Het vergeten buitenland

Struisvogels in rood-wit-blauw

In de verkiezingscampagne bestaat het buitenland niet. Is dat dom, gevaarlijk, of een uitgekiende politieke strategie?

Het ministerie van Buitenlandse Zaken is een maandje voor de verkiezingen gestopt met de wekelijkse briefings voor de pers. Volgens een woordvoerder van minister Bot was er niet meer wekelijks iets te melden om de belangstelling van de media te blijven wekken. Anderen zeggen dat slapende honden niet moeten worden gewekt, midden in een verkiezingscampagne. Het einde van een ruim dertigjarige traditie. Die stilte over buitenlandse politiek is ‘schandelijk’, zegt Dick Leurdijk. De Clingendael-onderzoeker gaat al wat jaren mee als deskundige van het buitenlands beleid, maar dit heeft hij niet eerder meegemaakt. ‘Natuurlijk, verkiezingen in Nederland worden zelden gewonnen of verloren door buitenlandse kwesties’, erkent Leurdijk. ‘Maar de wanverhouding die er in deze campagne bestaat tussen aandacht voor binnenlandse en buitenlandse zaken is gezien de ernst van de internationale situatie werkelijk krankzinnig. Iran, Irak, Afghanistan, de toekomst van de EU en de verhouding met Amerika: juist in deze verkiezingen zou het moeten gaan om onze rol op het wereldtoneel.’

‘All politics is local’ – de uitspraak is van een beroemde Amerikaanse politicus, wijlen Tip O’Neill. Maar dit ging niet op in de afgelopen Amerikaanse verkiezingen. Irak speelde daarin een beslissende rol. Het geldt deze dagen wel in Nederland, een land dat voor meer dan 250 miljard euro per jaar exporteert, ongeveer de helft van het bruto binnenlands product (bbp). Amerika steekt daar schril bij af, met een schamele zes procent van hun bbp.

Niet voor niets concludeerden de bedrijfsconsulenten van A.T. Kearney Inc deze maand, in samenwerking met het tijdschrift Foreign Policy, dat Nederland nog altijd een zevende plaats bezet op de lijst meest geglobaliseerde landen. Vorig jaar stond het op plaats vijf. Hun rapport schetst van Nederland nog altijd een beeld van beweging en dynamiek. Maar in het landelijke debat over de Nederlandse rol in de wereldpolitiek gaan de luiken dicht. ‘Ons stille dorp’ noemde Henk Hofland zijn vaderland onlangs in dit weekblad.

De media, menen enkele geraadpleegde politici, zijn nog altijd niet bekomen van de schrik die de opkomst van de nationaal gerichte Pim Fortuyn veroorzaakte. Dat kleurt hun aandachtsgebied en manier van kijken. De politici, menen specialisten op hun beurt, zit juist de schrik nog in de benen van het ‘nee’ tegen de Europese grondwet. ‘Dat is ook de voornaamste reden dat ze nu zo stil zijn’, zegt politicoloog André Krouwel van de Vrije Universiteit: ‘De huidige stilte is strategie. Onder kamerleden van de meest uiteenlopende partijen heerst de consensus dat Nederland bestaat bij de gratie van allianties met andere landen en dat het in ons eigen belang is om een trouwe bondgenoot van Amerika te blijven, nettobetaler van de EU, om relatief grote bedragen vrijwillig in de VN-kas te storten, enzovoort. Maar bij die consensus hoort ook de overtuiging dat het volk dit niet begrijpt. Daarom houden politici zich stil. En soms doen ze een beetje stoer op een koopje. Zo staat er in het cda-verkiezingsprogramma niet dat de ontwikkelingshulp omhoog moet, maar dat andere landen meer moeten uitgeven, bij voorkeur hetzelfde percentage van het bbp als Nederland. Stem op het cda, lijkt het programma te zeggen, want die partij vindt internationale herverdeling van rijkdom zo belangrijk dat ze andere landen ertoe wil aanmoedigen.’

