Struikelende vooruitgang

Kwalijk, oordeelden de recensenten in Engeland en Nederland: de schrijver had zijn marxistische geloof niet afgezworen! En inderdaad, Hobsbawms geschiedenis van de ‘korte twintigste eeuw’ is geen verslag van de triomftocht van het kapitalisme. Deze en volgende week plaatst De Groene een voorpublikatie uit dit omstreden werk. Uit: Een eeuw van uitersten: De twintigste eeuw (1914-1991). Vertaald door Andre Abeling en Martha Heesen, uitgeverij Het Spectrum, 704 blz., f49,90
OP 28 JUNI 1992 VERSCHEEN president Mitterrand onaangekondigd in Sarajevo, dat toen al het middelpunt was van een Balkanoorlog. Zijn doel was de aandacht van de wereld te vestigen op de ernst van de Bosnische crisis. De aanwezigheid van deze eminente staatsman, bejaard en duidelijk zwak van gezondheid, onder geweer- en artillerievuur, kreeg veel belangstelling.

Maar er was een aspect van Mitterrands bezoek waar vrijwel niets over werd gezegd, hoewel het duidelijk cruciaal was: de datum. Waarom had de Franse president juist die dag uitgekozen om naar Sarajevo te komen? Omdat op 28 juni 1914 in Sarajevo aartshertog Frans Ferdinand van Oostenrijk-Hongarije werd vermoord, een moord die binnen enkele weken leidde tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Voor iedere ontwikkelde Europeaan van Mitterrands leeftijd betekende deze datum en deze plaats de gedachtenis aan een historische catastrofe, aangewakkerd door politieke misstappen en verkeerde berekeningen. Door deze symbolische datum te kiezen, kon Mitterrand op dramatische wijze de mogelijke gevolgen onder de aandacht brengen van de Bosnische crisis. Maar bijna niemand had deze toespeling door, op enkele historici en hoogbejaarde burgers na. De historische herinnering leefde niet meer.
De vernietiging van het verleden, of liever gezegd van de sociale mechanismen die de eigen levenservaring in verband brengen met die van vroegere generaties, is een van de meest kenmerkende en angstaanjagende verschijnselen van de twintigste eeuw. De meeste jongeren aan het einde van deze eeuw groeien op in een soort onveranderlijk heden, dat geen enkele organische relatie vertoont met de voorafgaande perioden. Daardoor zijn geschiedkundigen, die tot taak hebben vast te houden wat anderen vergeten, aan het einde van de twintigste eeuw belangrijker dan ze ooit geweest zijn. Maar juist om deze reden moeten ze meer zijn dan kroniekschrijvers, herdenkers, verzamelaars, hoewel ook dit tot hun noodzakelijke werk behoort. In 1989 hadden alle regeringen ter wereld hun voordeel kunnen doen met een congres over de vredesregelingen na de beide wereldoorlogen, die klaarblijkelijk door de meesten waren vergeten.
Voor historici van mijn generatie en achtergrond is het verleden onverwoestbaar, niet alleen omdat wij uit het tijdperk stammen waarin straten en openbare gebouwen nog naar politieke figuren en gebeurtenissen werden genoemd (zoals het Wilsonstation in het vooroorlogse Praag en in Parijs het metrostation Stalingrad), waarin vredesverdragen nog getekend werden en dus een naam kregen (het Verdrag van Versailles), en oorlogsmonumenten een nabij verleden herdachten, maar vooral ook omdat openbare gebeurtenissen deel uitmaken van het weefsel van ons leven. Ze zijn niet alleen maar markeringen in ons persoonlijk leven, ze vormen zowel ons priveleven als ons maatschappelijke leven. Voor mij betekent 30 januari 1933 niet alleen de datum waarop Hitler kanselier werd van Duitsland, maar ook een winternamiddag in Berlijn, waarop een vijftienjarige jongen en zijn jongere zusje van hun naast elkaar liggende scholen in Wilmersdorf op weg waren naar hun huis in Halensee. Ergens onderweg zag ik de krantekop, die ik nog altijd voor me zie, als in een droom.
