats fictioneel. Het is een wereld waarin verschillende tijdperken gelijktijdig bestaan, waarin een mens uit de twintigste eeuw nog mensen uit het quartair kan ontmoeten in dorpen en nederzettingen met een nog middeleeuwse manier van leven. Daarin stroomopwaarts, dus landinwaarts reizen, betekent dat je teruggaat in de tijd; stroomafwaarts kom je weer in het heden terecht.
Zo'n pendelbeweging laat Schoenmakers ook zijn hoofdpersonen maken, de Indiaan Julius Ebecilio en de 'aan de kou van zijn geboorteland’ ontstegen blanke ontwikkelingswerker Victor Souda.
Beiden zijn vanaf deel een, Het schild van de weemoed (1990), bekenden van elkaar. Ze ontmoeten elkaar wanneer de dekolonisatie al een feit is, maar inmiddels doet de nieuwe overheid het koloniale paternalisme nog eens op haar eigen manier stevig over. De Indiaan is op zoek naar een ander bestaan. Hij heeft zijn geboortegrond verlaten in een poging om aan zijn Indiaan-zijn te ontsnappen. Met weinig succes overigens, zal in de loop van de geschiedenis blijken. De omstandigheden maken van hem van begin af aan een slachtoffer. Niet meer thuis in zijn eigen cultuur, maar evenmin opgewassen tegen de eisen die in de nieuwe werkelijkheid gelden, belichaamt hij een in de derde wereld helaas maar al te bekend probleem. Een cynisch ingenieur die belast is met de voorbereidingen van een groot project, vat het ergens in het eerste deel aldus kernachtig samen : 'Ze bestaan, en nu zitten ze in de weg.’
Zijn tegenspeler Victor Souda voelt zich begaan met het lot van de Indiaan, maar ligt niet minder met zichzelf overhoop. Vervreemd uit zijn vaderland vertrokken, probeert hij zich met zijn nieuwe omgeving te verbinden met behulp van wat onrendabele projecten en enkele vrouwen. Onder hen is Eveline Bromet de meest prominente. Het is een mooie mulattin waarmee hij een liefdesnacht beleeft op het strand waar de reuzenschildpad haar eieren legt.
Als ontwikkelingswerker is hij bijvoorbeeld belast met de begeleiding van een onderneming, die door Julius Ebecilio uiteindelijk tot een winstgevend bedrijf moet worden gemaakt: een kippenboerderij. Dat die daar niet in slaagt, heeft onder andere te maken met de politieke conjunctuur waarin het land inmiddels is terechtgekomen.
VANAF DEEL TWEE, De slakkelijn van de revolutie (1992), raakt dit tweetal langzaam bekneld in de strapatsen van een revolutie. Belangrijkste verantwoordelijke voor de omwenteling is Zinhagel, een sergeant die zichzelf generaal maakt en vervolgens de leiding in het land overneemt. In de beschrijving van dit revolutionaire proces en de gevolgen ervan, blijkt Schoenmakers’ satirisch talent. Het oude regime heeft hij in de minister van Planning, Opbouw en Vooruitgang laten verstenen, vergelijkbaar met de manier waarop Mulisch’ sergeant Massuro aan zijn eind kwam. Maar de grootheidswaan van de man - gevat in kolderiek taalgebruik en in denkbeelden waarin het land werd opgesplitst volgens hele en halve cirkels en halfgare formules - leeft al snel voort in het nieuwe denken en wordt uiteindelijk het keurmerk van de revolutie. Met alle ellende en angst van dien, want de veranderingen die het leger doorvoert, worden gekenmerkt door doelloosheid, nutteloosheid en machtsvertoon. Ze kostten Julius Ebecilio zijn vrouw en nering en verpulveren de idealen van Victor Souda. Zijn ontwikkelingswerk wordt in de chaos van een bizarre orde grondig vermalen.
