Strooppot kosovo

HET MOETEN ‘de Frenki’s’ geweest zijn die ons in de zomer van 1998 het bloed in de aderen deden stollen. We ontmoetten ze aan de rand van het totaal verwoeste dorp Decani, waar kort achter elkaar twee Servische offensieven overheen waren gerold. In de omgeving van het dorp wemelde het desondanks nog steeds van de guerrilla’s van het Kosovo Bevrijdingsleger (UCK).

De kapotgeschoten en verbrande huizen van Decani waren veranderd in Servische bolwerken. Net buiten het dorp was een controlepost ingericht door de MUP, de troepen van het Servische ministerie van Binnenlandse Zaken. Terwijl een MUP-agent onze papieren controleerde, kwamen twee zwarte jeeps zonder nummerplaten aangescheurd. Bij onze auto kwamen ze met gierende remmen tot stilstand. In elke jeep zaten vier jongens, tot de tanden bewapend met kalasjnikovs en handgranaten. Hun camouflage-uniformen waren lichter en anders van snit dan die van de Servische soldaten die we tot nog toe hadden gezien. Op de uniformen was geen enkel onderscheidingsteken te ontdekken. De chauffeur van de jeep had kortgeschoren lichtblond haar en felle, blauwe ogen. Onze aanwezigheid maakte hem woest. Hij wees op onze auto, waarop heel duidelijk Press stond, en begon de agent die bezig was onze papieren te controleren hartgrondig de huid vol te schelden. Een van de jongens op de achterbank droeg een legerhoed met slappe randen, waarvan hij er een omhoog had geslagen - als een Australische commando. Hij bedekte vlug zijn neus en mond met de zwarte zakdoek die hij om zijn hals had gebonden en laadde zijn kalasjnikov door. Alles aan deze strijders was angstaanjagend. Hun voorkomen, hun oogopslag. Goddank kwamen ze niet uit hun auto en wist de agent ze gerust te stellen. De jeeps stoven weg in dezelfde vliegende vaart als waarmee ze ons hadden onderschept. De agent wiste net als wij het zweet van zijn voorhoofd toen de jeeps uit het zicht waren verdwenen. Hij maakte ons duidelijk dat we enorm veel geluk hadden gehad. Tot welk legeronderdeel de commando’s behoorden, zei hij niet te weten. Hij rolde met zijn ogen en legde zijn vingers op zijn lippen. Niet meer over praten. DE COMMANDO’S behoren zeer waarschijnlijk tot de Frenki’s, de paramilitaire militie van Frano ‘Frenki’ Simatovic, een voormalige agent van de Servische staatsveiligheidsdienst (SDB). Frenki’s eenheid is gerekruteerd uit vrijwilligers en speciale troepen van het Joegoslavische leger en opereert grotendeels op eigen houtje, altijd in de frontlinie. De militie heet officieel JSO, wordt ook wel de Rode Baretten genoemd, en is berucht om zijn op Australische leest geschoeide bush-methodes. De Frenki’s behoren volgens westerse militaire inlichtingendiensten tot de actiefste paramilitaire milities in Kosovo. De eenheid zou bestaan uit zo'n vier- tot vijfhonderd man die zich verplaatsen in four wheel drives ontdaan van nummerplaten, en opereren in groepen van ongeveer twintig man. Simatovic verdiende zijn sporen in Kroatië, rond Knin, waar zijn militie oefende in etnische zuiveringen, plunderingen, moord en verkrachting. Tot vlak voor de Navo-bombardementen hielden de Frenki’s zich tamelijk rustig. Nu jagen ze op alles wat Albanees is. Vluchtelingen uit de streek rond Decani en Pec vertelden hoe de paramilitairen van huis tot huis gingen en de bevolking verdreven, waarna ze - soms bijgestaan door een tankbrigade van het leger - de huizen in brand schoten. Naar verluidt is Pec, dat vroeger meer dan 120.000 inwoners had, inmiddels leeg en deels in vlammen opgegaan. Kosovo is een uitgelezen jachtterrein voor Servische paramilitairen. Er zouden er zo'n achtduizend actief zijn. Nu waarnemers en journalisten zijn verdwenen, hebben ze de vrije hand. In talloze ooggetuigenverslagen van vluchtelingen en in de laatste reportages die journalisten in Kosovo maakten, komen gemaskerde mannen voor die huishouden onder de Albanese bevolking. Tijdens de oorlogen in Bosnië en Kroatië mengden vele