Hoe moeten we de ‘korte twintigste eeuw’ begrijpen, dat wil zeggen de jaren tussen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de ineenstorting van de Sovjetunie? Deze jaren, zo weten we nu achteraf, vormen een samenhangende historische periode die nu is afgesloten. We weten niet wat er hierna zal komen, en hoe het derde millennium eruit zal zien, ook al weten we dat de fundamenten zijn gelegd door de 'korte twintigste eeuw’.
Ik zou hier de structuur van de 'korte twintigste eeuw’ willen voorstellen als een soort triptiek, een 'historische sandwich’. Een Tijdperk van Rampspoed, van 1914 tot de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, werd gevolgd door een vijfentwintig- of dertigjarige periode van buitengewone economische groei en sociale omwenteling, die de maatschappij vermoedelijk diepgaander heeft veranderd dan welke andere kortdurende periode dan ook. Achteraf kan deze tijd worden gezien als een soort Gouden Tijdperk, en dit deed men ook, direct nadat er in het begin van de jaren zeventig een einde aan was gekomen. Het laatste deel van de eeuw was een nieuw tijdperk van ontwrichting, onzekerheid en crisis, en voor grote delen van de wereld, zoals Afrika, de voormalige Sovjetunie en de voormalige Oostbloklanden, zelfs van catastrofe. Bij het aanbreken van de jaren negentig werden de voorbije en de komende jaren van onze eeuw met steeds meer fin de siecle-somberheid bekeken.
HOE ZAG DE WERELD VAN de jaren negentig eruit vergeleken met de wereld van 1914? Er woonden vijf of zes miljard mensen, misschien wel drie keer zo veel als bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, en dit ondanks het feit dat tijdens de 'korte twintigste eeuw’ meer mensen waren gedood of aan de dood overgeleverd dan ooit in de geschiedenis. Een recente schatting van het aantal doden komt uit op 187 miljoen; dit staat gelijk aan meer dan een tiende deel van de totale wereldbevolking van 1900.
In de jaren negentig waren de meeste mensen groter en zwaarder dan hun ouders, beter gevoed, en hadden een langere levensduur. De capaciteit voor het produceren van goederen en diensten, in een onbegrensde varieteit, was onvergelijkbaar veel groter dan ooit tevoren. Anders had de wereldbevolking ook nooit kunnen toenemen tot die ongekende omvang. Tot de jaren tachtig hadden de meeste mensen een beter leven dan hun ouders en, in de gebieden met een geavanceerde economie, een beter leven dan ze zelf ooit voor mogelijk hadden gehouden. Gedurende een paar decennia zag het er in de rijkere landen zelfs naar uit dat er manieren gevonden waren om met een zekere mate van rechtvaardigheid iets van deze enorme rijkdom te delen met de arbeidersklasse, maar aan het eind van de eeuw kreeg de ongelijkheid weer de overhand. Ook in de voormalige 'socialistische’ landen waar tot dan toe een zekere gelijkheid in armoede geregeerd had, nam de ongelijkheid massaal toe.
De mensen waren veel beter opgeleid dan in 1914. Vermoedelijk voor het eerst in de geschiedenis kon het merendeel van de mensheid lezen en schrijven. De wereld werd beheerst door een revolutionaire, zich voortdurend verder ontwikkelende technologie, gebaseerd op wetenschappelijke triomfen die in 1914 wel hadden kunnen worden voorzien, maar die toen nog maar in de kinderschoenen stonden. Het meest ingrijpende gevolg hiervan was misschien wel de revolutie in vervoer en communicatie, waardoor tijd en afstand vrijwel werden uitgeschakeld. Het was een wereld met meer informatie en vermaak dan in 1914 de keizers tot hun beschikking hadden, elke dag, elk uur, in elke huiskamer.
Hoe komt het dan dat deze eeuw niet eindigde met een feestelijk gedenken van deze ongeevenaarde, geweldige vooruitgang, maar in een sfeer van onbehagen? Waarom kijken zoveel denkers zonder voldoening terug op deze tijd, waarom hebben ze geen vertrouwen in de toekomst? Niet alleen maar omdat dit de meest moorddadige eeuw uit de geschreven geschiedenis was. Dit is zonder twijfel het geval, zowel door de omvang, de frequentie en de langdurigheid van de oorlogen die voortdurend werden gevoerd, op een korte periode na in de jaren twintig, als door de ongeevenaarde omvang van de menselijke catastrofen die plaatsvonden, van de grootste hongersnoden uit de geschiedenis tot aan systematische volkerenmoord.
