Stuart Hall, 3 februari 1932 – 10 februari 2014

Hij legde de basis voor cultural studies en werd de godfather van de multiculturele samenleving. Zijn ideeën over identiteit veranderden de geesteswetenschappen. Stuart Hall, uit Jamaica, zou nooit echt een Engelsman worden.

Het thatcherisme zag het licht al vier maanden voordat Thatcher de verkiezingen om het premierschap wist te winnen. Stuart Hall lanceerde de term in Marxism Today en duidde de ‘politieke bedpartner’ van de kapitalistische recessie als ‘autoritair populisme’, om vervolgens een totaal gebrek aan perspectief aan de linkerzijde van de politiek te constateren, de kant waar hij zich zijn leven lang voor inzette.

Voor Hall was politiek onlosmakelijk verbonden met cultuur, en andersom. Hij legde het fundament voor cultural studies en blies deze met een revolutionaire multiculturele agenda een politiek leven in. Zijn denken loopt hand in hand met de nieuwe wereldburger.

In 1996 verscheen de bundel Questions of Cultural Identity, samengesteld door Hall en Paul du Gay. Het exemplaar uit de universiteitsbibliotheek ligt uit elkaar, stukgelezen door sociologen, cultureel antropologen, politicologen en kunsthistorici. Halls essay Who Needs Identity?, vol pijlen, uitroeptekens, vraagtekens en een verbleekte koffievlek, bevat de meest gemarkeerde zin: ‘(…) identities are about questions of using the resources of history, language and culture, in the process of becoming rather than being: not “who we are” or “where we came from”, so much as what we might become, how we have been represented and how that bears on how we might represent ourselves’.Hall zelf was de vleesgeworden constructie van deze hybride identiteit. Hij werd geboren in Kingston, Jamaica, gevormd aan Merton College, Oxford, geactiveerd door het Britse politieke klimaat van de jaren zestig en geverfd door de westerse identiteitscrisis van de jaren negentig.

In 1951 arriveerde Hall met een studiebeurs in het Verenigd Koninkrijk. Gedesillusioneerd door de neergeslagen Hongaarse Revolutie van 1956 en de Suezcrisis van datzelfde jaar besloot hij zijn studie over Henry James aan Oxford te staken. In plaats daarvan richtte hij in 1958 New Left Review op, het magazine van Nieuw Links, waar urgente politieke ontwikkelingen en nieuwe vraagstukken als migratie een podium kregen. Engeland was op dat moment nog zonder black politics: de migratie was net begonnen. Hall zou veelvuldig over de Britse identiteit schrijven, die volgens hem inclusiever moest worden in plaats van eenvormiger. Er was geen kern van Britishness en ook geen muur die anderen daar buiten kon houden. Zijn eigen migratie naar Engeland omschreef hij als ‘thuiskomen’: ‘I am the sugar at the bottom of the English cup of tea. I am the sweet tooth, the sugar plantations that rotted generations of English children’s teeth. There are thousands of others besides me that are, you know, the cup of tea itself.’

In 1964 opende socioloog Richard Hoggart het Birmingham Centre for Contemporary Cultural Studies en in 1968 werd Hall directeur. De naam van het onderzoekscentrum werd synoniem voor een revolutionaire school van denkers die zich over populaire cultuur en media boog. ‘Hier vond een paradigmaverschuiving plaats’, vertelt Rosi Braidotti, universiteitshoogleraar en directeur van het Centre of the Humanities in Utrecht, ‘van cultuur als ideologie naar cultural studies als autonoom onderzoeksterrein.’ Onder de hegemonie van de marxistische theorie konden kunst en cultuur in het gunstigste geval een expressie van een ideologie zijn, maar Hall, geïnspireerd door het gedachtegoed van Antonio Gramsci, verkondigde dat álle uitingen van cultuur een politieke implicatie hebben. Braidotti: ‘Deze manier van denken, die nu een banaliteit is, betekende destijds een revolutionaire breuk. Cultural studies werd een manier om politieke analyses van cultuur te maken. Zodra je naar cultuur als een autonoom fenomeen kijkt, en niet als expressie van een ideologie, komen klasse, etniciteit en gender om de hoek kijken: allerlei variabelen die het klassieke marxisme niet onderkende.’

Hall verkondigde dat álle uitingen van cultuur een politieke implicatie hebben

Hall was niet alleen Braidotti’s meest geliefde leermeester, hij leverde een hele generatie nieuw onderzoek, waar iedereen mee kon werken.

Na zijn pensioen als hoogleraar sociologie aan de Open University stak Hall zijn energie in de oprichting van Rivington Place in 2007, een global art space in Shoreditch, Oost-Londen. Het is de eerste permanente plek in het Verenigd Koninkrijk die is gewijd aan diversiteit in de beeldende kunst, gevestigd in een spectaculair gebouw van de geëngageerde architect David Adjaye, met een Stuart Hall Library. Momenteel loopt hier de tentoonstelling When Harmony Went To Hell: Congo Dialogues.

De globalisering heeft veel positieve veranderingen teweeggebracht, maar 11 september veroorzaakte een nieuwe breuk tussen groepen mensen. We lijken hopeloos terug bij af, maar Hall dacht steeds vanuit het motto van Gramsci: met pessimisme van het intellect en optimisme van de geest. ‘I think a lot of people in cultural studies think: “We cannot just go on producing another analysis of The Sopranos.” Sorry, something more is happening in the world that requires our attention.’ Wanneer cultuurwetenschappers zich opnieuw zouden verdiepen in hun politieke oorsprong, zo stelde Hall in 2012, zouden ze een betere analyse van de huidige crisis kunnen geven dan veel economen.

Een Engelsman werd Hall nooit, en hij werd het steeds minder naarmate hij ouder werd, ingehaald door zijn eigen geschiedenis, die was gestoeld op machtsverhoudingen. ‘I was brought up to understand you’, zei hij in een interview met The Observer in 2007. ‘I read your literature, I knew “Daffodils” off by heart before I knew the name of Jamaican flowers. You don’t lose that, it becomes stronger.’


Beeld: Stuart Hall 1996 (Donald Maclellan/Getty Images).