Als de stilte een strategie is, dan geen al te slimme, meent Atzo Nicolai. Hij heeft als staatssecretaris voor Europese Zaken de klap van het referendum het hardst gevoeld. ‘Ik heb de stilte in Nederland over de Europese integratie altijd verkeerd gevonden. Politici dachten er baat bij te hebben, inderdaad, want dan kon worden geregeld waar het maatschappelijk draagvlak wellicht voor ontbrak. De slimmen konden regelen wat de dommen niet begrepen, om het even lomp uit te drukken. Dat was verkeerd’, aldus Nicolai. ‘De huidige stilte brengt ook risico’s met zich mee. Met ontwikkelingshulp dreigt nu bijvoorbeeld hetzelfde te gebeuren als met Europa destijds. Voor hulp bestaat in Nederland een sterk georganiseerd draagvlak. Maar omdat hulporganisaties een wereld in zichzelf dreigen te worden, kan dat draagvlak snel dunner worden. Zeker als politici niet uitleggen hoe hulp in ons eigen belang kan werken, wat ik de afgelopen jaren goed heb kunnen zien in de landen die ooit aan de EU grensden en nu ook lidstaat zijn. Daar hebben we met relatief kleine bedragen een enorme goodwill opgebouwd.’

Hilde Laffeber, nummer 70 op de lijst van de pvda en tevens beleidsmedewerker op Buitenlandse Zaken, wijst op de rol van de pers. ‘De pvda heeft uitgebreide buitenlandparagrafen. Maar de media pikken het niet op, terwijl kiezers wel degelijk zijn geïnteresseerd. Ik heb veel bevolkingsonderzoek begeleid en dan zie je dat Nederlanders zich helemaal niet willen terugtrekken achter de dijken. Ze willen trots zijn op hun land. Maar praat niet over allianties en schuivende machtspatronen, vraag wat Europese samenwerking bij terrorismebestrijding betekent voor onze politie. Moet er een Europees korps komen? Dat maakt de discussie politieker, minder abstract.’

Toch blijft Krouwels theorie van een bewuste stiltestrategie aantrekkelijk, juist door de discrepantie tussen electoraat en politicus die ook Nicolai waarneemt. Er zijn ook politici die opzichtig in het gat proberen te springen tussen burger en politiek op het gebied van de buitenlandse politiek. En niet alleen Geert Wilders. vvd-kamerlid Zsolt Szabó noemt ontwikkelingshulp ‘compleet mislukt’ en eist een datum van de minister waarop Nederland ontwikkelingssamenwerking staakt. Anderen willen die hulp vooral ‘strategisch’ maken, wat wil zeggen dat het belang voor Nederland direct waarneembaar moet zijn. Zoals hulp aan Nigeria, waar Shell grote belangen heeft. Of aan Pakistan, opdat het land harder optreedt tegen de Taliban. Uit de meest verschillende partijen klinkt de roep om de bijdrage aan de EU omlaag te brengen. De term ‘het braafste jongetje van de klas’ viel het afgelopen jaar voortdurend.

Die stoere praat creëerde onrust in diplomatieke kringen. ‘Oliedom’, zeggen twee hoge beleidsmedewerkers van Buitenlandse Zaken weinig diplomatiek, maar ook anoniem, om niet in conflict te komen met de minister. ‘In Nederland hoor je steeds vaker, ook onder politici: eigen volk eerst. Maar in de Nederlandse situatie zet je het eigen volk daarmee juist achter in de rij. Het heeft totaal geen zin om ons als wereldmacht te gaan gedragen. Ten eerste door de aard van de problemen. Milieu, asielzoekers, terrorisme en energieafhankelijkheid zijn problemen die zich niet achter de dijken laten oplossen. En omdat we niet groot zijn, is het belangrijk dat je meer doet dan anderen. Wij zijn noodgedwongen een voortrekker. Soft power is nu eenmaal het enige sterke wapen dat een kleine maar belangrijke handelsnatie ter beschikking staat. Daar ligt ook onze kracht en traditie. Als wij ons op het politieke toneel als wereldmacht gaan gedragen, zullen de grote landen ons direct links laten liggen. Als wij stoer gaan doen, winnen zij. Wij moeten ons niet groter gedragen dan we zijn. Pas dan krijgen we iets voor elkaar.’