Dit tijdperk, dat voor de mensheid alleen een weldaad betekende in de ontwikkeling van wetenschap en technologie en de daarop gebaseerde geweldige materiele vooruitgang, eindigde in het Westen paradoxaal genoeg met een verwerping van deze zelfde vooruitgang door aanzienlijke delen van de publieke opinie en door zogenaamde denkers. De morele crisis was niet alleen een crisis van de uitgangspunten van de moderne beschaving, maar ook van de historische structuren van menselijke relaties die de moderne maatschappij had geerfd uit het pre-industriele en pre-kapitalistische verleden, en die deze maatschappij in staat stelden te functioneren, zoals nu duidelijk is. Het was geen crisis van slechts een maatschappijvorm, maar van alle vormen. Die merkwaardige roep om een niet nader gespecificeerde 'civiele maatschappij’, om 'gemeenschapszin’ werden geuit door verloren, ontwortelde generaties. Deze woorden klonken in een tijdperk dat hun traditionele betekenis verloren was gegaan, en ze nog slechts holle frasen waren. Er was geen andere manier meer om de groepsidentiteit vast te stellen dan door een definitie te geven van wie er niet bij hoorde. 'Zo komt de wereld aan zijn eind’, zegt de dichter T. S. Eliot, 'niet met een knal, maar met gejammer.’ De 'korte twintigste eeuw’ is geeindigd met een knal, en met gejammer.
AAN HET EIND VAN de 'korte twintigste eeuw’ waren de landen van de ontwikkelde kapitalistische wereld over het geheel genomen veel rijker en produktiever dan aan het begin van de jaren zeventig, en was de wereldeconomie waarvan ze nog steeds de spil vormden, veel dynamischer. Hoewel de kapitalistische wereldeconomie bloeide, was ze niet in goeden doen. De problemen die voor de oorlog de kritiek op het kapitalisme hadden gevoed en die tijdens het Gouden Tijdperk een generatie lang grotendeels bedwongen waren - armoede, massale werkloosheid, misere, instabiliteit - doken na 1973 weer op. Opnieuw werd de groei onderbroken door ernstige inzinkingen in 1974-1975, 1980-1982 en aan het eind van de jaren tachtig. De werkloosheidscijfers stegen in West-Europa van gemiddeld 1,5 procent in de jaren zestig tot 4,2 procent in de jaren zeventig. Op het hoogtepunt van de hausse in de tweede helft van de jaren tachtig waren ze in de Europese Gemeenschap gemiddeld 9,2 procent, en in 1993 elf procent. Wat de armoede en misere betreft raakten in de jaren tachtig zelfs veel van de rijkste en meest ontwikkelde landen opnieuw gewend aan het straatbeeld van bedelaars en het nog schokkender schouwspel van daklozen die in dozen sliepen. In Groot-Brittannie stonden in 1989 400.000 mensen officieel als 'dakloos’ geregistreerd. Wie zou dat in de jaren vijftig of zelfs nog aan het begin van de jaren zeventig hebben kunnen voorspellen?
De kern van de zaak was in de crisisdecennia echter niet dat het kapitalisme minder goed functioneerde dan in het Gouden Tijdperk, maar dat de werking ervan onbeheersbaar was geworden. Niemand wist wat er aan de nukken van de wereldeconomie gedaan moest worden en niemand beschikte over de instrumenten om ze aan te pakken. Het belangrijkste instrument daarvoor in het Gouden Tijdperk, overheidsbemoeienis, op nationaal niveau of internationaal gecoordineerd, werkte niet meer. De crisisdecennia waren de tijd dat de nationale staat zijn greep op de economie verloor.