milities zich in de strijd. Vaak bestonden ze uit lokale Serviërs die zich hadden bewapend en zich te buiten gingen aan wreedheden. Maar de grootste misdaden werden gepleegd door goed georganiseerde brigades van oorlogsvrijwilligers uit Belgrado en omstreken, niet zelden opgetrommeld door politieke partijen, aangevoerd door politici en bewapend en getraind door geheime diensten. Vijf dagen na het begin van de Navo-bombardementen huiverde het Westen toen de Britse minister van Defensie, George Robertson, verkondigde dat de beruchte Tijger-militie van de wereldwijd gezochte misdadiger Zeljko Raznjatovic, alias Arkan, in Kosovo opereerde. In de korte tijd tussen het begin van de Navo-acties en Robertsons verklaring zouden de Tijgers al meer dan tweehonderd Albanezen hebben vermoord en hun lijken hebben opgestapeld voor het staatsziekenhuis in Pristina. De berichten over stapels lijken werden niet bevestigd, maar dat Arkans Tijgers actief zijn in Kosovo is zeer waarschijnlijk. Boris Pelevic, vice-president van de door Arkan geleide Servische Eenheidspartij, meldde vlak na het losbarsten van de bombardementen dat Arkan bezig was vrijwilligers te verzamelen voor de strijd in Kosovo. Eerder al had hij verklaard dat de Tijgers, grotendeels gerekruteerd uit veroordeelde misdadigers, binnen korte tijd drieduizend man op de been konden brengen, mocht dat nodig zijn. Dat Arkan bij hoog en laag volhield al maanden niet in Kosovo te zijn geweest en niet van plan was zijn gezin in Belgrado te verlaten, doet niets af aan de waarschijnlijkheid van de berichten. Ook tijdens de operaties van zijn militie in Bosnië en Kroatië vertoefde hij vaak in Belgrado. Zijn zeer gedisciplineerde (geen alcohol, geen tabak, geen drugs) en uitstekend getrainde manschapppen vormen een moordmachine die makkelijk op afstand bestuurbaar is. Ook de Sjeselovci, beter bekend als de Cetniks (naar de legendarische lijfwacht van de Servische koningen), zijn in Kosovo actief geweest. We ontmoetten de Frenki’s niet lang nadat Vojislav Seselj, de ultranationalistische vice-premier van Servië die de Cetniks leidt, Pec had bezocht. Seselj begaf zich uiteraard niet in zijn eentje in het gevaarlijke gebied. Hij reisde samen met een deel van zijn Cetnik-militie, die net als de Frenki’s en Arkans Tijgers in 1991 werd opgericht bij het uitbreken van de oorlog in Kroatië. In Pec hield Seselj een verhitte redevoering. Die nacht trokken beschonken leden van zijn militie eropuit om de UCK-eenheden rond de stad mores te leren. Maar ze kwamen van een koude kermis thuis. De Albanese guerrilla’s sloegen de Cetniks terug. Een paar dagen later dropen Seselj en zijn militie weer af, terug naar Belgrado. Niet bekend Naast Arkans Tijgers en Sjeseljs Cetniks behoren de Beli Orlovi (Witte Adelaars) van Mirko Jovic en de Srpska Garda (Servische Garde) van Vuk Draskovic tot de grootste en meest beruchte paramilitaire eenheden. De Witte Adelaars zijn door UCK-eenheden gesignaleerd. Van de Srpska Garda is al heel lang niets meer gehoord. In Bosnië en Kroatië zijn daarnaast vele kleinere milities actief geweest, zoals die van de mysterieuze Kapitein Dragan, de Kninja’s (Ninja’s van Knin) geleid door Milan Martic en later getransformeerd tot de Servische politie van de Krajina, en de Valjevo Unit, resorterend onder een kleine, uiterst radicale politieke partij, de Servische Vrijheidsbond (SNO). Alle even wreed en meedogenloos. The Scotsman en Le Monde lieten onlangs getuigen aan het woord die het optreden beschreven van een nieuwe Servische militie, opererend vanuit Macedonië: de Zwarte Hand, naar de mythische terreur-organisatie van Servische officieren die achter de moordaanslag zat op de Oostenrijkse kroonprins te Sarajevo, in 1914. De moderne Zwarte Hand zou bruter optreden dan elke andere paramilitaire groep. Een UCK-strijder, aangehaald in Le Monde: 'Ze onthoofden mensen met bijlen en messen. Ledematen worden verspreid in de dorpen. Zo hebben ze ook mijn grootmoeder gedood in Jablanica. Mijn ouders vonden haar hoofd terug voor het huis van onze buren. Haar verminkte lichaam lag in onze eetkamer.’ ONGEREGELDE TROEPEN, paramilitaire eenheden die zich grotendeels onttrekken aan elke vorm van controle en onafhankelijk opereren, zijn op de Zuid-Balken geen ongewoon verschijnsel. Meer dan vierhonderd jaar geleden al vochten de Hajduken een guerrilla avant la lettre tegen de Ottomanen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hanteerden Cetnik-eenheden, gevormd toen het geregelde Servische leger zich verslagen moest terugtrekken in Griekenland, dezelfde tactiek in hun strijd tegen de Oostenrijkers en Duitsers. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevochten Cetniks en Tito’s partizanen niet allleen de Duitsers, maar ook elkaar. Daarbij werden net als nu onnoemelijke wreedheden begaan. Tijdens de recente oorlog in Kroatië en Bosnië traden Kroatische en moslimmilities net zo meedogenloos op als de Servische paramilitairen, maar de Serviërs waren het talrijkst en het best georganiseerd. Met het uiteenvallen van Joegoslavië langs etnische lijnen werd het militiewezen nieuw leven ingeblazen. Op 4 april 1991 werd de eerste paramilitaire eenheid in Servië gevormd. De groep heette Dusan Silni en was als 'zelfverdedigings’-brigade opgericht door extremisten van de SNO. Dat was het startsein voor een golf van nieuwe milities, niet zelden opererend onder de vlag van een politieke partij. De milities moesten 'de natie weerbaar maken’, het patriottische bewustzijn doen ontwaken en de vijand angst inboezemen. Vooral dat laatste lukte: paramilitair werd synoniem voor oorlogsmisdadiger. Zeljko Raznjatovic is reeds aangeklaagd door het Joegoslavië Tribunaal. En gezien de bergen aan bewijs zal ook Vojislav Seselj daaraan waarschijnlijk niet ontkomen. Een voormalige journaliste van het onafhankelijke Joegoslavische persagentschap Beta, liever niet met naam in de krant, kan zich de oprichting van de paramilitaire eenheden nog goed herinneren. 'Tegenwoordig hangt er een geur van mystiek rond de paramilitairen, maar aanvankelijk was er weinig geheimzinnigs aan’, zegt ze. 'Politieke partijen riepen vrijwilligers op zich te melden voor de verdediging van de Servische rechten. Je kon je meestal melden tijdens openbare bijeenkomsten. Vuk Draskovic werpt zich nu op als vredestichter, maar hij was een van de eersten die een militie vormden. Voor de Srpska Garda kon je je aanmelden in een hotel in Belgrado. Vooral in het begin van de oorlog, rond Knin, waren zijn troepen erg actief. Nu ontkent hij dat in alle toonaarden.’ De paramilitaire groepen werden in het veld vrijwel altijd aangevoerd door mannen die getraind waren door de politie of de federale geheime dienst, vooral door de afdeling die zich in de jaren zeventig en tachtig bezighield met het intimideren en uit de weg ruimen van tegenstanders van het communistische regime. Sommigen, zoals Arkan, worden wereldwijd gezocht. Anderen, waaronder kapitein Dragan, waren keihard maar formeel smetteloos. Kapitein Dragan, opgeleid door de voorloper van de SDB, had jarenlang gediend in het Australische leger. Hij dook op rond Knin en nam de tactische organisatie van diverse vrijwilligersmilities op zich. HOEWEL ER doorgaans nauw wordt samengewerkt met het leger en de MUP-troepen, komen de manschappen van de milities niet voor op de loonlijsten van Defensie of Binnenlandse Zaken. Officieel heeft de Joegoslavische overheid geen banden met de paramilitaire eenheden. In Bosnië en Kroatië voegden zich regelmatig 'weekendstrijders’ bij de goed getrainde, permanent inzetbare paramilitairen. Hun oorlogsbuit, niet zelden geroofde luxe auto’s vol kleinere roofwaar, was hun loon. De paramilitairen zijn uitermate geschikt om het vuile werk van de militaire en politieke strategen in Belgrado op te knappen. Tijdens de oorlog in Kroatië en Bosnië was etnische zuivering een middel om het doel, een Groot-Servië, te