Ook de historische feiten waarmee Schoenmakers zijn trilogie in elkaar heeft gestoken, roepen Suriname in herinnering. Maar ik kreeg nog veel sterker de (dictator)romans van de grote Zuidamerikaanse vertellers in gedachte; Schoenmakers varieert in zijn romancyclus op de dezelfde thema’s. De belangrijkste daarvan zijn het probleem van de dictatuur, de mythe van het verloren paradijs, met daarmee verbonden de onmogelijkheid om die staat van oorspronkelijkheid weer te bereiken, de parabel van het menselijk tekort en het lijden aan de weerzin tegen de westerse samenleving.
DE SPOOKKRABBEN, de slotroman van deze trilogie, bevat het verhaal over de terugkeer naar de eigen oorsprong - letterlijk en figuurlijk, want er wordt terugverlangd naar de geboortegrond en de eigen identiteit. Ook in dit opzicht is Schoenmakers’ romanproject dus cyclisch. Nadat de twee voornaamste protagonisten - ieder apart overigens, en om verschillende redenen - zijn opgepakt, verhoord en vernederd door de handlangers van het revolutionaire bewind die in nauwe samenwerking met hun superieuren alleen maar 'gaten ontwikkeld’ hebben, vinden Victor Souda en Julius Ebecilio elkaar opnieuw. Ze besluiten tot een vluchttocht over water.
De reis zal voor een belangrijk deel stroomopwaarts gaan, wat betekent terug in de tijd - en daarmee erkennen ze dat wat ze ooit zijn begonnen, uiteindelijk op een mislukking is uitgelopen. Deze barre onderneming eindigt voor Julius Ebecilio als hij op zijn geboortegrond is weergekeerd en zijn schuld belijdt met de woorden: 'Ik was verdwaald in mijn hart.’ Maar als hij om zich heen kijkt, kan hij constateren dat zijn lotgenoten inmiddels verdwaald zijn in de drank.
Ook Victor Souda zal naar zijn noordelijke gronden terugkeren, maar voor het zover is, wil hij nog een keer de plek bezoeken waar hij zich ooit het meest met land en volk verbonden heeft gevoeld: het strand waar hij een poging deed zich met Eveline Bromet te verenigen. Nog voor hij van dat 'oerwoudgeluk’ kan genieten, wordt hij daar door een schildpadstroper overvallen die hem uitlegt waarom er 'van dit hele land geen sodemieter’ klopt: 'Alle waarheid die ooit is bedacht hebben we op ons dak gekregen. Zoveel talen, zoveel dromen, zoveel geschiedenis, van over de hele wereld bij elkaar geschraapt en hier op een kluitje gegooid. Zo veel waarheid en zo verschillend. Niets is helemaal waar en niets is helemaal onwaar, maar wat wel en wat niet? De waarheid van de waarheid bestaat niet. We kunnen alles geloven of niks, maar alles is teveel. Dus doen we het in werkelijkheid met niks.’
In zijn romancyclus heeft M. M. Schoenmakers de consequentie van die gedachte nadrukkelijk gestalte gegeven en daarmee gedemonstreerd dat wat hem betreft de toekomst van dit soort landen een weinig rooskleurig perspectief heeft. Of hij daarin gelijk zal krijgen, weet ik niet. In ieder geval heeft hij zijn boodschap literair gezien vaak knap vorm gegeven.
Er zitten zeker zwakke plekken in deze trilogie. Zo blijven zijn bijfiguren nogal eens in de karikatuur steken en is er een neiging tot mooischrijverij. Toch schuilt in zijn taalgebruik de grootste kracht. Juist het gekunstelde, het barokke bevalt me eraan. Hij heeft een manier van schrijven die naar mijn smaak in Nederland te weinig wordt beoefend en daardoor is ondergewaardeerd en al snel plechtstatig of archaisch heet. Maar wie zich eraan durft over te geven, ontdekt gaandeweg de kwaliteiten ervan: ze is poetisch, beeldend en atmosfeer scheppend, en er gaat een onverwachte epische kracht in schuil.