Dat was niet direct duidelijk, want de meeste politici, economen en zakenlieden onderkenden - zoals gewoonlijk - niet dat de economische conjunctuuromslag permanent was. In de jaren zeventig gingen de politiek en het regeringsbeleid in de meeste landen ervan uit dat de problemen van die jaren maar van tijdelijke aard waren. Er was geen aanleiding om het beleid dat een generatie lang zo goed had gewerkt, om te buigen. Het overheersende beeld van dat decennium was dat van regeringen die tijd probeerden te winnen - in het geval van de derde-wereldlanden en socialistische landen vaak door zich diep in de naar ze hoopten korte-termijnschulden te steken - en de oude keynesiaanse recepten voor een economisch bijsturingsbeleid toepasten. Toevallig waren er in een groot deel van de jaren zeventig in de meeste ontwikkelde kapitalistische landen sociaal-democratische regeringen aan het bewind of kwamen ze opnieuw aan het bewind na een weinig succesvol conservatief intermezzo (zoals in Groot-Brittannie in 1974 en in de Verenigde Staten in 1976). Het viel niet te verwachten dat die van het beleid van het Gouden Tijdperk zouden afstappen. Het enige alternatief dat zich aanbood was de politiek die door de minderheid van ultraliberale profeten werd gepropageerd.
De lange tijd geisoleerd gebleven minderheid van aanhangers van de onbeperkte vrije markt had al voor de crisis de aanval ingezet op de overheersende invloed van de keynesianen en andere voorvechters van een gemengde economie en volledige werkgelegenheid. De geloofsijver van de oude voorvechters van het individualisme werd nu versterkt door het kennelijke onvermogen en tekortschieten van het conventionele economische beleid, vooral na 1973. De in 1969 nieuw ingestelde Nobelprijs voor de economie versterkte de neoliberale trend sinds 1974 door de onderscheiding in dat jaar aan Friedrich von Hayek toe te kennen en twee jaar later aan een al even vurig voorvechter van een ultraliberale economische politiek, Milton Friedman. Vanaf 1974 waren de vrije-marktadepten in het offensief, hoewel ze pas in de jaren tachtig invloed op regeringsniveau kregen. In Groot-Brittannie moest zelfs links uiteindelijk toegeven dat de keiharde shocktherapie die Thatcher de Britse economie had toegediend in bepaalde gevallen waarschijnlijk noodzakelijk was geweest. Er waren soms goede gronden voor het wantrouwen jegens staatsbedrijven en de overheidssector, dat in de jaren tachtig gemeengoed was geworden.
Anderzijds waren de neoliberalen ook van slag, zoals aan het eind van de jaren tachtig zou blijken. De simpele overtuiging dat het bedrijfsleven goed en overheidsbemoeienis slecht was, was echter nog geen alternatieve economische politiek. Dat kon ook niet in een wereld waarin, zelfs in de Verenigde Staten van Reagan, de uitgaven van de centrale overheid ongeveer een kwart van het BNP bedroegen en in de ontwikkelde landen van de Europese Gemeenschap gemiddeld zelfs ruim veertig procent van het BNP. Zulke enorme brokken van de economie konden op een zakelijke manier en met het nodige besef van kosten en baten worden beheerd (wat niet altijd het geval was), maar werkten niet en konden niet werken als de markt, al deden sommige ideologen alsof. De meeste neoliberale regeringen waren trouwens wel gedwongen hun economie te regelen en te sturen, hoezeer ze ook beweerden dat ze alleen maar de krachten van de markt stimuleerden. Het was ook niet mogelijk om de staat verder te laten terugtreden. Toen het ideologisch meest zuivere vrije-marktregime, Groot-Brittannie onder Thatcher, veertien jaar aan de macht was, betaalden zijn inwoners nog iets meer belasting dan ze onder Labour hadden betaald.