Hoogleraar internationaal publiekrecht Nico Schrijver uit Leiden sluit zich hierbij aan: ‘Het druist direct in tegen ons eigenbelang om te provincialiseren terwijl de wereld globaliseert. Nederland kan zich de terugtrekkende beweging moeilijk permitteren.’ In het recentste nummer van Clingendaels tijdschrift Internationale spectator wijst Schrijver nadrukkelijk op het eigenbelang voor Nederland van een goed functionerende internationale rechtsorde: ‘Nederland draait mee in een verfijnd stelsel van internationaal recht en het heeft goed functionerende internationale organisaties eenvoudigweg nodig. Dat vereist een ideëel georiënteerde buitenlandse politiek.’ Juist hierom hekelt Schrijver de Nederlandse onverschilligheid jegens – en zelfs steun voor – Amerika’s gebrek aan respect voor die internationale rechtsorde.

Hoe konden de luiken zich zo snel sluiten?

De populariteit van Pim Fortuyn heeft hier wellicht een rol gespeeld. In zijn boek De puinhopen van Paars keerde hij zich nadrukkelijk tegen een ethische buitenlandse politiek ‘die naar willekeur de soevereiniteit van een land met voeten treedt’. Hij doelde daarbij in eerste instantie op het ideëel georiënteerde beleid van Clinton en Blair, maar zijn afkeer zou, theoretisch gezien, evengoed de huidige strijd van Bush in Irak gelden, of die van Bot in Afghanistan. Fortuyn was populair. Net als de ideeën die hij formuleerde in Zielloos Europa, een van zijn boeken. Het betreft een lofzang op de natiestaat, legt Fortuyn-kenner Dick Pels desgevraagd uit. Pels, auteur van het veelgeprezen boek De geest van Pim: ‘Voor Fortuyn was de natiestaat “het leefbare verband van waaruit we letterlijk of virtueel de wereld intrekken”, dat “naast ons familiehuis echt een thuis” biedt.’

Om van deze erfenis van Fortuyn af te komen en de apathie te doorbreken, moeten politici minder bang zijn, meent generaal b.d. Homan, verbonden aan Clingendael: ‘Politici moeten zeggen waarop het staat.’ Homan wijst op ‘de relatie tussen krijgsmacht, politiek en maatschappij’ en haalt in dat verband, hoe kan het ook anders, Von Clausewitz erbij: ‘Uit een recent rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken blijkt dat het draagvlak voor buitenlandse missies onder de Nederlandse bevolking nog altijd groot is. Uruzgan is een uitzondering, geen nieuwe trend.’ Ook het lijkzakkensyndroom lijkt niet te bestaan, blijkt uit het onderzoek. Homan: ‘Neem Kosovo. In die oorlog heeft de Nederlandse luchtmacht net zo veel gevechtsvluchten uitgevoerd als de Britten, maar anders dan zij doen brengt onze regering dat niet naar buiten. Ik heb wel eens gevraagd waarom niet. Het antwoord dat ik kreeg: omdat onze bevolking er niet van houdt het idee te hebben in een martiale natie te leven.’

Een verwrongen zelfbeeld staat heldere vragen in de weg. In dit weekblad verzuchtte Henk Hofland onlangs in vertwijfeling dat de vragen die momenteel in de Verenigde Staten worden gesteld aanzienlijk harder zijn dan die in Nederland. Wordt er in Den Haag überhaupt nog wel eens een Amerikaanse krant gelezen, vroeg hij zich af. Om te concluderen: ‘Wij gedragen ons als een satelliet van Moskou in de Koude Oorlog.’

Nico Schrijver: ‘Politici verbergen met hun zwijgen niet een gat met de kiezer, maar tegenstellingen onderling. Waarom heeft niemand het deze dagen over De Hoop Scheffer? Hij heeft destijds als onze Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken een loopje genomen met het internationale recht door politieke steun te geven aan de eigenmachtige oorlog van de Britten en de Amerikanen tegen Irak. Voorbarig en in een heel vroeg stadium. Het is een fiasco geworden, nog triester en dramatischer dan de grootste zwartkijkers al hadden gevreesd. Vele lidstaten van de VN hebben deze houding van Nederland nooit begrepen. Ik ook niet.’

Als onderdeel van het programma Vaste grond voor zwevende kiezers gaan buitenlandspecialisten van verschillende politieke partijen donderdag 16 november onder leiding van Pieter van Os met elkaar in de debat.

Zie www.debalie.nl/verkiezingen