bereiken. Door de ergste zuiveringen te laten uitvoeren door paramilitaire milities sloeg Milosevic twee vliegen in één klap. Hij hield schone handen én hij bond de steeds machtiger wordende milities aan zich: inzet betekende buit. Officiële betrokkenheid bij etnische zuiveringen is door de Joegoslavische autoriteiten altijd ontkend. De inzet van de paramilitairen en hun oorlogsmisdaden zijn echter ruimschoots aantoonbaar door getuigenissen van slachtoffers en niet in de laatste plaats van de militieleiders zelf. Zo vertrouwde Arkan onlangs nog BBC World toe dat hij Milosevic zag als de opperbevelhebber van alle strijdkrachten, ook van zijn Tijgers. 'Ik neem alleen bevelen aan van mijnheer Milosevic’, sprak hij. Vojislav Seselj heeft in het verleden duidelijke taal geuit over Milosevic’ betrokkenheid bij oorlogsmisdaden. Gewezen op de wrede campagnes in Bosnië en Kroatië (zijn Cetniks werden onder meer ingezet in Zvornik en Vukovar, waar duizenden moslims en Kroaten werden vermoord), zei hij eens: 'Ik kan dat niet ontkennen. Maar het werd allemaal gepland in Belgrado. Milosevic zélf heeft me gevraagd mijn troepen in te zetten. Ik heb vrijwilligers verzameld en gedaan wat er van me werd verlangd.’ Militiecommandanten hebben zich tijdens de oorlog enorm verrijkt en een sterke positie opgebouwd. De meesten zijn uitgegroeid tot machtige maffiabazen. Maar ze zijn niet onkwetsbaar. Zowel hun kracht als hun zwakte ligt in hun afhankelijkheid van de geheime diensten. Zowel voor hun operaties als voor de financiering van wapens voor hun milities leunen ze zwaar op veiligheidsdiensten als de SID (buitenlandse zaken), SDB (binnenlandse zaken) en de KOS (militaire inlichtingendienst). Volgens het jaarverslag uit 1997 van de gerenommeerde Observatoire Geopolitique des Drogues hebben deze drie diensten de drugshandel in Servië vast in handen. Ook Arkan speelt een actieve rol in het doorvoeren van drugs via de Balkan en is daarmee een concurrent van de top van het UCK, dat de drugslijnen via Kosovo en Albanië in handen heeft. Voor 'zaken’ reisde Arkan regelmatig naar Pristina en het Kroatische deel van Slavonië, waar zijn militie zich heeft uitgeleefd, maar waar hem geen strobreed in de weg wordt gelegd. Het drugsgeld wordt onder meer gebruikt om de paramilities te financieren. Maar de geheime diensten, rechtstreeks gecontroleerd door Milosevic, zijn niet alleen handen die de paramilities voeden. Het zijn tegelijkertijd machtige instrumenten om de gevaarlijke, heetgebakerde nationale voormannen met hun privélegertjes in toom te houden. Na 1995, toen de oorlog in Bosnië werd beëindigd met het akkoord van Dayton, vielen veel militieleden in een zwart gat. Ook al waren ze oorlogsveteraan, de overheid erkende hun niet, en zolang er geen nieuwe oorlogsbuit viel te halen, was het voor velen armoe troef. In de Joegoslavische pers verschenen getuigenissen van ontevreden ex-paramilitairen met een knagend geweten. Ene Slobodan Misic verklaarde bijvoorbeeld zeventig tot tachtig mensen vermoord te hebben en dat graag aan de grote klok te hangen om wraak te nemen op de regering die na de oorlog niet meer naar hem had omgekeken. Seselj begon zich te roeren als tegenstander van Milosevic, net als Draskovic. Ook Arkan koos met zijn Servische Eenheidspartij de oppositie. Dát was niet de bedoeling. Een mysterieuze golf van nooit opgehelderde moorden begon de omgeving van ex-militiecommandanten te teisteren. Vooral Arkans Tijgers en Draskovic’ Servische Garde moesten het ontgelden. Twee officieren en een beschermheer van de Srpska Garda werden neergemaaid. Arkan verloor een kolonel, een strijdmakker en een vriendin. Naar de daders en de redenen voor de moorden valt alleen te gissen. Eén ding lijkt zeker: zolang Milosevic oegoslavië in een ijzeren greep houdt, zullen ze niet worden opgelost. Want er is er maar één krachtiger en meedogenlozer dan de nationalistische krijgsheren die nu weer op strooptocht zijn in Kosovo.