DE WERELDECONOMIE DIE zich tegenover de problemen van de jaren zeventig en tachtig gesteld zag, was niet meer die van het Gouden Tijdperk, al was ze wel een logisch uitvloeisel daarvan. Die gevolgen kunnen het best worden geillustreerd aan de hand van werk en werkloosheid. Industrialisatie heeft meestal geleid tot het vervangen van menselijk kunnen door dat van machines en van menselijke arbeid door mechanische kracht, waardoor mensen hun werk kwijtraakten. Men ging er terecht van uit dat de enorme groei van de economie die door die constante industriele revolutie mogelijk werd, automatisch meer dan genoeg nieuwe banen zou scheppen om de verloren gegane oude banen te vervangen, hoewel de meningen uiteenliepen over de vraag welk aantal werklozen noodzakelijk was om zo'n economie doelmatig te laten functioneren. Het Gouden Tijdperk leek dat optimisme te hebben gewettigd. De groei van de industrie was zo sterk dat het aantal en het percentage industrie-arbeiders zelfs in de sterkst geindustrialiseerde landen niet noemenswaardig terugliep. In de crisisdecennia werden arbeidskrachten echter in een spectaculair tempo afgestoten, zelfs in duidelijk expanderende bedrijfstakken. Het aantal arbeiders nam relatief, absoluut en in ieder geval in hoog tempo af. De groeiende werkloosheid van die decennia was niet louter cyclisch, maar structureel. De banen die in slechte tijden verdwenen, kwamen in betere tijden niet terug; ze zouden nooit meer terugkomen.
In een wereld van een vrij grensoverschrijdend economisch verkeer - behalve, typerend genoeg, van werkzoekende migranten - verhuisden arbeidsintensieve industrieen natuurlijkerwijs van hoge- naar lage-lonenlanden, dat wil zeggen van de rijke kernlanden van het kapitalisme zoals de Verenigde Staten naar landen in de periferie. Een arbeider die in El Paso voor een Texaans loon werkte, was een economische luxe als je aan de overkant van de rivier, in het Mexicaanse Juarez, voor een tiende van dat salaris een arbeider kon krijgen, zelfs al was hij minder goed.
Maar ook in de pre-industriele landen en nieuwe industrielanden heerste de ijzeren wet van de mechanisatie, waardoor vroeg of laat zelfs de goedkoopste menselijke arbeidskracht duurder was dan een machine die hetzelfde werk kon doen, en de even ijzeren wet van een ware wereldwijde vrijhandelsconcurrentie. Arbeidskracht mocht in Brazilie vergeleken bij Detroit of Wolfsburg dan nog zo goedkoop zijn, de auto-industrie van Sao Paulo stond voor hetzelfde probleem van een toenemend overschot aan arbeidskrachten wegens mechanisering als in Michigan en Neder-Saksen. De prestaties en de produktiviteit van machines konden door technologische verbeteringen constant en welbeschouwd eindeloos verhoogd worden, en de kosten ervan konden sterk verlaagd worden. Dat gold niet voor mensen, zoals uit een vergelijking tussen de verbetering van snel luchttransportverkeer en die van het wereldrecord op de honderd meter moge blijken. De kosten van menselijke arbeid kunnen in ieder geval niet ongelimiteerd verlaagd worden tot beneden de kosten om mensen in leven te houden op het minimumniveau dat in hun samenleving nog als acceptabel wordt beschouwd. Mensen zijn niet op de tekentafel ontworpen voor een kapitalistisch produktiesysteem. Hoe geavanceerder de technologie is, des te duurder is de menselijke produktiefactor vergeleken bij de mechanische.
HET SAMENGAAN VAN een depressie en een verregaande herstructurering van de economie, gericht op het overbodig maken van menselijke arbeidskracht, schiep een sombere, gespannen politieke sfeer in de crisisdecennia. Een hele generatie was gewend geraakt aan volledige werkgelegenheid, of het vertrouwen dat het soort werk dat iemand zocht, binnenkort wel ergens te vinden was. Terwijl de inzinking aan het begin van de jaren tachtig het bestaan van fabrieksarbeiders opnieuw minder zeker had gemaakt, begon pas bij de inzinking aan het begin van de jaren negentig een flink deel van de klassen van witte-boordenwerkers en hoger opgeleiden in landen als Groot- Brittannie het gevoel te krijgen dat hun baan en hun toekomst niet langer veilig waren: bijna de helft van alle mensen in de welvarendste delen van het land dacht dat ze hun baan wel eens konden kwijtraken. Het was een tijd waarin mensen wier oude levenswijze toch al op losse schroeven stond, soms volledig uit het lood geslagen raakten. Was het toeval dat 'van de tien grootste massamoorden in de geschiedenis van Amerika er acht sinds 1980 hebben plaatsgevonden’, en dat die typisch het werk waren van blanke dertigers of veertigers, vaak na een zware tegenslag zoals ontslag of scheiding? En was ook 'het groeiende klimaat van haat in de Verenigde Staten’, dat ze ertoe kan hebben aangezet, een toeval? Die haat klonk in ieder geval in de songteksten van de jaren tachtig door, en bleek ook wel uit de steeds openlijker gewelddadigheid van films en tv-programma’s.
Dat gevoel van desorientatie en onveiligheid zorgde voor flinke barsten en scheuren in het politieke bestel van de ontwikkelde landen, nog voor het einde van de Koude Oorlog het internationale evenwicht, waarop de stabiliteit van menig westerse parlementaire democratie had berust, teniet deed. In tijden van economische problemen zijn de kiezers maar al te vaak geneigd de partijen of regimes die aan de macht zijn de schuld te geven, maar het nieuwe van de crisisdecennia was dat dit niet per se ten goede kwam aan de gevestigde oppositionele krachten. De grootste verliezers waren de sociaal-democratische of arbeiderspartijen in het Westen, wier voornaamste middel om hun aanhang te paaien - economische en sociale overheidsmaatregelen op nationaal niveau - aan kracht inboette, terwijl de hoofdmoot van hun aanhangers, de arbeidersklasse, uiteenviel. In de nieuwe supranationale economie waren de binnenlandse lonen veel meer dan vroeger afhankelijk van de internationale concurrentie en had de overheid veel minder mogelijkheden om ze te beschermen. Tegelijkertijd gingen in een periode van depressie de belangen van de verschillende deelgroepen van de traditionele sociaal-democratische aanhang uiteenlopen: degenen wier baan (betrekkelijk) veilig was; degenen die niet zeker van hun baan waren; de hecht georganiseerde werknemers in de oude bedrijfstakken; de minder georganiseerde werknemers in de minder bedreigde nieuwe industrieen; en de alom impopulaire slachtoffers van de slechte tijden, die tot de 'onderklasse’ afdaalden. Sinds de jaren zeventig stapten bovendien heel wat aanhangers van de grote linkse partijen over op bewegingen met een specifieker actieprogramma - met name de milieubeweging, de vrouwenbeweging en andere 'nieuwe sociale bewegingen’ - waardoor ze ook verzwakt werden. Aan het begin van de jaren negentig werden sociaal-democratische en linkse regeringen even zeldzaam als ze in de jaren vijftig waren geweest, want zelfs regeringen die in naam door socialisten geleid werden, stapten, of ze het wilden of niet, van hun traditionele beleid af.
De nieuwe politieke krachten die de lacune opvulden vormden een gevarieerd gezelschap, uiteenlopend van xenofoben en racisten en separatistische partijen tot de diverse 'groene’ partijen en andere 'nieuwe sociale bewegingen’ die ter linkerzijde een plaats opeisten. Een aantal daarvan ging een rol van betekenis spelen in de politiek van hun land, maar in de jaren negentig hadden ze geen van alle het oude politieke establishment echt verdrongen. Andere hadden een sterk schommelende aanhang. De invloedrijkste ervan waren vaak tegen de algemene geldigheid van democratie en burgerrechten en voor een politiek van groepsidentiteit, en hadden dan ook vijandigheid gemeen jegens buitenlanders en buitenstaanders en jegens de alomvattende natiestaat van de Amerikaanse en Franse revolutionaire traditie.
Het belang van die bewegingen lag echter niet zozeer in wat ze voorstonden, maar in hun verwerping van de 'oude politiek’. Enkele van de belangrijkste berustten voornamelijk op die negatieve stellingname, zoals de separatistische Lega Nord in Italie, de twintig procent van het Amerikaanse electoraat die een rijke onafhankelijke kandidaat uit Texas in 1992 bij de presidentsverkiezingen steunde, en ook de kiezers van Brazilie en Peru, die in 1989 en 1990 kandidaten tot president kozen met als motief dat ze wel betrouwbaar moesten zijn omdat ze nog nooit van ze hadden gehoord. In Groot-Brittannie verhinderde alleen het stelselmatig niet-representatieve kiesstelsel de opkomst van een grote derde partij: sinds het begin van de jaren zeventig kregen de Liberalen herhaalde malen, alleen of in combinatie of na fusie met een gematigde sociaal-democratische afsplitsing van de Labour Party, bijna evenveel stemmen als - of zelfs meer stemmen dan - elk van de twee grote partijen. Sinds het begin van de jaren dertig, eveneens een periode van depressie, was een drastische terugval van de kiezersaanhang zoals rond 1990 een aantal gevestigde partijen met veel regeringservaring overkwam - de Socialistische Partij in Frankrijk (1990), de Conservatieve Partij in Canada (1993), de Italiaanse regeringspartijen (1993) - niet meer voorgekomen. Kortom, tijdens de crisisdecennia begonnen de tot dan toe stabiele politieke structuren in de democratische kapitalistische landen uiteen te vallen. Daar kwam nog bij dat de nieuwe politieke krachten die de grootste groei vertoonden, populistische demagogie, een sterk geprononceerd persoonlijk leiderschap en vijandigheid jegens buitenlanders in zich verenigden. Degenen die de jaren tussen de wereldoorlogen hadden meegemaakt, hadden alle reden om er moedeloos van te worden.
WAT NAUWELIJKS WERD OPGEMERKT was dat een soortgelijke crisis, eveneens sinds omstreeks 1970, de 'Tweede Wereld’ van de centraal geleide 'planeconomieen’ was begonnen te ondermijnen. Dat werd eerst verhuld en daarna geaccentueerd door de starheid van hun politieke systeem, en zodra er verandering kwam, kwam die dan ook plotseling, zoals aan het eind van de jaren zeventig na de dood van Mao in China en in 1983-1985 na de dood van Brezjnjev in de Sovjetunie. Economisch gezien was het sinds halverwege de jaren zestig al duidelijk dat het centraal geleide socialisme hard aan hervorming toe was. Vanaf de jaren zeventig waren er zelfs duidelijke tekenen van achteruitgang.
Wat de meeste hervormers in de socialistische wereld gewild zouden hebben, was het communisme tot zoiets als de westerse sociaal-democratie omvormen. Stockholm was meer hun model dan Los Angeles. Er zijn geen aanwijzingen dat Hayek of Friedman veel stille bewonderaars in Moskou of Boedapest hadden. Ze hadden de pech dat de crisis van het communistische systeem samenviel met de crisis van het kapitalisme in het Gouden Tijdperk, die tegelijk de crisis van de sociaal-democratische stelsels was. Ze hadden nog veel meer pech dat na de plotselinge ineenstorting van het communisme een programma van geleidelijke omvorming ongewenst en onpraktisch leek, en dat die zich juist afspeelde toen het alles-of-nietsradicalisme van de pure vrije-marktideologen (kortstondig) in het kapitalistische Westen zegevierde. Dat werd daardoor tot inspiratiebron van de postcommunistische regimes, maar bleek daar in de praktijk even onverwezenlijkbaar als overal elders.
Hoewel de crises in Oost en West in menig aspect parallel liepen en via politiek en economie verstrengeld waren in een wereldwijde crisis, verschilden ze in twee belangrijke opzichten. Voor het communistische systeem, dat althans in het Sovjetblok star en inferieur was, was het een kwestie van leven of dood, die het niet overleefde. In de ontwikkelde kapitalistische landen stond het voortbestaan van het economische systeem geen moment op het spel, en dat gold, ondanks het afbrokkelen van hun politieke bestel, vooralsnog ook voor de levensvatbaarheid van dat systeem. Dat kan de onaannemelijke bewering van een Amerikaanse schrijver verklaren (maar niet staven) dat de toekomstige geschiedenis van de mensheid na het einde van het communisme die van liberale democratie zou zijn. In een cruciaal opzicht liepen die systemen wel gevaar: hun toekomstige bestaan als afzonderlijke territoriale staten was niet langer verzekerd. Aan het begin van de jaren negentig was echter geen van de westerse natiestaten die door separatistische bewegingen werden bedreigd, metterdaad uit elkaar gevallen.
Tijdens het Tijdperk van Rampspoed had het einde van het kapitalisme nabij geleken. De Grote Depressie van de jaren dertig zou, zoals de titel van een boek uit die tijd, omschreven kunnen worden als This Final Crisis (Hutt, 1935). Er waren maar weinig echte doemdenkers inzake de naaste toekomst van het ontwikkelde kapitalisme, hoewel een Frans historicus en kunsthandelaar in 1976 stellig het einde van de westerse beschaving voorspelde, met het argument dat het elan van de Amerikaanse economie, dat de rest van de kapitalistische wereld in het verleden op sleeptouw had genomen, nu aan het eind van zijn krachten was. Hij verwachtte dan ook dat de huidige depressie 'ruimschoots tot in het volgende millennium zal voortduren’. Eerlijkheidshalve moet daaraan worden toegevoegd dat er tot eind jaren tachtig ook maar weinig doemdenkers waren over de vooruitzichten van de Sovjetunie.
Juist wegens de grotere en minder beheersbare dynamiek van de kapitalistische economie was de maatschappijstructuur van de westerse samenlevingen echter veel grondiger ondermijnd dan die van de socialistische samenlevingen, en in dat opzicht was de crisis in het Westen dan ook ernstiger. De maatschappelijke orde van de Sovjetunie en Oost-Europa viel uiteen als gevolg van het instorten van het systeem, maar was daar geen noodzakelijke voorwaarde voor. Waar vergelijking mogelijk was, zoals tussen West- en Oost-Duitsland, leken de traditionele Duitse waarden en gebruiken beter bewaard te zijn gebleven onder de stolp van het communisme dan in de westelijke contreien van economische wonderen. Joden die van de Sovjetunie naar Israel emigreerden, bliezen het muziekleven daar nieuw leven in, want ze kwamen uit een land waar het bezoeken van klassieke concerten nog steeds tot het normale culturele leven behoorde. De inwoners van Moskou en Warschau hadden minder last van zaken die de inwoners van New York of Londen plaagden: zienderogen toenemende criminaliteit, openbare onveiligheid en de onvoorspelbare gewelddadigheid van losgeslagen jongeren. Er was kennelijk weinig openbaar vertoon van het soort gedrag dat, ook in het Westen, de woede opwekte van maatschappelijk conservatieve mensen die het als bewijs van de teloorgang van de beschaving zagen en somber 'Weimar’ bromden.
IN HOEVERRE DIE verschillen tussen Oost en West toe te schrijven waren aan de grotere welvaart van de westerse samenlevingen en het veel strakkere staatstoezicht in het Oosten, is moeilijk na te gaan. In bepaalde opzichten hadden Oost en West dezelfde ontwikkeling doorgemaakt. In beide regio’s werden de gezinnen kleiner, werden huwelijken gemakkelijker ontbonden en plantte de bevolking - althans in de meest geurbaniseerde gebieden - zich nauwelijks of niet voort. In beide moesten de traditionele westerse godsdiensten veel terrein prijsgeven, hoewel er volgens onderzoekers een opleving van het geloof in het postcommunistische Rusland was, zij het niet van het praktizeren daarvan. Zoals uit de gebeurtenissen na 1989 bleek, voelden Poolse vrouwen er nu even weinig voor om hun seksuele gewoonten door de katholieke kerk te laten voorschrijven als de Italiaanse vrouwen, hoewel de Polen zich in communistische tijd uit nationalistische sentimenten zeer gehecht aan de kerk hadden getoond. De communistische regimes lieten in het maatschappelijk leven duidelijk minder ruimte voor allerlei subculturen en onderwerelden, en onderdrukte dissidenten.
Bevolkingen die de perioden van waarlijk meedogenloze en massale terreur hadden doorgemaakt waar de meeste van die landen op konden terugzien, waren bovendien, ook toen het regime milder werd, geneigd zich koest te houden. Toch berustte de betrekkelijke kalmte van het socialistische bestaan niet op angst. Het systeem schermde zijn staatsburgers goeddeels van de sociale veranderingen in het Westen af door ze van de uitwerkingen van het westerse kapitalisme af te schermen. De veranderingen die ze meemaakten kwamen van de staat of van hun houding tegenover de staat. Alles waar de staat geen verandering in bracht, bleef grotendeels bij het oude. De paradox van het communisme dat aan de macht was, was dat het conservatief was.